atelier 1

Card Set Information

Author:
axelle
ID:
109609
Filename:
atelier 1
Updated:
2011-10-17 13:48:31
Tags:
frans voc
Folders:

Description:
vocabulaire tot p 27
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user axelle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. een sprinkhaan
    une sauterelle
  2. een worm
    un ver
  3. rauw
    cru, crue
  4. doorslikken
    avaler
  5. verslinden
    dévorer
  6. smeren
    tartiner
  7. de eetlust benemen
    couper l'appétit
  8. de afschaffing
    l'abolition
  9. de overvloed
    l'abondance
  10. een versoepeling
    un assouplissement
  11. de vasten
    la carême
  12. een gast, een tafelgenoot
    un, une convive
  13. het bakken, stoven,koken, braden
    la cuisson
  14. een woning,verblijf
    une demeure
  15. de verspreiding
    la diffusion
  16. de onhandigheid, stunteligheid
    une maladresse
  17. de gebruiken, gewoonte
    les moeurs
  18. een smaak
    une saveur
  19. het scherp (van een mes)
    le tranchant (d'un couteau)
  20. schijnbaar
    apparent, apparente
  21. gekruid
    épicé, épicée
  22. zich verspreiden
    se diffuser
  23. zich aan (iets) onttrekken
    (se) dispenser de
  24. opstellen, gereed maken
    dresser
  25. zich uitbreiden tot
    (s') étendre à
  26. roemen,prijzen, ophemelen
    vanter
  27. daarentegen
    en revanche
  28. hetzij,... hetzij...
    of..... of...
    soit...., soit....
  29. in de mode
    en vogue
  30. succesrijk worden
    faire fortune
  31. een hoge vlucht nemen
    prendre un essor
  32. een verandering, kentering
    une mutation
  33. rondreizend
    ambulant, ambulante
  34. vernieuwen
    innover
  35. een abdij
    une abbaye
  36. een borrelhapje
    un amuse-gueule
  37. de durf, stoutmoedigheid
    l'audace
  38. een beroemdheid
    une célébrité
  39. een wijnsoort,wijngaart,wijnstreel
    un cru
  40. de kurk
    le liège
  41. een pelgrim, bedevaartganger
    un pèlerin
  42. een grond, bodem, landstreek
    un terroir
  43. een kracht, positieve eigenschap, deugd
    une vertue
  44. een wijnbouwer
    un viticulteur
  45. blootgesteld (aan)
    • exposé (à)
    • exposée (à)
  46. in ijs gekoeld
    frappé, frappée
  47. het rijnland
    rhénan, rhénane
  48. wijnbouw-
    viticole
  49. omverwerpen
    bousculer
  50. opleggen
    imposer
  51. afzien (van) , afstand doen (van)
    renoncer (à)
  52. wijnstruik
    la vigne
  53. een buiging
    une révérence
  54. essuyer en enlevant la sauce
    saucer
  55. boeren
    roter
  56. bespreken, vermanen
    sermonner
  57. een verslapping
    un relâchement
  58. overheersen, de bovenhand hebben
    prédominer
  59. in acht nemen, zich houden aan, naleven
    observer
  60. opknabbelen, oppeuzelen
    grignoter
  61. op zich nemen, zich belasten met
    se charger de
  62. de stille tijd van het jaar
    la base saison
  63. een slaapzaal
    un dortoire
  64. een onderkomen
    un gîte
  65. een gehucht
    un hameau
  66. een gastheer
    un hôte
  67. een wasmachine
    un lave-linge
  68. een nummerplaat
    une plaque minéralogique
  69. een huurprijs
    un prix de location
  70. een grill
    une rôtissoire
  71. een vaatdoek
    un torchon
  72. losstaand
    indépendant
  73. hoofdstedelijk
    métropolitain
  74. inrichten
    aménager
  75. vlakbij, in de buurt van
    à proximité de
  76. in het hoogseizoen
    en pleine saison
  77. rustig vilaatje
    une fermette
  78. landelijk
    rural, rurale

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview