latijn woorden.txt

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
105726
Filename:
latijn woorden.txt
Updated:
2012-05-06 15:32:18
Tags:
latijn woorden hoofdstuk negen en 10
Folders:

Description:
latijn woorden H 9-10
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. facio, perf. (inf.)
    • feci (facĕre) - maken
    • doen
  2. turba
    menigte
  3. minus (bijw.)
    minder
  4. castra, gen. (geslacht)
    castrorum (onz.mv.) - legerkamp
  5. ideo
    daarom
  6. in castris
    in het legerkamp
  7. adsum, perf. (inf.)
    • adfui (adesse) - aanwezig zijn
    • helpen
  8. occido, perf. (inf.)
    occidi (occidĕre) - doden
  9. via
    weg
  10. effugio, perf. (inf.)
    effugi (effugĕre) - ontvluchten, ontkomen
  11. voco (inf.)
    (vocare) - roepen, noemen
  12. sedeo, perf. (inf.)
    sedi (sedere) - zitten
  13. erro (inf.)
    • (errare) - rondzwerven, dwalen
    • zich vergissen
  14. quam (na vergrotende trap)
    dan
  15. caedes, gen. (geslacht)
    caedis (vrl.) - moord, slachting
  16. addo, perf. (inf.)
    addidi (addĕre) - toevoegen
  17. nihil
    niets
  18. nec
    en niet, ook niet
  19. longus, (vrl.), (onz.)
    longa, longum - lang
  20. ordo, gen. (geslacht)
    ordinis (mnl.) - rij
  21. caveo, perf. (inf.) + welke naamval?
    cavi (cavere) + acc. - op zijn hoede zijn voor, oppassen voor
  22. accendo, perf. (inf.)
    accendi (accendĕre) - in brand steken, aansteken
  23. dolor, gen. (geslacht)
    doloris (mnl.) - pijn, verdriet
  24. respondeo, perf. (inf.)
    respondi (respondere) - antwoorden
  25. moveo, perf. (inf.)
    • movi (movere) - bewegen, verplaatsen
    • indruk maken op, ontroeren
  26. Romam
    naar Rome (bij werkwoorden van 'gaan')
  27. beneficium
    weldaad
  28. insidiae (mv.)
    hinderlaag
  29. tuus, (vrl.), (onz.)
    tua, tuum - jouw
  30. moneo, perf. (inf.)
    monui (monere) - waarschuwen
  31. perdo, perf. (inf.)
    • perdidi (perdĕre) - te gronde richten
    • verliezen
  32. dexter, (vrl.), (onz.)
    dextra, dextrum - rechts, rechter-
  33. paulo post
    korte tijd later
  34. eligo, perf. (inf.)
    elegi (eligĕre) - uitkiezen
  35. virgo, gen.
    virginis - meisje, maagd
  36. libero (inf.)
    (liberare) - bevrijden
  37. nuntius
    • bode
    • bericht
  38. constituo, perf. (inf.)
    • constitui (constituĕre) - stellen, plaatsen
    • vaststellen, besluiten
  39. duco, perf. (inf.)
    duxi (ducĕre) - leiden, brengen
  40. ripa
    oever
  41. rumpo, perf. (inf.)
    rupi (rumpĕre) - breken, verbreken
  42. telum
    werptuig, mv. wapens
  43. non solum ... sed etiam
    niet alleen ... maar ook
  44. fuga
    • vlucht
    • verbanning
  45. tamen
    toch
  46. flumen, gen. (geslacht)
    fluminis (onz.) - rivier
  47. pervenio, perf. (inf.)
    perveni (pervenire) - (aan)komen, bereiken
  48. foedus, gen. (geslacht)
    foederis (onz.) - verdrag, verbond
  49. remitto, perf. (inf.)
    • remisi (remittĕre) - terugsturen
    • loslaten
  50. iniuria
    onrecht
  51. educo, perf. (inf.)
    eduxi (educĕre) - naar buiten leiden, wegleiden
  52. promitto, perf. (inf.)
    promisi (promittĕre) - beloven
  53. maxime (bijw.)
    het meest, vooral
  54. reddo, perf. (inf.)
    reddidi (reddĕre) - teruggeven
  55. custos, gen. (geslacht)
    custodis (mnl.) - bewaker
  56. exclamo (inf.)
    exclamare - uitroepen, uitschreeuwen
  57. alter, (vrl.), (onz.)
    altera, alterum - de één, de ander (van twee)
  58. consul, gen.
    consulis - consul (hoogste ambtenaar in Rome)
  59. corpus, gen. (geslacht)
    corporis (onz.) - lichaam
  60. fugio, perf. (inf.)
    fugi (fugĕre) - vluchten
  61. spes, acc.
    spem - hoop, verwachting
  62. ubique
    overal
  63. salus, gen. (geslacht)
    salutis (vrl.) - redding, behoud, gezondheid
  64. impetus
    aanval
  65. murus
    muur
  66. pons, gen. (geslacht)
    pontis (mnl.) - brug
  67. custodio (inf.)
    custodire - bewaken, passen op
  68. arma, gen. (geslacht)
    armorum (onz.mv.) - wapens
  69. fortuna
    • lot
    • geluk
    • ongeluk
  70. dies, acc. (geslacht)
    diem (mnl./vrl.) - dag
  71. nox, gen. (geslacht)
    noctis (vrl.) - nacht
  72. sto, perf. (inf.)
    steti (stare) - staan
  73. mons, gen. (geslacht)
    montis (mnl.) - berg
  74. singuli (mv.)
    één voor één
  75. statua
    standbeeld
  76. comprehendo, perf. (inf.)
    comprehendi (comprehendĕre) - vastpakken
  77. -que
    en (staat altijd direct achter het woord)
  78. consisto, perf. (inf.)
    constiti (consistĕre) - gaan staan, blijven staan
  79. timor, gen. (geslacht)
    timoris (mnl.) - angst
  80. relinquo, perf. (inf.)
    relinqui (relinquĕre) - verlaten, achterlaten
  81. erit
    (hij) zal zijn
  82. cupidus, (vrl.), (onz.) + welke naamval?
    cupida, cupidum + gen. - begerig naar
  83. acer, gen.
    acris - scherp, fel, hevig
  84. adiuvo, perf. (inf.)
    adiuvi (adiuvare) - helpen
  85. necesse est
    het is noodzakelijk
  86. libertas, gen. (geslacht)
    libertatis (vrl.) - vrijheid
  87. simul
    tegelijkertijd
  88. plenus, (vrl.), (onz.) + welke naamval?
    plena, plenum + gen. - vol van
  89. virtus, gen. (geslacht)
    • virtutis (vrl.) - deugd, goede eigenschap
    • moed
  90. interea
    ondertussen
  91. armatus, (vrl.), (onz.)
    armata, armatum - gewapend
  92. obsideo, perf. (inf.)
    obsedi (obsidere) - bezetten, belegeren
  93. civis, gen.
    civis - burger
  94. ignarus, (vrl.), (onz.) + welke naamval?
    ignara, ignarum + gen. - onkundig van, onwetend, onbekend met

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview