latijn woorden.txt

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
106858
Filename:
latijn woorden.txt
Updated:
2012-05-06 15:28:16
Tags:
latijn woorden hoofdstuk vijf tot en met acht
Folders:

Description:
latijn woorden H 5-8
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ergo (bijw.)
    dus
  2. amitto, perf. (inf.)
    amisi (amittĕre) - verliezen
  3. periculum
    gevaar
  4. bibĕre (infinitivus)
    drinken
  5. tum (bijw.)
    toen, dan
  6. enim
    want, namelijk immers
  7. tempus (nom./acc.onz.)
    tijd
  8. cognosco, perf. (inf.)
    cognovi (cognoscĕre) - leren kennen, vernemen
  9. tristis, acc.
    triste - droevig, bedroefd
  10. fortis, acc.
    forte - dapper, sterk
  11. crudelis, acc.
    crudele - wreed
  12. incolumis, acc.
    incolume - ongedeerd
  13. consilium
    plan, besluit
  14. circa + welke naamval?
    + acc. - rondom, om . . . heen
  15. altus, (vrl.), (onz.)
    alta, altum - hoog, diep
  16. habitare (infinitivus)
    (be)wonen
  17. omnis, acc.
    • omne - geheel
    • ieder, elk
  18. omnes (nom./acc.mv.)
    alle(n)
  19. amicus
    vriend
  20. ita
    zo
  21. nondum
    nog niet
  22. super + welke naamval?
    + acc. - boven(op), over
  23. sic
    zo
  24. nomen (nom./acc.onz.)
    naam
  25. ubi
    • waar?
    • waar (betr. vnw. van plaats)
  26. immortalis, acc.
    immortale - onsterfelijk
  27. locus
    plaats
  28. gens, acc.
    gentem - volk
  29. terribilis, acc.
    terribile - verschrikkelijk
  30. autem
    maar, echter
  31. itaque
    daarom
  32. contentus, (vrl.), (onz.)
    contenta, contentum - tevreden
  33. quia
    omdat
  34. femina
    vrouw
  35. domus
    huis
  36. parentes (nom./acc.mv.)
    ouders
  37. multus, (vrl.), (onz.)
    multa, multum - veel
  38. iam
    al, reeds
  39. Romanus
    • Romein
    • Romeins
  40. iuvenis, acc.
    iuvenem - jongeman
  41. homo, acc.
    • hominem - mens
    • man
  42. per + welke naamval?
    • + acc. - door ... heen
    • gedurende
    • door (middel van)
  43. postea (bijw.)
    later, daarna
  44. post + welke naamval?
    + acc. - na
  45. talis, acc.
    tale - zo'n, zodanig(e), zulk(e)
  46. atque
    en
  47. donum
    geschenk
  48. miles, acc.
    militem - soldaat
  49. dux, acc.
    ducem - aanvoerder
  50. extra + welke naamval?
    + acc. - buiten
  51. aurum
    goud
  52. clades, acc.
    cladem - nederlaag
  53. inter + welke naamval?
    + acc. - tussen
  54. pars, acc.
    partem - deel
  55. prope
    • bijna
    • (+ acc.) dichtbij
  56. lacrima
    traan
  57. pax, acc.
    pacem - vrede
  58. verbum
    woord
  59. pugnare (infinitivus)
    vechten
  60. agricola
    boer
  61. gero (inf.)
    • (gerĕre) - dragen
    • (oorlog)voeren
  62. malum
    ramp
  63. primus, (vrl.), (onz.)
    prima, primum - eerste
  64. pario (inf.)
    (parĕre) - voortbrengen
  65. debeo (inf.)
    (debere) - moeten
  66. praeterea
    bovendien
  67. pugna
    gevecht
  68. ante + welke naamval?
    + acc. - voor
  69. statim
    meteen
  70. iterum
    weer, opnieuw
  71. clamo (inf.)
    (clamare) - roepen
  72. ecce!
    kijk!
  73. denique
    tenslotte
  74. opprimo (inf.)
    • (opprimĕre) - neerdrukken
    • overweldigen, overvallen
  75. at
    maar
  76. respondeo (inf.)
    (respondere) - antwoorden
  77. maneo (inf.)
    (manere) - wachten(op), blijven
  78. -ne
    ...? (leidt een vraagzin in; niet vertalen)
  79. interficio (inf.)
    (interficĕre) - doden
  80. mortuus, (vrl.), (onz.)
    mortua, mortuum - dood, gestorven
  81. curro, perf. (inf.)
    cucurri (currĕre) - rennen
  82. olim (bijw.)
    ooit, eens, vroeger
  83. laudo (inf.)
    (laudare) - prijzen
  84. excito (inf.)
    • (excitare) - (op)wekken
    • opjagen
  85. hostis, acc.
    hostem - vijand
  86. antea (bijw.)
    vroeger
  87. puer, acc.
    puerum - jongen
  88. nobilis, acc.
    nobile - aanzienlijk, van hoge afkomst
  89. soleo (inf.)
    (solere) - de gewoonte hebben, gewoonlijk doen
  90. dormio (inf.)
    (dormire) - slapen
  91. postquam
    nadat
  92. intro (inf.)
    (intrare) - binnengaan
  93. ibi
    daar
  94. territus, (vrl.), (onz.)
    territa, territum - verschrikt
  95. clamor, acc.
    clamorem - geschreeuw, lawaai
  96. propero (inf.)
    (properare) - zich haasten
  97. caput (onz.)
    hoofd
  98. intellego, perf. (inf.)
    intellexi (intellegĕre) - begrijpen
  99. flamma
    vlam
  100. servus
    slaaf
  101. totus, (vrl.), (onz.)
    tota, totum - (ge)hele
  102. appareo, perf. (inf.)
    apparui (apparere) - verschijnen
  103. convoco (inf.)
    (convocare) - bijeenroepen
  104. veto, perf. (inf.)
    vetui (vetare) - verbieden
  105. cur
    waarom
  106. inquit
    • zegt (hij)
    • zei (hij)
  107. insignis, acc.
    insigne - opvallend, bijzonder, bekend
  108. dico, perf. (inf.)
    dixi (dicĕre) - zeggen
  109. ardeo, perf. (inf.)
    arsi (ardere) - branden, in brand staan
  110. capio, perf. (inf.)
    cepi (capĕre) - pakken, nemen
  111. convenio, perf. (inf.)
    conveni (convenire) - samenkomen
  112. posco, perf. (inf.)
    poposci (poscĕre) - eisen, vragen
  113. mulier, acc.
    mulierem - vrouw, echtgenote
  114. liber, mv. libri
    boek
  115. pretium
    prijs
  116. rursus
    weer, terug
  117. puto (inf.)
    • (putare) - menen
    • (+ 2 acc.) vinden, beschouwen als
  118. quaero, perf. (inf.)
    • quaesivi (quaerĕre) - zoeken
    • vragen
  119. nimius, (vrl.), (onz.)
    nimia, nimium - te veel, te groot
  120. venio, perf. (inf.)
    veni (venire) - komen
  121. tandem
    tenslotte, (uit)eindelijk
  122. rideo, perf. (inf.)
    risi (ridere) - lachen
  123. divinus, (vrl.), (onz.)
    divina, divinum - goddelijk
  124. impono, perf. (inf.)
    imposui (imponĕre) - plaatsen op, leggen op
  125. reliquus, (vrl.), (onz.)
    reliqua, reliquum - overig
  126. emo, perf. (inf.)
    emi (emĕre) - kopen
  127. magis (bijw.)
    meer
  128. alius, (vrl.), (onz.)
    alia, aliud - ander
  129. paratus, (vrl.), (onz.)
    • parata, paratum - voorbereid, gereed
    • bereid
  130. incendo, perf. (inf.)
    incendi (incendĕre) - in brand steken
  131. nusquam
    nergens

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview