Algemeen deel

Card Set Information

Author:
arpi
ID:
108406
Filename:
Algemeen deel
Updated:
2011-10-13 09:39:25
Tags:
Europees publiekrecht
Folders:

Description:
ik
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user arpi on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. 1. Periodisering: geef aan in welke mate de opkomst van geschreven grondwetten vanaf het einde van de 18de eeuw al dan niet aan een historische breuklijn beantwoordt in de ontwikkeling van het Europees publiekrecht.
    Er is sprake van een nieuwe manier van publiekrechtelijke ordening van de meeste Europese staten sinds die tijd, maar er is ook sprake van een soort continuïteit ondanks de breuklijn omdat de grondslagen voor die tijd al aanwezig waren. Hierna treedt veralgemenisering en permanentie op en is er sprake van een nieuw tijdperk in het Westers publiekrecht.
  2. 2. Betekent het feit dat Engeland vandaag nog steeds geen geschreven grondwet heeft, dat dat land geen grondwettelijk recht in moderne zin heeft?
    Nee. Geschreven of niet, ontstond er omstreeks dezelfde tijd als in het Europa ook in Engeland een traditie met strikt omschreven praktijk voor het uitoefenen van openbare macht. In de 19e eeuw ontstaat er een constitutionele rechtsleer en steeds meer een juridische praktijk. De Engelse constitutie bestaat dus wel in materiële zin, en er wordt gewoon rechtsliteratuur geproduceerd zoals in alle andere landen die wel een grondwet hebben.
  3. 3. Geef de algemene ontwikkelingslijn aan van de volgende kenmerken van Ancien Régime instellingen: (a) feodaliteit; (b) standen; (c) particularisme en privileges; (d) de soeverein.
    • a) Leenstelsel was bedoeld voor interne controle en externe politiek en defensie. De politieke functie verdween, maar andere publiekrechtelijke elementen zijn blijven bestaan, zoals het privaatrechtelijk eigendomssysteem.
    • b) Standensysteem zorgde voor verdeling van zowel politieke vertegenwoordiging als privileges. Ook niet adellijke elites verwierven een hogere status, die voor hen toegang tot de politieke besluitvorming inhield.
    • c) Adel, geestelijken en beroepsgroepen met eigen privileges. Eigen statuut met diverse rechten die daaraan zijn verbonden.
    • d) In de NT was er steeds vaker een territoriale soeverein. De universele vorsten uit de Middeleeuwen waren er vaak nog wel, maar zonder het oppergezag. Ook politiek gezien.
  4. 4. Wanneer ontstaat het ‘modern’ soevereiniteitsbegrip en wat houdt dat soevereiniteitsbegrip in? Wat is het essentieel verschil tussen de soevereiniteit van een koning in de Middeleeuwen en de soevereiniteit van een koning in de Nieuwe Tijd?
    Koning in de middeleeuwen; diverse actoren speelden per gebied een rol. Daar diende de soeverein rekening mee te houden. In de NT had de vorst een exclusievere soevereiniteit. Hij kon steeds meer de politieke en uitvoerende macht zelf uitoefenen. Hoewel hij ook last had van verschillende actoren.
  5. 4bis. Wat is het essentieel verschil tussen de soevereiniteit van die vorsten uit de Nieuwe Tijd en de politieke cq constitutionele positie van de koningen of koninginnen in Europese landen waar er vandaag nog een koningshuis het staatshoofd levert?
    Verschil in macht. Niet alleen als feitelijk gegeven, maar ook qua legitimiteit. Een koning uit de NT heeft macht vanuit zichzelf, zijn persoon, zijn functie. Deze soevereiniteit is overgeheveld naar de nationaliteit. De koning dankt zijn macht aan de natie. De grondslag is dus helemaal anders. De volksvertegenwoordiging controleert steeds effectiever en actiever de macht. Verschuiving dus van wie beslist en wie regeert.
  6. 4ter. Tot welk type soeverein behoort de koning zoals die meestal in onze traditionele (kinder)sprookjes opgevoerd wordt? En waarom?
    Een koning uit de NT bijvoorbeeld, die nog exclusieve macht heeft in politiek opzicht. Intern en extern. Hij dankt zijn macht aan zichzelf, God, zijn dynastie.
  7. 5. Wat betekende de feedback van de Oudheid voor de politieke en constitutionele geschiedenis in de Nieuwe Tijd?
    Voor de politieke geschiedenis was de oudheid van groot belang. TEksten levern onuitputtelijke bron van politiek ethiek. Politieke geschriften verwezen altijd naar de oudheid. Was een soort gemeenschappelijke code voor discussies en polemiek. Voor het publiekrechtinvloed beperkt, de westerse instellingen waren namelijk geen kopie van de oude romeinse instellingen
  8. 6. Waarom is het Heilige Roomse Rijk belangrijk geweest in de ontwikkeling van de Duitse publiekrechtelijke traditie?
    Tot dit Rijk behoorde Duitsland. De verhoudingen en regels die in dat rijk heersten, werden zo tot voorbeeld van het nieuwe Duitse Keizerrijk. De verhoudingen tussen de keizer en de territoriale vorsten moest worden geregeld, en was afhankelijk van machtsverhoudingen. Door diverse confrontaties ontstond het belang deze verhoudingen te formaliseren.
  9. 6bis. Geef aan waarom de uitdrukking ‘keizerlijk’ in het H. Roomse Rijk enigszins dubbelzinnig is. Geef concreet aan hoe dat dualisme in het toenmalige keizerrijk ook concreet vorm kreeg in aparte instellingen.
    De keizer werd gekozen door vorsten die optraden als vertegenwoordigers van hun gebieden. Voor enkele bevoegdheden had de keizer dus hun instemming of medewerking nodig. Hoewel de term een alleenheerser impliceert, is dat in het H. Roomse Rijk dus niet zo. Zo zijn er diverse instellingen ontstaan die niet volledig afhankelijk waren van de keizer, zoals de Rijksdag (adviseerde de keizer), Reichskammergericht, (leden benoemd door rijksterritoria) Reichshofrat. (leden benoemd door keizer)
  10. 7. Geef aan hoe de ontwikkeling en afloop van de Dertigjarige Oorlog al de stelling illustreert, dat de interne organisatie van Duitsland toen al een internationale (althans: globaal-Europese) aangelegenheid was.
    • De interne organisatie van na de 30jarige oorlog had het effect dat ieder gebied afzonderlijk meer autonomie toekwam, er diverse bevoegdheden ontstonden, zoals het maken van verdragen. Door onderlinge rivaliteit van de gebieden, ontstonden er
    • kleinere mogendheden in plaats van een machtig rijk. Zoals Oostenrijk of Pruisen. Bovendien hadden landen als Frankrijk en Zweden zich al met de oorlog bemoeid.
  11. 8. Wat is de belangrijkste constitutioneelrechtelijke verschuiving geweest die de Engelse burgeroorlog, van de strijd in de jaren 1640 tot de Glorious Revolution heeft teweeggebracht?
    De macht van de monarchie viel niet in balans te brengen met de aanspraken van het parlement, vooral onder de Stuart koningen die meer soevereiniteit wensten. Uiteindelijk is de monarchie weer in ere hersteld, maar is er verschuiving van de soevereiniteit geweest van de vorst naar et parlement. Ook zijn er diverse constitutionele teksten ontstaan, die ook nu nog van belang zijn en het symbool zijn geworden van een politiek en constitutioneel systeem waarin fundamentele vrijheden worden erkend en de uitvoerende macht gecontroleerd wordt.
  12. 8bis. Bespreek de context, inhoud en draagwijdte van de Petition of Right van 1628.
    Een compromis tussen de koning en het Parlement. Koning zou alleen subsidie ontvangen van het Parlement als hij zich aan bepaalde voorwaarden hield. Zo kon hij zonder medewerking van het Parlement geen belasting heffen, geen aanhoudingen verrichten zonder proces, geen krijgswet uitvaardigen en geen troepenmachten bij particulieren legeren. De politieke situatie ging er niet veel op vooruit, maar de principes van de Petition of Right vormde wel een referentie voor later.
  13. 8ter. Bespreek de context, inhoud en draagwijdte van de Engelse Bill of Rights van 1689.
    Garandeerde de autonomie van het Parlement met vrije meningsuiting in debatten, en door vergaderingen en vrije verkiezingen te bepalen. Koning kon geen belasting heffen of leger houden in vredestijd zonder toestemming van het Parlement. De politieke legitimiteit van de koning werd verkregen van het parlement.
  14. 9. Wat waren de “lois fondamentales” in Frankrijk tijdens de Nieuwe Tijd? Waarom drukken die fundamentele beginselen een spanningsverhouding uit tussen koning en koninkrijk?
    Dit waren bepaalde wetten die vielen onder de wetten van het Koninkrijk, en niet onder de wetten van de koning. Hij had zich aan deze wetten te houden; regels mbt opvolging, het katholiek-zijn en de onvervreemdbaarheid van het Kroondomein.
  15. 9bis. Aan Lodewijk XIV wordt de uitspraak “L’État, c’est moi” (‘De Staat, dat ben ik’) toegeschreven. Beantwoordt die formule aan de constitutionele positie van de koning in Frankrijk tijdens de laatste eeuwen van het Ancien Régime?
    • Nee. De koning was niet zo vrij. Hij kon bijvoorbeeld door de goddelijke grondslag van zijn macht niet zomaar tegen Christelijke beginselen in regeren. Hij zou dan zijn eigen legitimiteit ondergraven. Er waren geïnstitutionaliseerde machtsverhoudingen die de macht van de koning in zekere zin beperkten. De grands seigneurs, pairs, prinsen, delen van de adellijke standen en de burgerlijke elites hadden de neiging de macht van de koning te beknotten, doordat deze adel in sociaal opzicht dichter bij de koning stond.
    • De ‘absolute’ macht van de koning werd daarnaast altijd door enkele absolute grondregels overschaduwd.
  16. 9ter. Wat waren de “Parlementen” in Frankrijk vóór de Franse Revolutie?
    Dit waren permanente instellingen, en soevereine justitiehoven, zoals Het Parlement Van Parijs en De Provinciale Parlementen van regio’s die sinds de 15e eeuw onder de Kroon waren gekomen.
  17. 9quater. Waarin bestond het parlementair toetsingsrecht van de Koninklijke ordonnanties tijdens de Nieuwe Tijd?
    De Parlementen konden de registratie van een ordonnantie weigeren of bezwaren opwerpen als deze inging tegen de fundamentele wetten, tegen bepaalde onaantastbare rechten, en zelfs tegen het algemeen belang.9quater. Waarin bestond het parlementair toetsingsrecht van de Koninklijke ordonnanties tijdens de Nieuwe Tijd?De Parlementen konden de registratie van een ordonnantie weigeren of bezwaren opwerpen als deze inging tegen de fundamentele wetten, tegen bepaalde onaantastbare rechten, en zelfs tegen het algemeen belang.
  18. 9quinquies. Aan welke normen was het optreden van de Franse koning tijdens het Ancien Régime gebonden?
    Aan de normen van de fundamentele wetten, het algemeen belang en het natuurrecht.
  19. 10. Wat verstaat men onder het (18de eeuwse) Droit public de l’Europe?
    Het volkenrecht of internationaal recht dat een combinatie inhield van rechtsregels en politieke beginselen samen met regels van intern publiek recht en internationale betrekkingen.
  20. 11. Leg uit waarom de politieke theorie van de balance of powers in de internationale betrekkingen goed paste in de 18de eeuwse wetenschappelijke denkbeelden.
    Het verwijst naar een bepaalde situatie waar er een stabiliteit en rechtvaardig machtsevenwicht bestaat tussen de potentieel rivaliserende partijen. Het streven van een soort broederschap uit LEF, en de raison d’etat moest zichzelf inperken om niet op de tegenstand van andere krachten in het systeem te botsen.
  21. 12. Hoe verzoen je het begrip raison d’état en dat van balance of powers in het Droit public de l’Europe?
    Raison d’etat is het nemen van een politieke beslissing in overeenstemming met het belang van de staat, balance of powers naar een situatie waar er een stabiliteit en rechtvaardig machtsevenwicht bestaat tussen rivaliserende partijen. De verschillende nationale staten hebben in feite geprobeerd om een deel van hun macht op te geven voor de opbouw van Europa en er op die manier voor gekozen om in het belang van de staat enige macht af te staan voor de opbouw van Europa, waarmee er een stabiel machtsevenwicht zou worden gecreëerd tussen potentieel rivaliserende staten.
  22. 13. Waarom speelden overwegingen van economische politiek een belangrijke rol in de politieke theorieën tegen het einde van het Ancien Régime?
    Men wilde de internationale positie handhaven en verbeteren en de middelen die hiervoor nodig waren konden alleen worden gefinancierd door de bevolking te belasten. Dit kon uitsluitend worden gedaan door rekening te houden met de draagkracht. Hervormingen en nieuwe technieken in de langbouw leidden tot een grotere productiviteit en een liberalisering van de handen en de markteconomie kon ook tot grotere rijkdom leiden.
  23. 14. In welke mate beantwoordt het 18de eeuws ‘natuurrecht’ aan de algemene beginselen van de rationalistische denkbeweging?
    Volgens het rationalisme moet een natuurwet aan een een dubbel criterium beantwoorden. Een regel van het natuurrecht moest in de natuurwetenschappen ook aan het dubbele criterium van tijd en ruimte beantwoorden. Het 18e eeuws matuurrecht beantwoord dus in grote mate aan de algemene beginselen van de rationalistische denkbeweging. Bep fundamentele rechtsbeg moeten absolute geldigheid hebben ongeacht historische context kenmerken van bevolking
  24. 15. Wat was de grondslag van legitieme politieke macht volgend de meeste auteurs van de Verlichting?
    Niet langer de godsdienst of traditie, maar de menselijke vrije wil en de menselijke rede. Het systeem van recht en politiek moest worden ontwikkeld op een rationele basis.
  25. 15bis. Hoe verklaar je de nadruk op ‘volkssoevereiniteit’ (of ‘nationale’ soevereiniteit) in de politieke theorieën van de Verlichting? Wat wilde men met dat begrip bereiken? Waarom versterkte dat begrip, zoals het toen werd opgevat, de politieke en constitutioneelrechtelijke rol die voortaan aan een parlementaire vertegenwoordiging toegeschreven werd?
    Verlichting omvat LEF. Het is hier een politiek hervormingsprogramma. In de eerste plaats kritiek op heersende economische en sociale structuren. De grondslag van de staatsmacht wordt gedefinieerd op basis van de volkssoevereiniteit. Alle macht komt van het volk of de natie. De politieke en constitutioneelrechtelijke rol van de parlementaire vertegenwoordiging is binnen deze visie zeer sterk, aangezien de parlementaire vertegenwoordiging staat voor de stem van het volk waar de grondslag van de politieke macht ligt.
  26. 16. De Amerikaanse grondwet: leg uit in welke mate die grondwet het “Great Compromise” uitwerkte.
    De grondwet verdeelde de bevoegdheden over de deelstaten die samen het politiek systeem vormden. De federale overheid kreeg enkele kerntaken en bevoegdheden toegewezen.
  27. 17. Geldt voor de Amerikaanse Grondwet dat een moderne geschreven constitutie regels moet bevatten die zowel betrekking hebben op de staatsorganisatie als op de fundamentele rechten en vrijheden van de staatsburgers? Geef aan hoe die regeling van de fundamentele rechten tijdens de beginjaren van de VS als onafhankelijke staat (vóór het einde van de 18de eeuw) werd opgelost.
    Ook fundamentele rechten moesten worden opgenomen in de Amerikaanse Grondwet. Door een aparte Bill of Rights op te stellen en deze amendementen toe te voegen aan de Grondwet is dit opgelost.
  28. 18. Waarin bestond de belangrijkste bijdrage van Napoleon aan het 19de eeuwse publiekrecht (in Frankrijk, maar deels ook in tal van andere Europese landen)?
    Lokale overheidsorganen, reorganisatie van de rechterlijke macht, oprichting van de Nationale Bank, uitvaardiging van vijf grote wetboeken, waaronder het Burgerlijk Wetboek, waarmee een stabiel juridisch kader voor de hele samenleving werd geboden.
  29. 1. Wat zijn de bronnen van het Engels constitutioneel recht? Op welke wijze kan de Engelse constitutie gewijzigd worden? Kent het Engelse recht een Grondwetgever cq Constituante?
    Bronnen: Constitutional Conventions (praktijk en gewoonte), Constitutional Law, Doctrine, Gezaghebbende teksten en wetten zoals; Magna Charta(1215), Bill of Rights(1689), Act of Settlement(1700), Treaty of Union (1706), European Communities Act (1972), Human Rights Act (1998).De Engelse constitutie kan gewijzigd worden door het parlement. Iedere parlement is soeverein, kent geen grondwetgever.
  30. 2. Wat verstaat men onder een constitutional convention?
    De constitutionele gewoonte en praktijk, die zich niet alleen geleidelijk aanpast, maar ook de continuiteit versterkt.
  31. 3. Wat verstaat men onder de doctrine van de parlementaire soevereiniteit in Engeland? Is die doctrine aangetast door het lidmaatschap van het VK tot de Europese Unie?
    Hieronder verstaat men het gegeven dat het parlement de hoofste normgever is en dat zij niet kan worden gebonden door enige andere normgever. Het kan zichzelf noch zijn opvolgers binden. Dit in tegenstelling tot de nu geldende Europese doctrines. Als een Europese wet in strijd is met een Engelse conventionele wet, gaat de laatste (in theorie) voor. Formeel houdt het parlement dus altijd het laatste woord, wordt haar gezag niet aan de orde gesteld en wordt de geldigheid van een wet in formele zin niet in twijfel getrokken. Men zou dus kunnen zeggen dat de regel van parlementaire soevereiniteit door het lidmaatschap van het VK aan de EU niet zozeer is aangetast, maar een nieuwe dimensie heeft gekregen.
  32. 4. In welke mate kent het Engelse recht het principe van de scheiding der machten? Geef enkele uitzonderingen op het principe uit het recente verleden. Geef voorbeelden van hervormingen cq hervormingsvoornemens van de Labour-regering die sedert 1997 aan de macht is, om en aantal van die uitzonderingen weg te werken.
    Engeland heeft nooit een politiek systeem gekend waarbij de scheiden der machten op een doctrinaire manier absoluut werd doorgevoerd. Het bleef steeds bij een relatieve scheiding, waarbij de functies en titularissen van de drie machten grotendeels gescheiden waren. Tegelijkertijd was er wel wederzijdse controle en samenwerking, zgn. checks and balances. Uitzonderingen: Lord Chancellor, lid van zowel parlement, kabinet als rechterlijke macht. (=hervorming=hier is einde aan gekomen). Ander uitzondering: House of lords, , zat in 1e, 2e kamer, en parlement en ook het hoogste justitiehof in Engeland. Er was sprake van een functionele scheiding, tussen leden die zich met justitie bezi hielde en zij hielden zich niet bezig met het parlement en andersom. Tegenwoordig een institutionele scheiding dmv constitutionele reform act. = overheveling van de rechterlijke competenties van het hogerhuis en de geheime raad naar een supreme court.
  33. 5. Wat was tot zijn recente afschaffing het ambt van Lord Chancellor? Waarom werd gezegd dat hij een uitzondering was op het beginsel van de scheiding van machten? Wat waren de argumenten om zijn positie in de verschillende staatsmachten te verantwoorden?
    De functies van de L.C. in de regering, in het Parlement en in de R.O. waren nu eenmaal zo organisch gegroeid en de rechtsstaat had zich in Engeland desondanks sterk ontwikkeld, zeker in vergelijking met continentale landen. Daarnaast kwamen er andere argumenten bij, zoals de nuttige coördinatie- en communicatiefunctie die zijn positie tussen de drie machten faciliteerde. Dat impliceerde wel, volgens een soort constitutional convention, dat de persoonlijkheid van de L.C. niet al te uitgesproken of geëngageerd politiek was, maar eerder de rol speelde van een juridisch expert-adviseur en beleidsman in de regering. Hij was een uitzondering op het beginsel van machtenscheiding, als lid van de rechterlijke tak van het Hogerhuis en van de Geheime Raad, lid van de regering en lid van het kabinet.
  34. 6. Wat verstaat men onder de Royal Prerogative? Geef aan over welke bevoegdheden het gaat.
    Bepaalde bevoegdheden zijn inherent aan de Kroon verbonden. De uitvoerende macht is de Kroon, ofwel de regering. Voorbeelden: Kroon bv afzetten premier, ontbinding parlementBuitenlands beleid: oorlogsverklaring, sluiten van vrede en internationale verdragen, diplomatie en erkennis van statenBinnenlands beleid Bijeenroepen en ontbinden van parlement, benoeming ministers, bekrachtiging wetten, ordehandhaving en strafrechtelijke competenties zoals verlenen van gratie.Maar deze bevoegdheden zijn uitgehold door wetgeving, waardoor slechts residubevoegdheden overblijven. Ook is er rechterlijke controle op de Royal Prerogative.
  35. 7. Wat zijn de bevoegdheden van de Privy Council?
    De geheime raad stond de vorst bij in ME met bestuurlijke, wetgevende en rechtsprekende taken. (veel macht vooral met RP) Vanaf de 18e eeuw, machtsverschuiving binnen uitvoerende macht van de vorst naar regering, dus PC verloor ook zijn macht. (ook sinds die tijd 1e minister) Vandaag de dag: Uitvaardiging van uitvoerende en wetgevende bevoegdheden. Maar de Privy Council is ook van rechterlijke aard, het is de hoogste appel instantie voor de Britse Kolonien en overzeese territoria.
  36. 8. Sinds wanneer wordt het Engels constitutioneel systeem door het parlement beheerst? Welke historische gebeurtenissen en factoren hebben hierbij een rol gespeeld?
    • Met de Bill of Rights (1689) kwam de bevestiging van het Parlement als orgaan van soevereine staatsmacht. Dus ook de beperking van de vorstelijke macht. Historische gebeurtenissen; belangrijke rol van het Parlement sinds de Middeleeuwen, overwinning van de parlementaire partijen op de koningsgezinden in de burgeroorlog, de 17e en 18e eeuwse politiek-filosofische theorieën over de grondslag van de georganiseerde maatschappij, en democratiseringsproces onder invloed van liberale denkbeelden in de 19e eeuw en meer sociaal georiënteerde denkbeelden in de 20e eeuw.
    • (Act of settelement, treaty of union, european communities act, human rights act, scotland act, government of wales act, house of lords act, constitutional reform act. Sinds 1973 toetreding VK tot EU en later de constitutionele hervormingen van labour regering, devolutie zelfbestuur, en wetgevende bevoegdheden aan onderdelen van het VK buiten Engeland. Het engels parlement is het historisch voorbeeld bij uitstek geweest voor bicameralisme, de benaming van beide kamers drukken nog ME oorsprong uit
  37. 9. Wat zijn de belangrijkste verschillen (samenstelling, bevoegdheden) tussen het Lagerhuis en het Hogerhuis?
    • House of commons, heeft systeem van kiesdistricten, stuurt 1 persoon naar het parlement. Sterker nog afwijken van NL, het kiessysteem in elk van disctricten gebeurd met relatieve meerderheid. (ookal geen absolute meerderheid, meer stemmen dan verkozen) Betekent een meerderheid, soms grote meerderheid ondanks 35% nationaal.
    • Taken van house of commons, begroting, goedkeuring van wetten, wetgevend initiatief, controle over uitvoerende macht. House of commons is kern van parement.
    • House of Lords, opnieuw zeer verschillend met 1e kamer hier. Oorspronkelijk 2 eerste standen van samenleving die samenkwamen, is zo gebleven tot 1958 (alleen adel en kerlijek) later 3e categorie, het is niet meer erferijk/adelijk . Wel bleven die andere 2 bestaan.

    Vanaf 1999 groter hervormingen, dit kan niet meer, 1e kamer heeft geen enkel verkozen lid. (of kroon jou gekozen) house of lord nog steeds geen gekozen lid. Alleen aantal erfelijke leden veranderd tot 92. Life peers (benoemd door kroon/regering) Taken: goedkeuring wetten, controle uitvoerende macht, wetgevende initiaitef maar ook in loop van 20e eeuw, precies omdat house of lord niet over democratische legatimiteit beschikt, zijn de bevoegdheden beperkt geweest. House of lords kan niet meer eenwet die goedgekeurd is door house of commons, niet meer afwijzen. Wel uitstellen maar geen veto recht meer,

    Bicameralisme, maar qua wetgevende macht zeer duidelijk bij house of commons.
  38. 10. Wat zijn vóór 1999 de belangrijkste hervormingen van het Hogerhuis geweest? Welke hervormingen heeft het Hogerhuis sedert 1999 ondergaan?
    Voor 1999; afschaffing van het recht een door het Lagerhuis goedgekeurde financiële wet te verwerpen (1911) en de mogelijkheid van benoeming van niet-erfelijke leden (1958).Na 1999; beperking van het aantal erfelijke en geestelijke leden, vergroting van niet-erfelijke leden, en oprichting van een Supreme Court.
  39. 11. Wat betekent de rule of law in Engeland? Hoever gaat dat beginsel terug in de geschiedenis – en verantwoord in het kort je antwoord.
    Handelingen van de uitvoerende macht zijn ondergeschikt aan het recht. Het beginsel gaat terug tot de middeleeuwen, maar kwam pas een parlementair systeem in 17e eeuw. Bij de bill of rights, werd de vorst gebonden door de wetten (toepassing van een legaliteitsbeginsel waaraan de uitvoerende macht onderworpen is)
  40. 12. Hoe verklaar je dat Engeland geen eigen formele verklaring van fundamentele rechten en vrijheden heeft?
    Omdat hier pas behoefte aan begon te ontstaan tijdens de tweede helft van de 20e eeuw. Onder invloed van de voortschrijdende verstaatsing van het maatschappelijk leven en de toenemende greep van regering en bestuur op het staatsapparaat. Lang voor de Human Rights Act (1998) had de Engelse rechtspraak al via interpretatietechnieken enige congruentie tussen het EVRM en het Engels recht tot stand gebracht.
  41. 13. Hoe zou je het juridisch, cq constitutioneel, statuut van de Human Rights Act uit 1998 kort samenvatten? Maken die regels deel uit van de Engelse constitutie?
    Het statuut van die wet is enerzijds bepaald door de doctrine van parlementaire soevereiniteit, anderzijds is er ook sprake van een constitutionele wet, waarmee in de eerste plaats bedoeld wordt dat het principe van een impliciete afschaffing niet toepasbaar is, zodat wijzigingen aan de Human Rights Act (1998) alleen door een uitdrukkelijke bepaling kunnen plaatsvinden. De rechtsstreekse afdwingbaarheid van het EVRM impliceert oko dat de rechtbanken de common law in overeenstemming moeten brengen met het EVRM. De regels maken op een bapaalde manier dus wel deel uit van de engelse constitutie.
  42. 1. In welke mate is het een traditie in Frankrijk dat een constitutie door een volksraadpleging wordt goedgekeurd? Som de historische precedenten op.
    Soevereiniteit bleef exclusief maar werd overgeheveld naar het volk/natie. Het volk moest vertegenwoordigd worden door het parlement. Veelal gebruik gemaakt van referendum, maar vanaf 5e eew voorzichtiger. (tegenstem Europese grondwet, referendum niet meer de enige manier om grondwet te wijzigen.

    • 1791 geen raadpleging
    • 1795 bekrachtiging door referendum
    • 1799 bekrachtigigng door referendum
    • 1802 idem
    • 1804 geen raadpleging (initiatief senaat consul)
    • 1814 charte : vrijwillig door lodewijk aan zijn onderdanen verleend
    • 1830 charte goedgekeurd door kamer van volksvertegenwoordiging
    • 1852 staatsgreep via volksraadpleging brkachtigd. Lodewijk napoleon bonaparte kreeg hierbij een volksmandaat om de nieuwe constitutie op te stellen
    • 1875 geen officiele grondwet, resultaat van compromis tussen monarchisten en republikeinen
    • 1846 door referendum aangenomen
    • 1958 door referendum aangenomen
    • Dus 7 van 11 constituties via volksraadpleging
  43. 2.Hoe verklaar je dat in sommige Franse politieke milieus, en in het bijzonder in eerder links georiënteerde milieus, de grondwet van 1793 nog steeds als de ware essentie van de Franse Revolutie geldt?
    De bevestiging van volkssoevereiniteit op basis van het gelijkheidsbeginsel, verklaring van vrijheden en rechten (droit barrieres, libertes concretes) op bepaalde prestaties van de Staat, en deze grondwet beantwoordt aan het moment dat de Revolutie in handen van de volksklasse leek beland te zijn. De niet-uitvoering van de constitutie betekent ook dat zij maagdelijk en onbezoedeld is gebleven. Disfunctioneringen van deze grondwet zijn dus niet aanwijsbaar. Links millieus = sociale gedachte tegemoetkomt.
  44. 3. Geef aan in welke mate de opeenvolgende constituties van de revolutionaire jaren nu eens de radicalisering van de Revolutie, dan weer een meer behoudensgezinde reactie tegen die radicalisering weerspiegelen.
    • In minder dan 10 jaar tijd komen er vier verschillende constituties tot stand. Gedurende de jaren dat Robespierre aan de macht komt wordt het regime radicaler. De koning Lodewijk de XVI wordt berecht en onthoofd (1792). Er vinden veel ideologische vervolgingen en executies plaats.1791; hoopvolle en idealistische overgangsfase; poging formele constitutionele monarchie te vormen. Soevereiniteit naar Natie, vertegenwoordigd door wetgevende vergadering en Koning. Verdeling staatsmacht tussen Koning en wetgevende kamer; samenwerking onvoldoende geregeld.
    • 1793; ideologische poging volksmassa rechtstreeks bij de uitoefening van het staatsbeleid te betrekken, duidelijke formele hiërarchie volk->wetgever -> uitvoerende macht. Geen checks and balances.
    • 1795; verdeling van wetgevende macht om tirannie van 1 kamer te voorkomen, scheiding van machten o.m. om de stabiliteit van de uitvoerende macht te bevorderen en een relatieve autonomie van de Directoire t.o.v. de wetgevende macht te garanderen.
    • 1799; regeling staatsgreep op weg naar militaire dictatuur van napoleon. Volkssoevereiniteit slechts via diverse filters aan bod, versterking en overwicht uitvoerende macht, verbrokkeling van de wetgevende macht. Een façade van volkssoevereiniteit. =nieuwe constitutie

    • Die 10 jr = niet zomaar een uniforme periode, is heel veel veranderd. En zie je al veel regime veranderingen.
    • 1e twee drie jaar, wilde men nog steeds niet monarchie afschaffen, een constiutionele monarchie krijgen (geshreven constitutie) spanning tussen koning en natie was te groot. Dus mondt uit in conflict en proces en terechtstelling en excecutie van de koning. 1793 voor het eerst republiek uitgeroepen met eigen nieuwe constitutie. Gedaan met const. monarchie. Meer in een radicale fase, die revolutionaire zeggen zie je die gematigde revolutie werkt niet. De idealen moeten we echt doordrukken.
    • Die gaat aan einde terreur ten onder, is TE ideologisch, dat is wanneer de zogenaamde terreur plaatsvind, en gaat na amper 2 jaar ten onder. Er komen steeds meer gematigde en conservatieve reacties, die dus republiek bewaart maar in andere vorm-->
    • De directoir = nieuwe regime, maar werkt niet. Staat achter facade van republiek, maar gaat eigenlijk een systeem van militaire dictatuur instellen, Er komt een nieuwe 4e geschreven constitutie. Die schijn houdt napoelon maximaal 5 jaar vol, hij benoemt zich intussen tot het leven. En laat zich tot keizer omdopen. Wordt keizerrijk, 1799-1815...wordt autoritair regime maar hij zal de politiek van strakke centralisering van instellingen, nog verder en krachtiger doorvoeren.
  45. 4. Geef de hoofdlijnen van de constitutionele ontwikkeling onder Napoleon vanaf zijn staatsgreep van 18 Brumaire.
    Vanaf november 1799; Einde revolutie, GW bekrachtigd door volksraadpleging, eerste consulaat ingevoerd waarbij scheiding van machten wordt afgezwakt, en de uitvoerende macht sterker wordt.1802; Napoleon Consul voor het leven; verdere verruiming bevoegdheden eerste Consul, wetgevende macht afhankelijk van eerste Consul, Napoleon als militaire dictator achter een Republikeinse façade.1804; erfelijk keizerschap; wetgevende macht in eenkamerstelsel. Het parlementaire systeem was geleidelijk uitgehold.
  46. 5. In welke mate is de blijvende werking van de Franse Revolutie in de Charte van 1814 herkenbaar?
    Formeel erkende vrijheden; meningsuiting, pers, godsdienst, eigendom, gelijkheidsbeginsel. Parlementarisme; waarbij het Lagerhuis op basis van verkiezingen is samengesteld. De praktijk onder Lodewijk de XVIII knoopt enigszins aan bij het concept van een constitutionele parlementaire monarchie. Het moderne staatsapparaat van Napoleon werd behouden. 1830: soeveriniteit ligt weer bij de natie, maar nog steeds monarchie. De koning der fransen.5b: De soevereiniteit ligt bij de fransen en niet het territoir: frankrijk/fransen5c; zie boven5f: de charte 1814 was een akte die slechts de goede wil van lodewijk aan zijn onderdanen toonde. De charte van 1830 = goegekeurd door Volksvertegenwoordigigng en heeft derhalve grondwettelijke status.
  47. 6. Wat zijn de hoofdtrekken van een zgn. ‘orleanistisch regime’?
    • Charte van 14 augustus 1830. Bedoeling is niet een revolutionair bewind aan de macht te brengen, maar een constitutioneel stelsel dat een (politiek en economisch) liberaal beleid garandeert. Tegen anti-liberale karel X, --> dynastieverandering: Lodewijk-Philip van Orléans.
    • Streven naar evenwicht tussen uitvoerende en wetgevende macht, o.m. door beide op onderlinge samenwerking aan te wijzen. meer controle door wetgevende macht aan uitvoerende macht. Dualisme van de regering (kabinet) doordat ze verantwoordelijk zijn t.o.v. de Koning en t.o.v. het Parlement. 2 kamerstelsel
  48. 7. De Derde en de Vierde Republiek zijn in de Franse politieke geschiedenis berucht geworden vanwege politieke onstandvastigheid. Welke constitutionele regelingen hebben ertoe bijgedragen de politieke stabiliteit te ondergraven? (Geef een apart antwoord voor de Derde Republiek en voor de Vierde Republiek).
    Wel, in 3e republiek complexe situatie, die verklaart waarom we ons in een uitzonderlijke situatie bevinden. Er komt geen constitutie, de oude wordt afgeschaf, maar komt geen consensus om tot nn ieuwe te komen. Dus je krijgt een communistische revolutie in Parijs. Die worden dan door de burgerij, conservatieven, neergeslagen. Die waren wel overeens dat de commnisten moesten wordten verslagen maar niet wat er anders moest gebeuren. Monarchisten meerderheid, en hopen de monarchie te herstellen, maar groot probleem (normaal zouden ze het winnen) maar pretendent (man die koning zou worden) vind dat voorwaarden en beperkingen te groot zijn, en wuifelt het weg. Maar zijn zoon, lijkt wat inschikkelijker, moeten wachten tot vader dood is. MAar tijdens die 7 jaar gebeuren er politieke verschuivingen, ze verliezen hun meerderheid, republiekijnen komen op, krijgen macht. Intussen geen constiutie, en zal nooit een geschreven constiutie zijn. Maar 3e republiek heeft eigenlijk geschreven tekst gekregen vanwege deze speciale omstandigheden. Houdt het vrij lang vol, overleeft de WO1, en gaat ten onder, 1940, bij een grote militaire nederlaag van Duitsland, wordt onder druk van nazi bezetter, en de zwakke ondemocratische instelling...komt fascistisch regime, 1940-1944 Maarschalk Petain-> vrij Frankrijk (generaal de Gaulle gevlucht naar londen (regering in ballingschap die vrij frankrijk oproept, ook in Frankrijk komt er meer legitimiteit) + voorlopige regering na de bevrijding en wil vooral republikeinse legitimiteit herstellen. Er wordt opnieuw een republiek ingevoerd, deze keer eerste een poging om de nadelen van de 3e republiek weg te wekren. Komt een ieuwe constitutie (4e republiek) gaat ten onder in 1950, achtergrond van eco teruggang, dekolonisatie, rampsalige oorlogen dekoloniserende. Er moet nieuw regime meer stabiliteit komen, 1958 komt nieuwe constitutie, systeem van de 5e republiek, waarin men zich nog steeds bevindt. Spanning blijft bestaan, als je kijkt bij politieke oppositie, zeggen ze is niet zo democratisch enz, heeft veel aanhangers, nog steeds marginaal tegenhangers. Meestal (linkse) waarin ze pleiten voor nieuwe regime, 5e republiek. Derde Republiek; beperkte checks and balances, partijpolitieke versnippering die de verantwoordelijkheid van de regering t.o.v. het parlement nog bemoeilijkt.Vierde Republiek; assemblee systeem beinvloedt door versnippering van politiek. Prmier krijgt sterkere bevoegdheden. Beperking op moties van wantrouwen. Premier legt niet meer programma regering en nationale vergadering voor.
  49. 8. Op welke karakteristieke punten is de grondwet van de Vijfde Republiek een reactie op de grondwetten van de Vierde en van de Derde Republiek?
    Versterking van de president, zowel t.o.v. de regering als t.o.v. het Parlement door rechtstreekse verkiezing gewaarborgd (van 1962-1965); Het systeem ging er aanvankelijk van uit dat de regering over een meerderheid in het Parlement zou beschikken, maar tegelijk het vertrouwen van de president had; het kiessysteem voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers bevorderd grotere partijen en moet partijpolitieke versnippering in het parlement voorkomen. De facto is er een quasi-tweepartijensysteem ontstaan: de rechtse (republikeinse) partijen tegen de linkse partijen; de mogelijkheiden van het Parlement om de regering ten val te brengen zijn beperkt; de constitutie geeft ruime wetgevende bevoegdheden aan de regering – de regering kan ook wetsontwerpen aan een vertrouwensvraag koppelen. constitutioneele 5e republiek. (zij zullen niet presidentieel zeggen, maar docent wel, want niet zoals amerika, maar goed als je vergelijkt met 3e en 4e republiek, zie je duidelijk verschil in 5e republiek)Opnieuw rekening houden met specifieke context. Nazi duitsland verwoest, vanaf jaren 50 duitsland bovenop, en draait veel beter dan franse ecnonmie. Ze waren bang oh jeej straks gaan ze weer binnenvallen...:S de 4e republiek zeer grote instabiliteit, regeringen die gewoon niet redden. Meer stabiliteit willen ze , nieuwe regime, olv gaulle. (pendelbeweging reactie tegen 4e republiek) Men gaat machanisme in constitutie inbouwen die uitvoerende macht gaat versterken tov parlement. President gaat grote rol spelen, Ze hadden dat niet door, dachten puur formeel. Alleen de 1e 10 jaar is de gaulle, zelf president en hij zal aan de tekst van consitutie een invulling geven. Er was oorspronkelijk in 58 wel een zwakke plek. De president werd gekozen door speciale vergadering van parlement. Zij bepaalden uit hun midden wie president werd. Dat betekent dat hij geen democratische legitimiteit. De gaulle op een manier die constitutioneel rechterlijk niet zozeer zuiver was, constitutie heeft veranderd. Normaal alleen met parlement. Omdat president ook uitvoerend is, dan moet hij rechtsstreeks verkozen worden, dat wilde parlement niet. Dus hij wilde referendum, en grote meerderheid zei ja. Dus president is rechtsstreeks verkozen. Enerzijds parlement (lagerhuis, is 1 uitdrukking volkssoever.) en president (ook legitimiteit) Zowel uitvoerende macht president, en parlement. Dus president heeft zowel bevoegdheden als poltiieke macht. Regering wordt door president benoemd, maar heeft meerderheid van parlement nodig. In constitutie van 58 zou regering grootste deel van beleid uitstippelen en uitvoeren. In frankrijk voor wetboek van civiele procedure door regering gebeurd, want hoorde bij dat lijstje. Maar dus versterking van uitvoerende macht. Oorspronkelijk bij de gaulle, hij bepaalde politiek en regering moest dat uitvoeren en hij beschikte over de meerderheid. Na de gaulle, in jaren 80/90 geconfronteerd met iets wat niet voorzien was. Dat is dat je president hebt van kamp a, en poltieke meerderheid kamp b, maar regering moet allebei hebben. Literant heeft halverwege zijn ambt, kwam er rechtse meerderheid. Volgens de logica van 5e republiek , die man zou aftreden, maar hij bleef aan, president benoemt regering, maar moet meerderheid hebben in parlement en die is rechts. Dus hij moest een rechtse regering vormen. Dus heeft systeem van samenhokken gemaakt. Dus linkse president, rechtse regering. In jaren 90, de rechtse president chirak, wilde parlement ontbinden, maar toen kwam linkse regering. Dat heeft ergens de politieke macht van president een zekere deuk gegeven. Men heeft geprobeerd het systeem op te vangen, met grondwetsherziening, om dat te voorkomne. Ambtstermijn teruggebracht van 7 tot 5 jaar. Ambtstermijn zou samenvallen met parlement (kamer van volkssvertegenwoordigers) tot nu toe gewerkt, maar het had evengoed anders kunnen zijn. Dat systeem is eigenlijk geen sluitende oplossing om dat op te vangen. Wetgevende macht, kamer van volksvertegenwoordigers, (2e kamer) en senaat (1e kamer)Kamer grote legitimiteit dan senaat (minder bevoegdheden en minder controle) . Senaat steeds conservatiever geweest. Constitutie in ook kenmerkend omdat er waarborgen zijn, die als reactie op wat gebeurde in 3e n 4e republiek minder afh maakt op grillen (korte termijn issues) (minder wantrouwen mogelijkheden)Lange traditie in fundamentele rechten, in 1958 daarop doorgegaan, verwezen naar vrij verregaande rechten na de oorlog in de consitutie 46. Let wel in frankrijk, net zoals in andere westerlijke landen. Fundamentele rechten geen Hot issue (meer aanhangsel aan grondrecht) Algemene beginselen, zijn concrete rol gaan spelen (constituioneel hof aangeesteld, om verder controle en inperking wetgevende macht) maar vanaf 70-80 veel meer proactief geworden, en zelf constitutionele hof wetgeving maken.
  50. 9. Wat is de rol van het referendum onder de Vijfde Republiek?
    Oorspronkelijk conflictbeslechtiging in het parlement door het volk en tegelijk het presidentieel regeringsbeleid goedkeuren. Later om belangrijke grondwetshervormingen of wijzigingen te legitimeren door het volk.
  51. 1. Op welk(e) tijdstippen van zijn geschiedenis is Duitsland een centralistisch bestuurde eenheidsstaat geweest? Tijdens welke periodes sedert de 19e eeuw heeft Duitsland een nationale politieke eenheid gekend?
    Steeds is er sprake van een confederatie (Keizerrijk, Duitse Bond) of eenfederatie (Nieuwe Duitse Rijk, Weimar Republiek, BDR, huidige Duitsland). Alleende DDR vormt v.a. 1952 echt een eenheidsstaat. Maar naast de staatsvorm moet men ook rekening houden met de politieke realiteit: in het Duitse Rijk en zeker onder het nazi-regime was er misschien formeel geen eenheidsstaat, maar toch wel een sterke (centrale) politieke macht, zodat het verschil met een eenheidsstaat niet zo groot was. De huidige BRD is als bondsstaat inderdaad ook geen eenheidsstaat in strikte zin, maar ook hier moet men zich afvragen of de bevoegdheidsverdeling niet van dien aard is, dat een groot deel van de economische en sociale politiek toch vanuit de Bond wordt bepaald. M.a.w. de vraag is ook waar je het zwaartepunt van de politieke macht cq van de politieke besluitvorming herkent.
  52. 2. Waarom werd Oostenrijk in de 19e eeuwse Duitse eenmaking niet geïntegreerd?
    De Oostenrijkse en Pruisische rivaliteit komt weer naar boven na de Napoleontische oorlogen. Het Pruisische model staat voor de 19e eeuwse staatsvorm, een nationale staat die streeft naar eenheidsstaat, zonder Oostenrijk. De economisch-industriele en militaire superioriteit van Pruisen waren Bismarcks instrumenten om de Duitse eenmaking zonder Oostenrijk en onder leiding van Pruisen op te dringen.
  53. 3. Wat waren de belangrijkste constitutionele verschillen tussen de Duitse Bond en de Noord-Duitse Bond in de 19e eeuw?
    1815-1866 opgericht onder Oostenrijkse invloed- congres van Wenen. Losse statenbond. 37 staten. Soevereiniteit en staatsmacht waren in de afzonderlijke staten gevestigd bij de vorsten. Bondsdag had de wetgevende bevoegdheden. In de Bondsakte stond dat voor elke lidstaat een constitutie zou gelden, en bevatte fundamentele rechten en vrijheden, maar deze werden als reactie op de revolutie in 1848 afgeschaft.1866-1871 Noord-Duitse Bond opgericht door Pruisen, bestond uit 22 Duitse Staten. In 1867 werd de constitutie van de Noord-Duitse Bond als bondstaat van kracht – voorgesteld door Bismarck. Bicameraal parlement, door algemeen stemrecht verkozen Rijksdag en een Bondsraad waarin de deelstaten vertegenwoordigd waren. Uitvoerende macht lag bij de Pruisische Koning, die ook de Rijkskanselier benoemde.
  54. 4. Geef de belangrijkste kenmerken van de constitutie van de Sint-Pauluskerk. Waarom heeft de Duitse geschiedschrijving na de Tweede Wereldoorlog een eerder welwillende aandacht aan die constitutie en de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot die constitutie gewijd? Wat waren de belangrijkste (politieke) redenen voor het falen van die constitutie?
    Deze constitutie was een korte poging om in 1849 eenheid te creëren. Deze constitutie is echter nooit in werking getreden, maar is wel als inspiratiebron gebruikt, wellicht groter dan alle andere constituties.Duitsland wordt hier heel even een politieke eenheid, maar dan in de vorm van een bondsstaat, of federale staat. Geen eenheidsstaat dus. Het federaal recht heeft wel voorrang op het recht van de deelstaten.Daarnaast probeerde men met deze grondwet een parlementaire monarchie te creëren, en de wetgevende macht is bicameraal opgebouwd. Het Volkshaus wordt ingesteld, een democratische vertegenwoordiging met algemeen stemrecht en de Reichstag, een proportionele vertegenwoordiging van de deelstaten. Er wordt dus niet gekozen voor een parlementair regime.Ten derde probeert men in de constitutie van de Sint-Pauluskerk (Paulskirchenverfassung) een aanzet te geven tot de vorming van een rechtsstaat. Door het Reichsgericht, en het vastleggen van fundamentele rechten en vrijheden. Deze constitutie is echter niet geslaagd; de Pruisische Koning weigerde de Keizerstroon te nemen, hij was van mening dat Pruisen te weinig macht had in de opgestelde constitutie. Er werd ook door de deelstaten geweigerd fundamentele vrijheden in te voeren. Tot slot werden de pogingen van de revolutionairen, die probeerden alsnog de constitutie door te drukken, militair neergeslagen door Pruisen.De Paulskirchenverfassung is tot symbool van de constitutie ontstaan, doordat het nooit in gebruik is genomen, is het tot symbool geworden van een gemiste kans; een vrij democratische poging de Duitse eenheid tot stand te brengen.
  55. 5. Geef de belangrijkste kenmerken van de constitutie van het in 1871 opgerichte Duitse Rijk wat betreft de verhouding tussen deelstaten en bond.
    De Rijksconstitutie bevatte geen erkenning van fundamentele rechten, deze werden geacht door grondwetten van deelstaten of federale wetten beschermd te worden. Er werd ook geen constitutioneel hof opgericht, deels werd de beslechting van constitutionele geschillen aan de bondsraad opgedragen.Expliciete en impliciete federale bevoegdheden; bond= voornamelijk wetgevende bevoegdheden, minder bestuurlijke bevoegdheden, federale wet heeft voorrand op het recht van de deelstaat; federale wetgever:Kompetenz-Kompetenz; op federaal niveau waren de deelstaten betrokken via de Bondsraad
  56. 6. Geef de belangrijkste kenmerken van die constitutie wat betreft de verhouding tussen federale regering en federaal parlement?
    De eigenlijke federale regering werd door de constitutie noch ingericht, noch geregeld: de regeringsleden waren ondergeschikt aan de bondskanselier. Constitutioneelrechtelijk bestond er buiten de bondskanselier geen federale regering.
  57. 7. Wat bedoelt men met de dualiteit van Rijk en Pruisen die zowel het Duitse Rijk als de Weimar-Republiek kenmerkten? Waarom is er van een dergelijke dualiteit na de Tweede Wereldoorlog geen sprake meer?
    De Duitse eenmaking was er een onder Pruisische leiding door het politiekterritoriaal en bevolkingsoverwicht (nog duidelijker na de uitsluiting van Oostenrijk) dat overwicht werd versterkt door de positie van Keizer-Koning van Pruisen, bondskanselier (meestal ook minister-president van Pruisen) het bestuurs- en militair apparaat en de hoofdstad Berlijn. Men spreekt van de verpruising van het Duitse Rijk. Deze structuur bleef voortbestaan onder de Weimar Republiek, al werd toen formeelconstitutioneel het relatief overwicht van Pruisen enigszins afgebouwd.
  58. 8. Hoe kwam de Duitse Grondwet na de Tweede Wereldoorlog tot stand? Waarom werd er van een goedkeuring door een volksraadpleging afgezien?
    Door het begin van de Koude Oorlog, geallieerde bezettingszones, de zeemogendhedenconferentie in London; federale staatsstructuur en garanties voor een rechtsstaat moesten er komen. Deze constitutie moest gemaakt worden door een grondwetgever die democratisch gekozen werd. Het ontwerp van deze constitutie zou ter goedkeuring moeten voorgelegd worden aan de vreemde mogendheden. Dit is niet gebeurd, de Grondwet van 1949 is opgesteld door vertegenwoordigers van de deelstaten. De afkondiging was op 23 mei 1949. Hitler maakt ook gebruik van veelal valse volksraadplegingen om zijn dictatuur te legitimeren, dus daarom wilden ze geen referendum.
  59. 9. Geef enkele karakteristieke aspecten van de GG uit 1949 die erop wijzen dat die grondwet mede een aantal zwakheden die men in de Weimar-constitutie meende te herkennen, wilde voorkomen.
    Staatsmachten werden tot grotere regeringsstabiliteit gedwongen, omdat de instabiliteit van 1933 als reden werd gezien voor het aan de macht komen van Hitler. De wetgevende en uitvoerende bevoegdheden aan de federale staat toegekend.De wetgevende en uitvoerende macht werden duidelijk georaniseerd mbv checks and balances.
  60. 10. Geef enkele karakteristieke aspecten van de GG uit 1949 die erop wijzen dat die grondwet een reactie was op het nazi-regime.
    Door het nazisme werd de nadruk gelegd op fundamentele rechten en op de rechtsstaat. Die zowel door de federale staat als de deelstaten moeten worden nageleefd. Grondwet bindend voor alle staatsmachten en particulieren. De kern van de grondwet is niet voor wijziging vatbaar.
  61. 11. Wat zijn de rechtsmiddelen om een zaak aanhangig te maken bij het Federaal Constitutioneel Hof?
    Het FCH is bevoegd betreffende geschillen inzake de competitieverdeling tussen de staatsmachten en de federale staat en deelstaten. Het moet ook de naleving en bescherming van de fundamentele rechten garanderen. Drie procedures, Abstrakte normenkontrolle, konkrete normenkontrolle, verfassungsbeschwerde.
  62. 1. In welke mate vindt men de elementen ‘monarchie, oligarchie en democratie’ terug in de huidige constitutionele systemen van (a) Engeland, (b) Frankrijk, (c) Duitsland?
    • Engeland:
    • Democratisch de verkiezingen van het Lagerhuis
    • Oligarchisch het Hogerhuis
    • Monarchie symbolisch

    • Frankrijk:
    • Democratisch verkiezingen van kamer van volksvertegenwoordigers verkiezing van president en techniek van referenda
    • Oligarchisch samenstelling van de Senaat en regeringselites
    • Monarchie in beperkte mate bij verkiezing van de president

    • Duitsland:
    • Democratisch verkiezing en samenstelling van de Bondsdag en de Landtage
    • Oligarchisch kiesdrempel van 5% en de bevoordeling van grotere partijen, de indirecte verkiezing van het staatshoofd
    • Monarchie relatief sterke positie van bondskanselier
  63. 2. Hoe wordt de democratische legitimiteit van de staatsmacht gegarandeerd (a) in Engeland; (b) in Frankrijk; (c) in Duitsland?
    • Engeland volksvertegenwoordiging
    • Frankrijk volksvertegenwoordiging, verkiezing van president en referendumpraktijk
    • Duitsland volksvertegenwoordiging

    Maar ook beperking:

    • Engeland first-past-the-pole kiessysteem (geen proportionele vertegenwoordiging)
    • Frankrijk twee kiesbeurten met meerderheidsstelsel per district (geen proportionele vertegenwoordiging)
    • Duitsland 5% kiesdrempel
  64. 2b. Wat is de grondslag van de soevereiniteit in Frankrijk, Engeland en Duitsland? Welke instellingen zijn in ieder van die drie landen de uitdrukking of vertegenwoordiging bij uitstek van die soevereiniteit?
    Volkssoevereiniteit, te vinden in;Engeland House of Commons LagerhuisFrankrijk Chambre des DeputesDuitsland Bondsdag en Landtage
  65. 3. Wat is het verschil tussen de formele en de materiële rechtsstaat? Kan je elementen die een materiële rechtsstaat proberen vorm te geven herkennen in de Engelse, Franse of Duitse grondwet?
    Bij formeel gaat het erom dat de staatsmachten in overeenstemming met het recht handelen. Dit betekent dat zij zelf aan het recht onderworpen zijn. In alle westerse democratieën geldt het beginsel van formele rechtsstaat. Noodsituaties en landsverdediging zijn uitzonderingen op de regel.Bij materieel gaat het erom dat de staatsmachten rechtvaardig moeten handelen, en daar waar nodig de rechtvaardigheid moeten bevorderen. Door fundamentele rechten en vrijheden, en wetten van algemeen belang. Ook libertes concretes, dwz recht op arbeid, woning etc. Is controversiëler dan de anderen. In EVRM en Human Rights Act (1998) geregeld.
  66. 4. Wat is het verschil tussen verzorgings- en beschermingsstaat?
    Een verzorgingsstaat ziet het als zijn opdracht niet alleen een juridisch kader te scheppen waarin het economische laisser-faire floreert, hij wil zelf diep in het economische gebeuren ingrijpen, welvaart creëren of althans stimuleren, die welvaart gelijkelijk verdelen en iedereen een economisch – en niet alleen juridisch, beveiligd bestaan verzekeren. Pas in de 20e eeuw zijn deze sociaal-economische zorgen in de grondwet doorgedrongen in de vorm van: het recht voor iedereen op arbeid, medische verzorging opvoeding etc.
  67. 5. Was de 19e eeuwse nationale staat al dan niet ‘absolutistisch’? Geef argumenten pro en contra.
    Pro; Alle macht gaat uit van de natie cq het volk; geen hogere macht dan de volksvertegenwoordiging als wetgever cq grondwetgever; positivisme: alle bron van recht vloeit voort uit de menselijke (volks)wil; wetgever cq grondwetgever niet aan de eigen normen gebonden.

    Contra; De wet is de uitdrukking van het product van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging. Veel minder strakke partijpolitieke binding van de volksvertegenwoordiging. onderscheid tussen de wetgever en grondwetgever voor een grondwetsherziening. Maar er zijn betrekkelijk weinig 19e eeuwse grondwetten die een rechterlijke toetsing kennen van de wet; scheiding der machten min of meer checks en balances; vooral grondwettelijke vrijheden en rechten. Nieuwe wetten kunnen hier geen afbreuk aan doen.
  68. 6. In welke mate zijn de West-Europese rechtssystemen zoals die zich tijdens de tweede helft van de 20e eeuw hebben ontwikkeld minder ‘absolutistisch’ dan het ideaal-theoretisch type van de 19e eeuwse nationale staat? In welke mate en waarom is die tendens tijdens de tweede helft van de 20e eeuw al dan niet door de Europese integratie bevorderd?
    • In de 18e tot en met de 20e eeuw werden fundamentele mensenrechten ontwikkeld. Die rechten moeten in ieder geval ook door de staatsmachten gerespecteerd worden. De staatsmacht wordt beperkt, doordat de soevereine volksvertegenwoordiging zelf ook gevonden is door de fundamentele rechten. Hierdoor is de staat aan het eind van de 20e en het begin van de 21e eeuw minder absolutistisch dan in de 19e eeuw.
    • Op Europees en internationaal niveau zijn in de laatste tijd veel fundamentele rechten en algemene beginselen ontwikkeld, waaraan ook de soevereine staten gebonden zijn. De Europese landen hebben echter verschillende manieren van erkenning van het EVRM:
    • Engeland: Erkenning door gewone wet met enkele relatieve beperkingen van de parlementaire soevereiniteit
    • Frankrijk: Supranationaal recht nog steeds ondergeschikt aan controle door volkssoevereiniteit
    • Duitsland: De wetgever kan een aantal grondwettelijke basisregels niet wijzigen.
  69. 11bis. In welke mate kan men voor Engeland in de 17de eeuw van een absolutistisch streven naar kontinentaal model spreken? Hoe staat de zgn. Whig historiografie daar tegenover?
    In die historiografische visie gericht op liberty waren derhalve de absolutistische tendenzen van de Stuarts een afwijking in de lange-termijn ontwikkeling van de Engelse instellingen en constitutie naar steeds meer vrijheid van de burger en steeds meer (liberale ) rechtsstaat. De Glorious Revolution was dus ook "glorieus" omdat zij die algemene tendens herstelde, a.h.w. de Engelse geschiedenis weer op de juiste koers bracht, maar dus ook paste in die lange termijn evolutie. Tegelijk werd dat liberalisme als het recept van Engeland als grootmacht en supermacht beschouwd (vandaar ook dat met het uiteenvallen van het British Empire, die historiografie enigszins in diskrediet is gebracht).
  70. 19. Naar aanleiding van het plaatje vooraan in de reader waarop staat afgebeeld hoe in 1816 Willem I in een koets het Parlementsgebouw te Brussel verlaat onder toejuiching van het volk: Wie moet op dit plaatje als de „soeverein‟ worden beschouwd: de koning, het Parlement of het volk? Geef de redenen voor je antwoord en geef aan waarom die vraag begin van de 19de eeuw nog uiteenlopend beantwoord kon worden.
    • Deze vraag houdt verband met hetgeen is gezegd over de soevereiniteit in de overgang van de 18de eeuw (cq Ancien Régime) naar de 19de eeuw: de 'geconcentreerde' soevereiniteit die meestal (niet in NL) bij een persoon, de "vorst" (koning enz.) lag, is nu overgeheveld naar het volk of de natie. Maar:
    • - bij de restauratie na Napoleons val proberen sommige monarchen uiteraard de klok terug te draaien en de zaken zo voor te stellen dat zij, hetzij bij de genade van God, hetzij vanwege traditie/geschiedenis, de legitieme souverein zijn
    • - daar staat haaks tegenover dan volgens de nieuwe politieke theoriën het volk nu de enige soeverein is, en een monarch aleen maar legitimiteit heeft in de mate waarin het volk hem als monarch heeft aangesteld, mits bepaalde voorwaarden waaraan de monarch gebonden is - m.a.w., de koning kan alleen koning zijn omdat het volk dat (als grondwetgever) heeft gewild
    • - de zaken zijn evenwel iets complexer, omdat het volk nauwelijk rechtstreeks zijn gezag kan uitoefenen: vandaar de volksvertegenwoordiging; vele W. Europese constitutionle systemen van het begin van de 19de eeiw (o.m. NL) zijn sterk door het Engelse systeem geïnspireerd, waar precies de theorie van de parliamentary sovereignty geldt
    • - tenslotte moet men met de politieke machtsverhoudingen rekening houden, en de onvermijdelijke compromissen in die overgangstijd: zo was het "charter" concept (in F, NL...) een soort tussenoplossing, waarbij men deed alsof de koning de geschreven constitutie "toestond", terwijl het eigenlijk het produkt was van een onderhandling met belangengroepen
    • Kortom, op het plaatje konden zowel de koning in zijn koets, de volksvertegenwoordiging in het "Paleis van de Natie" als het volk op straat zich inbeelden, dat zij de soevereiniteit hadden. Ieder van die denkbeelden moet in het begin van de 19de eeuw zoals hierboven gezegd genuanceerd worden. (Die nuances zijn dan ook essentieel voor een goed antwoord).
  71. Waarom is die toenmalige constitutioneelrechtelijke ontwikkeling in de 20ste eeuw opnieuw in vraag gesteld en andermaal (zij het in een andere politieke context) actueel geworden?
    Het gaat om de verhouding tussen Uitvoerende macht en Parlement: met de Glorious Revolution was het constitutioneel zwaartepunt bij het Parlement gevestigd (Parliamentary Supemacy). Vanaf de 19de eeuw, en vooral in de 20e eeuw, zijn in West-Europese parlementaire democratieën de machtsverhoudingen tussen beide sterk verschoven in het voordeel van de Uitvoerende macht (regering), omdat die over veel meer middelen, met name via de administratie en het staatsapparaat beschikt. Die politieke machtsverschuiving is echter nog niet in een herformulering van de materiële constitutie omgezet. Dat nu wat concreet uitwerken voor het VK (ik heb daarover tijdens dehoorcolleges wat vermeld).
  72. Wat is Politieke achtergrond van Duitsland?
    Engeland al in de 11e eeuw een politieke eenheid (koning effectieve macht)In Frankrijk was hier pas in de 16e eeuw sprake van. In Duitsland was de vraag niet of er sprake was van een politieke eenheid, maar hoe je die eenheid opvat.
  73. Geef kenmerken van het Eerste Rijk (tot 1806)
    Achttiende eeuw loopt Heilige Roomse Rijk (zeer gelovig rijk) ook wel Eerste Rijk. Niet tot een geïntegreerde politieke eenheid gekomen. Sprake van quasionafhankelijke staten -> internationaal gebied zelfstandig verdragen sluiten en een eigen buitenlandse politiek voeren. De legitimiteit politieke macht lag enerzijds bij het keizerrijk en anderzijds bij de territoriale vorsten. Het geheel van deze territoria vormden een Vergadering.De keizer eind 15e / begin 16e eeuw altijd Habsburgse Huis van Oostenrijk. Systeem ontwikkelt tot een losse federatie, territoriale vorsten steeds meer autonomie. Uitgebreide publiekrechtelijke literatuur die constitutionele structuur van het keizerrijk theoretisch probeert te vatten. Complexe juridische structuur: enerzijds sprake keizerrijk met 2 gerechtshoven, anderzijds territoriale vorsten met eigen regels.18e eeuw koning van Pruisen obv imperialisme steeds groter -> rivaal van Oostenrijk binnen Duitse rijk. Pruisen meer Duitse eenheid. Breuklijn vooral door Pruisen protestanten en Oostenrijk katholieken. Pruisen heeft ook deel veroverd buiten het rijk.Franse revolutie en imperialistische politiek Napolein -> Frankrijk overwicht op continentaal Europa. 1806 onder druk Napoleontische oorlogen -> keizerrijk opgeheven.
  74. Geef kenmerken van de Duitse Bond 1815-1866
    1806 – 1815
    Napoleontische oorlogenDaarna -> zoektocht Duitse eenheid (zoals Frankrijk) Maar hoe? Congres van Wenen (1814 - 1815): doel is machtsblok tegen FR (door staatskundige hervorming)1815: Duitse Bond in soort van diplomatieke conferentie, staten soeverein. Oostenrijkse blok bestond hierbinnen nog steeds en Pruissische blok door groter.Pruisische model -> negentiende-eeuwse staatsvorm: nationale staat die streeft naar een eenheidsstaat, zonder OostenrijkOostenrijkse (Habsburgse) systeem -> toelaten ruime autonomie, het staat voor imperialisme. 1848 tevergeefs Duitse eenheid op een andere grondslag dan de rivaliteit tussen Pruisen en Oostenrijk “St. Paulskirchenverfassung”1866 Pruisisch-Oostenrijkse oorlog -> gewonnen door Pruisen. 1870 ook Frankrijk verslagen die tegen Duitse Eenheid was
  75. Geef kenmerken van het Tweede Rijk 1871-1918
    1871 Tweede keizerrijk, maar hoe?‘groot’-Duitse eenheid: iedereen die Duits spreekt?‘klein’-Duitse eenheid: Oostenrijk buiten Duitsland? Pruisen heeft macht en kiest voor ‘klein’ onder Pruisische leiding (koning Pruisen wordt Keizer. In theorie bondstaat, maar Pruisen opermachtigOostenrijk wordt een eigen keizerrijk. Bondskanselier Bismarck zorgt voor groei tot grootmacht Duitsland. Autoritair regime waarin de burgerij, de groot-industrie, de militaire top en de bureaucratie het staatsapparaat beheersen. Het Tweede Keizerrijk komt echter ten val na de Eerste Wereldoorlog (1918).
  76. Geef kenmerken van Weimar-Republiek 1918-1933
    Na nederlaag, vorming republiek (Weimar-Republiek). Zwakke legitimiteit:* Rechtse politieke fractie niet blij met accepteren vredesvoorwaarden (Verdrag van Versailles moest getekend)Linkse politieke fractie niet blij met neerslaan communistische revoluties (op aandringen Rusland)Economische crisis ’30 versterken dit. Strategie democratisch centrum is samenwerking nazi’s tegen communisten, en daarna wel nazi’s aanpakken.Strategie mislukt -> neutralisatie democratische systemen -> alleen ‘nazipartij’ blijft bestaan
  77. Geef kenmerken van het Derde Rijk (Nazi-Duitsland) 1933-1945
    Hitler komt legaal aan de macht en bouwt ‘nazi’-dictatuur voort op de stevige structuur van 1870. Hitlers benoeming tot kanselier in 1933 -> weg vrij totalitaire dictatuur. Rechtstaat, constitutionaliteit en fundamentele rechten en vrijheden worden ontkend. De facto wordt Duitsland als een eenheidsstaat bestuurd. Annexatie oostenrijk -> einde “klein-Duitsle” eenheidEind Derde Rijk 1945. Duitsland verliest grote gebieden. Duitsland & Berlijn worden verdeeld in 4 bezittingszones om zo stabiliteit in Europa te garanderen. Pruisische deelstaat wordt nooit meer geconstrueerd (ivm associatie nazi-bewind en etnische zuivering)
  78. De bezettingsperiode 1945-1949
    Door Koude Oorlog breuklijn tussen tussen sector Westen & Sovjet-Unie -> oprichten Duitse Bondsrepubliek (BRD) en Duitse Democratische Republiek (DDR).BRD moet aan democratisch rechtstaat voldoen en is defensiesystem tegen Sovjets.
  79. 1990 tot nu
    1990: DDR + BRD -> BRD door volkenrechtelijke herenigingsverdrag.
  80. In Duitsland politieke eenheid?
    Hangt af waar je van uit gaat:

    • Een redelijk sterk centraal gezag
    • - 1806 Eerste rijk (Heilig Romeinse Rijk) NEE
    • 1815 - 1870Duitse Bond NEE
    • 1871 - 1918 Tweede rijk
    • 1918 - 1933 Weimar-Republiek
    • 1933 - 1945‘nazi’-Duitsland
    • 1945 - 1990 BRD & DDR
    • 1990 - BRD

    Territoriale eenheid

    • Als Oostenrijk bij Duitsland ‘hoort’:
    • - 1806 Eerste rijk (Heilig Romeinse Rijk)
    • 1815 - 1870Duitse Bond NEE
    • (1848-1849)Theoretisch: Pauluskerk
    • 1871 - 1918 Tweede rijk NEE
    • 1918 - 1933 Weimar-Republiek NEE
    • 1933 - 1945‘nazi’-Duitsland
    • 1945 - 1990 BRD & DDR NEE
    • 1990 - BRD NEE

    • Als Oostenrijk een apart land vormt:
    • - 1806 Eerste rijk (Heilig Romeinse Rijk) NEE
    • 1815 - 1870Duitse Bond NEE
    • 1871 - 1918 Tweede rijk
    • 1918 - 1933 Weimar-Republiek
    • 1933 - 1945‘nazi’-Duitsland
    • 1945 - 1990 BRD & DDR NEE
    • 1990 - BRD
  81. Constitutionele geschiedenis van Duitsland
    3 fundamentele vragen:
    1.Bondstaat? Kan op verschillende manieren -> meer macht aan federale staat toegekend worden, of aan de deelstaten.

    Waarborg rechtsstaat? 19e eeuw: vrijheden, 20e eeuw: sociale eisen, Na 1945: structurele beperking staatsmacht.

    Verhouding staatsmachten?

    Huidige grondwet is reactie op 3 bovenstaande vragen en beantwoord aan combo te bespreken constituties.
    • Constitutie van de Sint-Pauluskerk (Paulskirchenverfassung(1849).
    • Hoofdkenmerken:
    • 1.Bondstaat (door nationale & sociaaldemocratische tendens 1848)
    • a)Ruime wetgevende competentie (weinig uitvoerende) federale staat
    • b)Voorrang federaal recht (VS als voorbeeld)
    • 2.Parlementaire monarchie
    • b)Bicameralisme. Volkshaus democratische vertegenwoordiging & Reichstag proportionele
    • vertegenwoordiging van de deelstaten
    • b)Uitvoerende macht bij keizer, (overwicht op parlement) maar niet gekozen.
    • 3.Rechtstaat
    • c)Federaal Constitutioneel Hof (Reichsgericht) neemt kennis van
    • -Schending constitutie tussen staatsmachten
    • -Schending constitutie tussen federale staat & deelstaat
    • -Schending constitutie tussen deelstaten
    • d)Vastleggen van fundamentele rechten en vrijheden.

    Redenen niet slagen constitutie:

    • 1.Pruisische koning weigerde keizerskroon (te weinig macht)
    • 2.Contrarevolutionaire reacties en regeringen in de (belangrijkste) deelstaten
    • 3.Weigering deelstaten fundamentele rechten en vrijheden in te voeren
    • 4.Pogingen van revolutionairen constitutie door te drukken, militair neergeslagen door Pruisen

    • De constitutie van het Tweede Duitse Rijk: de Bismarck-constitutie van 1871
    • Gebaseerd op Realpolitiek
    • 1.Bondstaat
    • a)Ruime wetgevende competentie (weinig uitvoerende) federale staat
    • b)Voorrang federaal recht
    • c)Uitvoerende macht ‘Duitse keizer’ (koning van Pruisen) overwicht ten opzichte van de wetgevende machtd)
    • Uitvoerende macht ook bondskanselier (het hoofd van de federale regering, benoemd door keizer) vooral in de praktijk uitgewerkt
    • e)Regering verantwoordelijkheid tov bondskanselier
    • f)Bondskanselier voorzitter Bondsraad
    • 2.De wetgevende macht:
    • a)Rijksdag: algemeen stemrecht
    • -Federale wetgeving
    • -Federale begroting
    • -Goedkeuring verdragen
    • b)Bondsraad: vertegenwoordigers deelstaten
    • -Federale wetgeving-Competentieconflicten
    • -Ontbinding Rijksdag

    Al met al overwicht van Federale staat (werk van Bismack)

    De constitutie vanaf 1949: de Grundgesetz van 23 mei 1949Produc historische ervaringen + basisreferentiekader voor Duitse juristen Europese integratie benaderen.

    • 1948: zes-mogendhedenconferentie in LondenRichtlijnen aan ministers-presidenten:
    • 1.Federale staatsstructuur
    • 2.Garanties rechtsstaat
    • 3.Constitutie door grondwetgever die democratisch gekozen werd
    • 4.Ontwerp moest worden goedgekeurd door:
    • a)Vreemde mogendheden
    • b)VolksraadplegingEchter:1.Geen door algemeen stemrecht verkozen grondwetgever (maar door deelstaten)
    • 2.Geen goedkeuring door een volksraadplegingWaarom?
    • a)Hitler maakte ook gebruik van (veelal valse) volksraadplegingen
    • b)Politieke vrees van een afwijzing door een deel van de bevolking als protest tegen de bezettingsmacht
    • c)Verdeling van de bevolking van de jonge staat na de traumatische ervaringen van het ‘nazi’-bewind, de oorlog en de bezetting voorkomen
    • d)Paradox: door de deelstaten op de voorgrond te laten treden bij redactie en goedkeuring, kon de oppositie van een minderheid van deelstaten gemakkelijker overstegen worden (precies omdat ze dan een minderheid bleken te zijn).

    • Als reactie op het nazisme werd in de grondwet de nadruk gelegd op de fundamentele rechten en vrijheiden.
    • Als reactie op de Weimar-Republiek werden de staatsmachten in de grondwet tot grotere regeringsstabiliteit ‘gedwongen’.Huidige (constitutionele situatie)

    • 1.Bondsstaat
    • a)Bevoegdheden primair bij de deelstatenb)Grondwet geeft aantal competenties aan de federale staat
    • c)Federale recht voorrang
    • 2.Bicameralisme (naar model VS)
    • a)Bondsdag op basis van algemeen stemrecht
    • b)Bondsraad vertegenwoordigers deelstaten gezeteld zijn
    • 3.Uitvoerende macht bondspresident veel beperkter dan Weimar republiek
    • 4.Bondskanselier vooral gezag en spil uitvoerende macht / hoofd regering
    • 5.Regering moet meerheid Bondsdag hebben
    • 6.Checks and balancesa)Een typisch voorbeeld constructieve wantrouwensmotie (reactie Weimar republiek)
    • 7.Democratische rechtstaat
    • a)Zeer sterke constitutie omdat kern niet voor wijzigingen vatbaar is
    • b)Federaal Constitutioneel Hof
    • -Competentiegeschillen die spelen tussen de bond en de deelstaten
    • -Fundamentele rechten
    • 1.Abstrakte Normenkontrolle: grondwettelijkheid wet
    • 2.Konkrete Normenkontrolle: grondwettelijkheid concreet geval
    • 3.Verfassungsbeschwerde: individu kan procederen
  82. Wat zijn de Drie types van Staatsvormen
    • Monarchie
    • Openbare macht geconcentreerd in de persoon van één heerser (personal rule).
    • Grondslagen: gratie Gods, door acclamatie, dictator, president

    • Oligarchie
    • Openbare macht geconcentreerd in beperkt aantal belangengroepen

    • Democratie
    • Openbare macht geconcentreerd bij volksmassa
    • Noodzakelijke gevolg: exclusieve legitimiteit voor de democratie
    • Parlementair systeem: parlement vertegenwoordigt volk
  83. Pas de 3 type staatsvormen toe aan Engeland
    • Engeland:
    • Democratisch
    • Verkiezing en samenstelling Lagerhuis

    • Oligarchisch
    • Verkiezing Lagerhuis vanwege de relatieve meerderheid
    • Samenstelling Hogerhuis: Adel en Life Peers (door kroon benoemd)

    Monarchaal

    • Koningin Elizabeth II (geen echte macht, symbolisch)
    • Quasipresidentiële ontwikkeling ambt Eerste Minister
    • Royal Prerogative (kroon bevoegdheden terug te voeren op tradities)
  84. Pas de 3 type staatsvormen toe aan Frankrijk
    • Toepassing op Frankrijk
    • Democratisch
    • Verkiezing en samenstelling van de Kamer van volksvertegenwoordigers
    • Rechtstreekse verkiezing van de president
    • Techniek van referenda

    • Oligarchisch
    • Verkiezing van de Senaat: getrapte verkiezingen
    • Regeringselites bestaan ten dele uit gediplomeerden van elitescholen

    • Monarchaal
    • Beperkte mate: president, grote macht.
  85. Pas de 3 type staatsvormen toe aan Duitsland
    • Democratisch
    • Verkiezing en samenstelling van de Bondsdag
    • Verkiezing en samenstelling van de Landtäge

    • Oligarchisch
    • In principe uitgesloten, maar:
    • Indirect herkenbaar in kiesdrempel van 5%
    • Indirecte verkiezing van het staatshoofd
    • Selectie professionele juristen als gegadigden

    • Monarchaal
    • In principe uitgesloten, maar:
    • Sterke positie van de bondskanselier (maar minder macht dan FR / EN)
  86. Wat zijn de gemeenschappelijke kenmerken?
    Democratische legitimiteit als fundament voor de staatsorde, maar verschil:

    • Engeland first-past-the-pole kiessysteem: proportionele vertegenwoordiging
    • Frankrijk twee kiesbeurten met een meerderheidsstelsel per district
    • Duitsland is dit de kiesdrempel van 5%


    Volkssoevereiniteit enige grondslag soevereiniteit staat

    • Engeland the House of Commons
    • Frankrijk le Chambre des Desputés
    • Duitsland de Bundestag
  87. Rechtsstaat versus absolutisme
    Niet noodzakelijkerwijs gebonden aan een democratie

    • Formele rechtsstaat: staatsmachten handelen conform recht handelen
    • In alle Westerse democratieën geldt dit als minimum vereiste. Noodsituaties en landsverdediging zijn uitzonderingen op de regel.

    • Materiële rechtsstaat: staatsmachten handelen rechtvaardig. Dit is een politiek variabele waarde.
    • Gerealiseerd door libertés concrètes: recht op bepaalde prestaties overheid
  88. Beschermingsstaat en verzorgingsstaat
    Macht is het formele aspect van een politieke overheid. Legitimiteit is het subjectieve/materiële aspect. Een beschermingsstaat: overleven garanderenVerzorgingsstaat: sociaaleconomische welvaart garanderen en vergrotenConstitutionele geschiedenis19e eeuw: formele gelijkheid, maar geen garantie veiligheid20e eeuw: sociaaleconomische rechten in grondwetRisico: vertrouwensbreuk door dit niet waar kunnen maken.
  89. Absolutisme
    • Absolutisme
    • Absolutisme geen hogere menselijke norm waaraan soeverein is onderworpen

    • Ancien Régime: goddelijk recht of aan het natuurrecht
    • NT: vorst geacht algemeen belang te vertegenwoordigen
    • Einde 19e eeuw: Overheveling soevereiniteit aan het volk (geen hoger recht)

    • Moderne volkssoevereiniteit meer absolutistisch?
    • Ja:

    • Niet meer aan hoger recht gebonden
    • Geen rechterlijke controle van wetten meer zoals Ancien Regime
    • Positivisme: alle bron van recht vloeit voort uit volkswil
    • Theoretisch niet aan eigen normen verbonden zoals Parliamentary Sovereignity


    Nee:

    • Uitdrukking is volkswil die tot stand komt door compromissen
    • Scheiding der machten -> Checks and balances
    • Sommige constituties: speciale grondwetgever
    • Veel grondwettelijke vrijheden + rechten
    • Houdt zich in praktijk wel aan het recht


    • Ad 4 ontwikkeling:
    • 18e tot 20e eeuw: veel vrijheden / rechten maar nog geen binding staatsmacht
    • Eind 20e eeuw: staatsmachten beperken zich door vrijheden / rechten

    • Vormgeving door bijv EVRM.
    • Echter, vaak nog aan 19e eeuwse wetgevingsprocedures onderworpen:

    • Engeland enkele relatieve beperkingen van de parlementaire soevereiniteit
    • Frankrijk supranationaal recht ondergeschikt aan volkssoevereiniteit

    Tegenvoorbeeld: Duitsland waar wetgever een aantal grondwettelijke basisregels niet kan wijzigen.

    Mensenrechten opkomst door:

    • Reactie zuiver rechtspositivisme
    • Vangnet allerzwaksten
    • Reactie op Hitler


    Doordat natuurrecht niet meer bestaat geen absolute waarborg fundamentele rechten.
  90. Wat gebeurd er in Franse Revolutie/Napoleontisch regime:
    • - Afschaffing van (rechts)instellingen en sociaal-economischestructuren die geassocieerd werden met het Ancien Régime(ideologische + politiek-economische agenda)
    • - Vervanging door nieuwe politieke instellingen, nieuwe territoriale indelingen, uniformisering van recht en instellingen (cf. zgn. „Jacobijns model‟ van een centralistische Staat)
    • - Nieuwe legitimiteitsbasis: nationale soevereiniteit („la Nation‟ vervangt de koning), „algemene wil‟ van de Natie
    • - Maar: mits die verschuiving van koning naar Natie wordt de politiek van een gecentraliseerde eenheidsstaat (politiek, economisch, cultureel…) doorgetrokken en „afgewerkt
  91. Hoe zit het met volkssoevereiniteit in de verschillende franse constituties?
    met uitzondering van de periode van de zgn. Restauratie (1815-1830), geldt doorheen al die politieke regimes min of meer de nationale cq volkssoevereiniteit als enige legitieme grondslag van de politieke mach
  92. Hoeveel geschreven consituties kent frankrijk, welke zijn de belangrijkste?
    • De Constitutie van 24 juni 1793: de „radicale‟ Revolutie
    • De Charte van 14 augustus 1830: het „orleanistisch regime"
    • De Constitutie van de Vijfde Republiek (1958): het„presidentieel regime‟ (controversieel!)
  93. Vertel eens wat over de geschreven consitutie van 1793
    • context: radicalisering van de Revolutie onder druk van de buitenlandse militaire bedreiging, van de volksklassen die de Revolutie steunen, en t.g.v. de onenigheid tussen wetgevende macht en koning (mislukking van de Constitutie van 1791, die een constitutionele en parlementaire monarchie tot stand had moeten brengen)•
    • basisprincipe: volkssoevereiniteit

    • ▪ wetgevende macht (Corps législatif, door algemeen stemrecht verkozen) blijft zelfs tijdens de legislatuur aan de volkssoevereiniteit onderworpen▫ wetten kunnen door een volksraadpleging afgewezen worden
    • ▪ de uitvoerende macht bestaat slechts als een (tijdelijk uitgeoefend) „mandaat‟ vanwege de wetgevende macht▫ aanstelling door Corps législatif op voordracht van het kiezerskorps
    • ▪ Verklaring van de rechten van de mens en van de staatsburger, die verder gaat dan de Verklaring van 1789▫ cf. „droits barrières‟ en „libertés concrètes
  94. How about charte van 1830
    context: „revolutie‟ tegen conservatief en anti-liberaalbewind van Karel X; liberale burgerlijke oppositiebrengt het regime ten val; de bedoeling is niet eenrevolutionair bewind aan de macht te brengen, maar een constitutioneel stelsel dat een (politiek en economisch) liberaal beleid garandeert; dynastieverandering: Lodewijk-Philip van Orléans (“burgerkoning”

    basisprincipe: het systeem van de Charte van 1814 aanpassen door het machtsevenwicht sterker ten gunste van de wetgevende macht (waarin, i.v.m. de geleidelijk en relatief gedemocratiseerde kiesdrempels, vooral de burgerij vertegenwoordigd was) te verschuiven

    • Uitwerking
    • wetgevende macht:▫ tweekamerstelsel behouden, maar erfelijkheid van de leden van het Hogerhuis wordt afgeschaft▫ de bevoegdheden van het Parlement om de wetgeving te beïnvloeden worden versterkt: initiatief- en amenderingsrecht▫ koning geassocieerd (initiatief, uitvaardiging), maar met beperkte bevoegdheden▫ het Parlement zal de regering meer effectief kunnencontrolerenFranse constitutionele traditie 17▪ uitvoerende macht:▫ koning benoemt regering▫ reglementaire bevoegdheden▫ ontbindingsrech
  95. Orleanistisch systeem, praktijk en theoretische kenmerken:
    ontwikkeling/kenmerken van het zgn. „orleanistischregime‟:enerzijds: (relatief) machtsevenwicht tussen Koning en wetgevende machtanderzijds: „dualisme‟ van de regeringsverantwoordelijkheid (nl. t.o. Koning én t.o. Parlement) ↔ maar: die karakterisering is grotendeels theoretisch► in de politieke praktijk: geen optimale regeringsstabiliteit, democratisch deficit en gebrek aan(partij)politieke structurering in de samenstelling van hetLagerhui
  96. Vertel ns wat over 5e republiek
    • context: gewelddadige dekolonisering, oorlog in Algerije, sterke economische en politieke teruggangvan Frankrijk in Europa en in de wereld; politiekeinstabiliteit t.g.v. overwicht van parlementarisme met versplintering van de politieke partijen; beroep op Generaal de Gaulle (1958)Franse constitutionele traditie 21• uitwerking:▪ uitvoerende macht:▫ eigen bevoegdheden van de president (sedert 1962/1965 door algemeen stemrecht rechtstreeks verkozen: eigen legitimiteit op basis van volkssoevereiniteit)Franse constitutionele traditie 22▫ regering: door de president benoemd; vereist een meerderheid in het Parlement; bevoegd voor het algemeen beleid en de uitvoering ervan; reglementairwetgevende bevoegdheden (krachtens de grondwet)▭ oorspronkelijke geest van de Constitutie: de regering als ondersteuning van het algemeen beleid van de president▭ vanaf de jaren ‟80: periodes van zgn. „cohabitation‟; gevolg: grotere beleidsruimte voor de regering die over een meerderheid in het Parlement beschikt, maar die niet tot dezelfde politieke richting als de president behoortFranse constitutionele traditie 23p.m. grondwetsherziening 2000: ambtstermijn van de president teruggebracht van 7 tot 5 jaar, o.m. om die ambtstermijn met de legislatuur-periode gelijk te schakelenFranse constitutionele traditie 24▪ wetgevende macht: bicameralisme▫ Kamer van volksvertegenwoordigers (KVV)▫ Senaatn.b. (1) grotere directe democratische legitimiteit van de KVV; de Senaat is (tot dusver) traditioneel een meer behoudensgezinde instellingn.b. (2) KVV heeft grotere directe controle op de regering, en een overwicht inzake wetgevende machtFranse constitutionele traditie 25◘ constitutionele waarborgen tegen al te grote afhankelijkheid van de regering t.o. het parlement: afschaffing interpellaties, beperkingen inzake wantrouwensmoties, mogelijkheid voor de regering een vertrouwensvraag voor te leggen enz. (= reactie tegen parlementaire praktijk onder de Derde en Vierde Republiek)Franse constitutionele traditie 26- groeiend belang van de fundamentele rechten: ▫ invloed van het EVRM, ▫ maar ook van algemene beginselen ▫ en van de rechtspraak van het Constitutioneel Hof
    • Franse constitutionele traditie 27- praktijk van de volksraadpleging:
    • ▪ oorspronkelijk (onder de Gaulle) om de legitimiteit van het presidentieel beleid te ondersteunen (b.v. onafhankelijkheid van Algerije, directe verkiezing van de president door algemeen stemrecht) of af te keuren (1969: hervorming van Senaat en regionalisering)
    • ▪ latere ontwikkeling: om sommige belangrijke grondwetshervormingen, cq wijzigingen van de nationale soevereiniteit, rechtstreeks door het volk te laten legitimere
  97. Vertel ns wat over politieke achtergrond Duitsland
    Middeleeuwen tot 1806 : Heilig Roomse Rijk (van de Duitse Natie)- „keizerrijk‟, maar waarbij de keizer geen directe macht heeft in de territoriale vorstendommen die het rijk uitmaken; de keizer is zelf een territoriale vorst

    • - vanaf eind 15ee./16ee.: de keizerskroon wordt toegekend aan de vorst van het Habsburgse Huis van Oostenrijk
    • - 17e/18ee.: zeer grote autonomie van de territoria t.a.v. het rijk; tegelijk: een aantal keizerlijke instellingen blijven voortbestaan, en vooral komt er een uitgebreide publiekrechtelijke literatuur tot stand die de constitutionele structuur van het keizerrijk (als een juridisch „monster‟) theoretisch probeert te vattenDuitse Constitutionele Traditie 2
    • - 18ee.: Pruisen komt op als rivaal van Oostenrijk binnen het rijk; Pruisen staat meteen ook voor een andere staatsvorm en (vooral vanaf de 19ee.) voor een andere, minder losse, conceptie van de Duitse eenheid
    • - 1806: onder druk van de Napoleontische oorlogen wordt het keizerrijk opgeheven (p.m. de Oostenrijkse vorst blijft „keizer‟, maar alleen m.b.t. eigen territoria

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview