latijn woorden + telwoorden.txt

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
104157
Filename:
latijn woorden + telwoorden.txt
Updated:
2011-09-30 15:27:33
Tags:
latijn 20
Folders:

Description:
latijn H 20 + telwoorden blz. 24 WB
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. 1 (mnl., vrl., onz.)
    unus, una unum
  2. 2 (mnl., vrl., onz.), (dat./abl.)
    duo, duae, duo, duobus
  3. 3 (gen.), (onz..)
    tres, trium, tria
  4. 4
    quattuor
  5. 5
    quinque
  6. 6
    sex
  7. 7
    septem
  8. 8
    octo
  9. 9
    novem
  10. 10
    decem
  11. 20
    viginti (onverbuigbaar)
  12. 30
    triginta
  13. 40
    quadraginta
  14. 50
    quinquaginta
  15. 60
    sexaginta
  16. 70
    septuaginta
  17. 80
    octoginta
  18. 90
    nonaginta
  19. 100
    centrum
  20. proelium
    gevecht
  21. redeo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    redii, reditum (redire) - terugkeren
  22. occultus
    verborgen, geheim
  23. consulatus
    ambt van consul, consulaat
  24. iubeo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.) + welke naamval?
    iussi, iussus + acc. (iubere) - bevelen (aan)
  25. memoro (inf.)
    (memorare) - ter sprake brengen, vermelden
  26. secundus
    • tweede, volgend
    • gunstig
  27. postulo (inf.)
    (postulare) - (op)eisen
  28. cohors, gen. (geslacht)
    cohortis (vrl.) - cohort, legerafdeling
  29. iungo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    iunxi, iunctus (iungĕre) - verbinden
  30. honor, gen. (geslacht)
    honoris (mnl.) - eer, eerbewijs
  31. dignitas, gen. (geslacht)
    dignitatis (vrl.) - waardigheid, aanzien
  32. iacio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    ieci, iactus (iacĕre) - gooien
  33. intersum, perf. (inf.)
    • interfui (interesse) - liggen/zijn tussen
    • (+ dat.) aanwezig zijn bij
  34. sol, gen. (geslacht)
    solis (mnl.) - zon
  35. forma
    • gestalte
    • schoonheid
  36. contendo, perf. (inf.)
    • contendi (contendĕre) - zich inspannen
    • zich haasten, snel gaan
    • strijden
  37. exstinguo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • exstinxi, exstinctus (exstinguĕre) - (uit)blussen, (uit)doven
    • vernietigen
  38. comes, gen.
    comitis - metgezel, vriend
  39. reperio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • repperi, repertus (reperire) - vinden
    • te weten komen
  40. finis, gen. (geslacht)
    • finis (mnl.) - einde, grens
    • (mv.) gebied
  41. paulum (bijw.)
    weinig, een beetje, even
  42. lumen, gen. (geslacht)
    • luminis (onz.) - licht
    • oog
  43. cantus
    lied, gezang
  44. factum est
    • het is gemaakt, het is gedaan
    • het is gebeurd
  45. cano (inf.)
    • (canĕre) - (be)zingen
    • blazen
  46. adhuc (bijw.)
    tot nu toe, nog
  47. vinco, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    vici, victus (vincĕre) - overwinnen, overtreffen
  48. Graecia
    Griekenland
  49. difficilis, (onz.)
    difficile - moeilijk
  50. tot (onverbuigbaar)
    zoveel
  51. conspicio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    conspexi, conspectus (conspicĕre) - zien, beschouwen
  52. celer, gen.
    celeris - snel
  53. uterque, gen.
    utriusque - elk van beide(n), beide(n)
  54. epistula
    brief
  55. lego, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • legi, lectus (legĕre) - verzamelen
    • (uit)kiezen
    • lezen
  56. supra + welke naamval?
    + acc. - boven
  57. quidem (bijw.)
    • benadrukt het vorige woord
    • weliswaar (vaak gevolgd door sed)
    • althans
  58. simulo (inf.)
    (simulare) - doen alsof, voorwenden
  59. accedo, perf. (inf.)
    accessi (accedĕre) - naderen, erbij komen
  60. ob + welke naamval?
    + acc. - wegens
  61. officium
    plicht, taak
  62. alquis, onz.
    • alquid - iemand, iets
    • (mv.) sommige(n), enkele(n)
  63. nubes, gen. (geslacht)
    nubis (vrl.) - wolk
  64. quod
    • omdat
    • (+ conj.) omdat (volgens de mening van het onderwerp van de hoofdzin)
    • dat/wat (betr. vnw.)
  65. vulnus, gen. (geslacht)
    vulneris (onz.) - wond
  66. pes, gen. (geslacht)
    pedis (mnl.) - voet
  67. honestus, bijw.
    • honeste - eervol
    • fatsoenlijk
  68. quidam
    • een zekere
    • (mv.) enkele(n), sommige(n)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview