latin words2.txt

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
100071
Filename:
latin words2.txt
Updated:
2012-02-27 11:02:02
Tags:
latijn woorden 19
Folders:

Description:
latijn woorden 19
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. lex, gen. (geslacht)
    legis (vrl.) - wet
  2. absum, perf. + welke voorzetsel + welke naamval (inf.)
    afui a(b) + abl. (abesse) - verwijderd zijn van
  3. minimus
    • 1. kleinst
    • 2. zeer/heel klein
  4. mercator, gen.
    mercatoris - koopman
  5. tertius
    derde
  6. Germanus
    Germaan, Germaans
  7. differo, perf. (inf.)
    • distuli (differre) - 1. verschillen
    • 2. uitstellen
  8. longe (bijw.)
    • 1. ver (weg)
    • 2. lang (van tijd)
  9. pessimus
    • 1. slechtst
    • 2. zeer/heel slecht
  10. Gallus
    • 1. Galliër
    • 2. Gallisch
  11. divido, perf. (inf.)
    • divisi (dividĕre) - 1. verdelen
    • 2. (+ abl.) scheiden (van)
  12. provincia
    provincie, ambtsgebied
  13. longissime (bijw.)
    • 1. meest ver weg, langst
    • 2. zeer/heel ver weg, zeer/heel lang
  14. minime (bijw.)
    minst
  15. optimus
    • 1. best
    • 2. zeer/heel goed
  16. proximus
    naast, (zeer/heel) dichtbij
  17. trans + welke naamval?
    • + acc. - 1. aan de overkant van
    • 2. over, over...heen
  18. divisus
    verdeeld
  19. intra + welke naamval?
    + acc. - binnen
  20. barbarus
    vreemdeling, barbaar
  21. condicio, gen. (geslacht)
    • condicionis (vrl.) - 1. voorwaarde
    • 2. toestand
  22. vero (bijw.)
    • echter
    • inderdaad
  23. unde
    vanwaar, waarvandaan
  24. sustineo, perf. (inf.)
    • sustinui (sustinĕre) - omhooghouden
    • uithouden
  25. paulatim (bijw.)
    langzamerhand
  26. transeo, perf., participium passief van het perf. (inf.)
    • transii, transitus (transire) - overtrekken, voorbijtrekken
    • voorbijgaan (v. tijd)
  27. facinus, gen. (geslacht)
    facinoris (onz.) - misdaad
  28. eques, gen.
    • equitis - ruiter
    • ridder (klasse tussen senaat en volk)
  29. perfero, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    • pertuli, perlatus (perferre) - overbrengen
    • verdragen
  30. committo, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    • commisi, commissus (committĕre) - aangaan (een gevecht), begaan (een misdaad)
    • + dat. toevertrouwen
  31. tantus
    • zogroot
    • zoveel
  32. mitto, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    misi, missus (mittĕre) - zenden, sturen
  33. consumo, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    • consumpsi, consumptus (consumĕre) - verbruiken
    • besteden
  34. rapio, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    rapui, raptus (rapĕre) - grijpen, roven, meesleuren
  35. oportet + wat?
    + (A.c.I.) - het is nodig dat, men moet
  36. portius (bijw.)
    liever, eerder
  37. numerus
    getal, aantal
  38. frumentum
    koren, graan
  39. tolero (inf.)
    (tolerare) - verdragen

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview