latijn woorden.txt

Home > Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards.


  1. aufero, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    abstuli, ablatus (auferre) - wegnemen
  2. manus, gen. (geslacht)
    • manus (vrl.) - hand
    • groep
  3. de + welke naamval?
    • + abl. - over
    • wegens
    • van ... af
  4. mora
    uitstel, oponthoud
  5. metus, gen.
    metus - vrees, angst
  6. mare, gen. (geslacht)
    maris (onz.) - zee
  7. facies, gen.
    • faciei - gedaante, uiterlijk
    • gezicht
  8. libertus
    vrijgelatene
  9. oratio, gen. (geslacht)
    orationis (vrl.) - redevoering
  10. vix
    met moeite, nauwelijks
  11. depono, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    deposui, depositus (deponĕre) - neerleggen, neerzetten
  12. prodo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • prodidi, proditus (prodĕre) - verraden
    • tonen, laten blijken
  13. paulo ante
    kort geleden, kort tevoren
  14. refero, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • rettuli, relatus (referre) - terugbrengen
    • berichten, rapporteren
  15. moneo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    monui, monitus (monere) - waarschuwen, aansporen
  16. frango, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    fregi, fractus (frangĕre) - breken
  17. defendo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    defendi, defensus (defendĕre) - verdedigen, beschermen
  18. adeo (bijw.)
    zozeer
  19. pono, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    posui, positus (ponĕre) - plaatsen, neerleggen
  20. afficio, perf., participia
    passief van het perf.+ welke naamval? (inf.)
    affeci, affectus + abl. (afficĕre) - iem. (met) iets aandoen
  21. affectus + welke naamval?
    + abl. - aangedaan door
  22. prae + welke naamval?
    • + abl. - voor
    • wegens, door
  23. communis, gen.
    commune - gemeenschappelijk
  24. pergo (inf.)
    (pergĕre) - (voort)gaan
  25. supero (inf.)
    • (superare) - overwinnen
    • overtreffen
  26. aperio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    aperui, apertus (aperire) - openen
  27. gravis
    zwaar, ernstig
  28. eripio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    eripui, ereptus (eripĕre) - wegrukken, ontrukken
  29. demitto, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    demisi, demissus (demittĕre) - naar beneden laten (gaan), laten zakken
  30. audax, gen.
    • audacis - moedig
    • overmoedig, brutaal
  31. frustra (bijw.)
    vergeefs
  32. coniungo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    coniunxi, coniunctus (coniungĕre) - verbinden
  33. recipio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • recepi, receptus (recipĕre) - terugkrijgen, terugnemen
    • ontvangen, opnemen
  34. coniunx, gen.
    coniugis - echtgenoot, echtgenote
  35. sterno, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    stravi, stratus (sternĕre) - neerwerpen, uitspreiden

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
106932
Filename:
latijn woorden.txt
Updated:
2012-02-07 18:08:07
Tags:
latijn woorden 21
Folders:

Description:
latijn woorden H 21
Show Answers:

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview