Biologie Begrippen 1.txt

Card Set Information

Author:
EthicaNicomachea
ID:
100849
Filename:
Biologie Begrippen 1.txt
Updated:
2011-09-10 11:04:09
Tags:
Biologie
Folders:

Description:
Biologie1
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user EthicaNicomachea on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Zenuwstelsel
    bestaat uit een centraal en een perifere zenuwstelsel
  2. Centraal zenuwstelsel
    bestaat uit grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg
  3. Perifere zenuwstelsel
    bestaat uit zenuwen die alle delen van het lichaam verbinden met de centrale zenuwstelsel.
  4. Prikkels
    is de invloed uit het milieu op een organisme.
  5. Impulsen
    ontstaan onder invloed van prikkels, zijn een soort elektrische signalen
  6. Receptoren
    zo worden zintuigcellen genoemd, ook wel ontvangers
  7. Conductoren
    zo worden zenuwcellen genoemd, ook wel voortleiders
  8. Effectoren
    zo worden spiercellen en kliercellen genoemd, ook wel uitvoerders
  9. Zenuwcellen
    is opgebouwd uit een uitloper en een cellichaam, ook wel neuronen, liggen in of vlakbij het centrale zenuwstelsel.
  10. Axon
    geleiden de impulsen, eromheen zit de myelineschede
  11. Cellen van Schwann
    deze zitten om de myelineschede
  12. Insnoering
    zitten tussen de cellen van Schwann
  13. Sensorische zenuwcellen
    (gevoelszenuwcellen, geleiden impulsen van receptoren naar het centrale zenuwstelsel
  14. Motorische zenuwcellen
    ontvangen impulsen van schakelcellen en geven die door aan de effectoren
  15. Schakelcellen
    krijgen impulsen van sensorische zenuwcellen en sturen die via de hersenen door naar de motorische zenuwcellen
  16. Synapsen
    de plaats waar de impulsen van de ene cel naar de andere door worden gegeven
  17. Impulsgeleiding
    de manier waarop de impuls wordt voorgeleid
  18. Actiefase
    de fase waarin de impuls word doorgestuurd
  19. Herstelfase
    de korte tijd waarin er geen impulsen worden voorgeleid
  20. Impulssterkte
    de sterkte van van de reflex
  21. Sprongsgewijs
    van insnoering naar insnoering, zo gaan de impulsen nog sneller
  22. Impulsfrequentie
    aantal impulsen per tijdseenheid
  23. Mechanisch prikkelen
    zenuwcel aanraken met een micronaald
  24. Elektrisch prikkelen
    zenuw prikkelen met een elektrische stroomstoot
  25. Prikkeldrempel
    de maximale sterkte van een prikkel om er een impuls uit te leiden
  26. Gewenning
    als je iets op een gegeven moment niet meer voelt omdat je er aan gewent bent.
  27. Verslaving
    je wil bepaalde dingen alsmaar doen en je komt er moeilijk vanaf
  28. Ruggenmergzenuwen
    zenuwen die uit het ruggenmerg lopen
  29. Witte stof
    buitenste laag van het ruggenmerg., liggen de uitlopers van schakelcellen
  30. Grijze stof
    binnenste laag, liggen de cellichamen van de schakelcellen
  31. Ganglion
    ophoping van zenuwcellichamen buiten het centrale zenuwstelsel
  32. Ruggenmergvliezen
    hierdoor wordt het ruggenmerg van bloed voorzien het geeft bescherming. Zijn er drie
  33. Centrale kanaal
    een holte in het midden van het ruggenmerg die in verbinding staan met de hersenholtes. Het is gevuld met vocht.
  34. Hersenzenuwen
    zijn er twaalf, verbinden de voornamelijk hersenstam met de receptoren en effectoren in hoofd en hals.
  35. Merg
    het binnenste gedeelte van de hersenen
  36. Grijze stof
    ligt aan de buitenkant van de hersenen, hierin zitten de cellichamen van de schakelcellen
  37. Witte stof
    ligt aan binnenkant van de hersenen, bevat de uitlopers van de cellichamen
  38. Sensorische centra
    liggen bij elkaar in de hersenschors achter de centrale groeve, is voor binnenkomende impulsen
  39. Motorische centra
    liggen bij elkaar in de hersenschors, voor de centrale groeve, hier gaan impulsen uit, Deze veroorzaken bewegingen die je bewust maakt.
  40. Kleine hersenen
    co�rdineren alle bewegingen die je maakt, ook zorgen ze ervoor dat je je evenwicht kan handhaven
  41. Hersenvliezen
    zijn er drie, hersenen worden beschermd en van bloed voorzien
  42. Hersenvocht
    bevind zich in de hersenholtes.
  43. Hersenholtes
    staan in verbinding met het centrale kanaal in het ruggenmerg
  44. Reflex
    is een vaste, snelle, onbewuste reactie op een bepaalde prikkel
  45. Reflexboog
    de weg die impulsen bij een reflex afleggen, wordt een reflexboog genoemd
  46. Animale zenuwstelsel
    regelt vooral de bewuste reacties en de reflexen, hierbij zijn zintuigen en skeletspieren betrokken.
  47. Autonome zenuwstelsel
    regelt vooral de werking van de van inwendige organen, het werkt nauw samen met het hormonenstelsel
  48. Orthosympatische deel
    Deel van het autonome zenuwstelsel, zorgt o.a. voor een hogere hartslagfrequentie, verwijding van de bloedvaten naar de skeletspieren, een hogere ademfrequentie, het remt de organen van het verteringsstelsel en de nieren in hun werking.
  49. Parasympathische deel
    be�nvloed de organen zodanig dat het lichaam in een toestand van rust en herstel kan komen, het ps deel bevordert de assimilatie.
  50. Assimilatie
    worden de organische stoffen gevormd waaruit je lichaam bestaat. Hiervoor is energie nodig
  51. Dissimilatie
    alle processen waarbij energie vrij komt
  52. Zwervende zenuw
    deze zenuwen ontspringen in de hersenstam, vertakkingen ervan lopen naar de organen
  53. Grensstrengen
    zijn twee reeksen van ganglia links en rechts van de wervelkolom, vanuit deze ganglia lopen zenuwen naar de organen
  54. Doelwitorgaan
    een orgaan dat door een bepaald deel van het centrale zenuwstelsel wordt be�nvloed
  55. Innervatie
    de voorziening van een orgaan met zenuwen, elk orgaan wordt geinnerveerd door twee zenuwen van het autonome zenuwstelsel, een Orthosympatische en een parasympathische zenuw.
  56. Dubbele innervatie
    dit noemen we dubbele innervatie
  57. Glad spierweefsel
    bestaat uit langwerpige spiercellen, elk met een celkern. Komt vooral voor in de huid en in de wand van buisvormige of holle organen. Wordt geinnerveerd door het autonome zenuwstelsel
  58. Dwarsgestreept spierweefsel
    bestaan uit spiervezels, elke spiervezel is ontstaan uit versmelting van vele spiercellen. Een spiervezel bevat dan ook vele celkernen, vooral skeletspieren en huidspieren, geinnerveerd door het animale zenuwstelsel, samenwerking verloopt snel maal spiervezels raken snel vermoeid.
  59. Skeletspieren
    spieren die aan het skelet zitten
  60. Huidspieren
    spieren die vastzitten aan de huid
  61. Spierschede
    bindweefsel dat om een spierbundel heen zit
  62. Spierbundel
    een bundel van spiervezels
  63. Spiervezel
    bestaat uit spierfibril
  64. Motorisch eindplaatje
    zit aan het einde van een motorische zenuwcel
  65. Motorische eenheid
    alle spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met een motorische zenuwcel vormen samen een motorische zenuwcel
  66. Glycogeenkorrels
    hierin is de reservestof glycogeen opgeslagen
  67. Filamenten
    daar bestaat een spierfibril uit, het zijn eiwitdraden
  68. Actine
    daar bestaan de dunne filamenten uit
  69. Myosine
    daar bestaan de dikke filamenten uit.
  70. Spierspanning
    een lichte kracht op de aanhechtingsplaatsen van de pezen
  71. Reflexen
    spelen een grote rol bij het handhaven van het lichaamshouding
  72. Antagonisten
    zijn spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect heeft.
  73. Geblesseerd
    dat is als de spieren zich niet in de normale toestand bevinden
  74. Training
    hierdoor kunnen de skeletspieren betere prestaties leveren.
  75. Doping
    dit wordt gebruikt om prestaties te verbeteren
  76. Anabole stero�den dat zijn stoffen die ongeveer de zelfde werking hebben als het mannelijk geslachtshormoon testosteron.
  77. Hormoonklieren
    dat zijn klieren die hormonen produceren, ook wel endocriene klieren genoemd
  78. Endocriene klieren
    andere naam voor hormonenklieren
  79. Hormoonspiegel
    de concentratie van hormonen in het bloed
  80. Hypofyse
    ligt tussen de beide hersenhelften in, het bestaat uit twee helften; voorkwab en achterkwab, produceert enkele hormonen FSH en LH en TSH en ADH en GH en oxytocine
  81. Groeihormoon
    regelt de groei en ontwikkeling
  82. Antidiuretisch hormoon
    regelt de urine in de nieren
  83. Schildklier
    produceert het hormoon thyroxine
  84. Thyroxine
    be�nvloed de stofwisseling en de groei en ontwikkeling
  85. Stimuleert
    hypofyse stimuleert de vorming van schildklierweefsel en de secretie van thyroxine, thyroxine remt de secretie van TSH, het houd elkaar in evenwicht.
  86. Negatieve terugkoppeling
    doordat de concentratie van TSH in het bloed stijgt, wordt de secretie van thyroxine gestimuleerd. Daardoor stijgt de concentratie van thyroxine in het bloed weer. Dit regelmechanisme noemen we negatieve terugkoppeling
  87. Eilandjes van langerhans
    produceren de hormonen insuline en glucagon
  88. Insuline en glucagon
    regelen het glucose gehalte van het bloed. Onder invloed van insuline wordt in de lever en in de spieren glucose omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt in deze organen opgeslagen.
  89. Bloedsuikerspiegel
    het glucosegehalte van het bloed
  90. Suikerziekte
    als er een tekort insuline is en een overschot aan glucagon
  91. Bijniermerg
    het binnenste gedeelte van de nieren, hierin wordt het hormoon adrenaline geproduceerd
  92. Adrenaline
    onder invloed van adrenaline wordt glucagon omgezet in glucose. Hierdoor verhoogd het glucosegehalte in het bloed en je hartklopping en je ademfrequentie verhoogd. Adrenaline stelt het lichaam in staat in situaties van grote spanning snel te handelen.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview