Spaanse zinnen A2 SP-NL.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
119139
Filename:
Spaanse zinnen A2 SP-NL.txt
Updated:
2011-11-27 08:38:04
Tags:
Spaanse zinnen A2 SP NL 02
Folders:

Description:
Spaanse zinnen A2 SP-NL_02
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Estoy muy cansado.
    Ik ben heel moe.
  2. Mañana estaré muy cansado.
    Morgen zal ik (wel) heel moe zijn.
  3. Tienes mucha suerte.
    Je hebt veel geluk.
  4. Tendrás mucha suerte.
    Je zult veel geluk hebben.
  5. Habla bien el castellano.
    Hij/ zij/ u spreekt goed Spaans.
  6. Hablará bien el castellano.
    Hij/ zij/ u zal/zult (wel) goed Spaans spreken.
  7. Comemos en un restaurante vasco.
    We eten in een Baskisch restaurant.
  8. Esta tarde comeremos en un restaurante vasco.
    Vanmiddag zullen we in een Baskisch restaurant eten.
  9. ¿Veis la diferencia ?
    Zien jullie het verschil ?
  10. Ya veréis la diferencia.
    Jullie zullen het verschil (wel) zien.
  11. Muchos ciudadanos no van a votar.
    Veel burgers gaan niet stemmen.
  12. Muchos ciudadanos no irán a votar.
    Veel burgers zullen niet gaan stemmen.
  13. ¿Dónde está Conchi?
    Waar is Conchi?
  14. Estará con su novio.
    Ze zal wel bij haar vriendje zijn.
  15. Después de la comida, visitaremos el casco antiguo de Ávila.
    Na de lunch bezoeken we de oude wijk van Avila.
  16. Durante la visita, veremos unos museos muy impresionantes.
    Tijdens het bezoek zullen we een aantal zeer indrukwekkende musea zien.
  17. Luego, tomaremos una copa en una de las terrazas en el centro.
    Daarna nemen we een drankje op een van de terrassen in het centrum.
  18. Al final de la tarde ustedes volverán al autobús y yo iré a buscar al otro grupo.
    In de late namiddag keert u terug naar de bus en ga ik de andere groep zoeken.
  19. Mañana yo estaré otra vez aquí y ustedes verán otros sitios.
    Morgen kom ik hier terug en zult u andere plekken zien.
  20. La semana que viene ustedes recibirán un formulario de evaluación por email.
    Volgende week ontvangt u een evaluatieformulier per e-mail.
  21. También les mandaremos nuestro folleto nuevo.
    We sturen (u) ook onze nieuwe brochure.
  22. Yo dejaré mis datos en la recepción de su hotel.
    Ik laat mijn gegevens achter bij de receptie van uw hotel.
  23. Mañana ella (tomar) tomará una decisión importante.
    Morgen zal zij een belangrijke beslissing nemen.
  24. Juan y Maricel (ir) irán de vacaciones a Turquía.
    Juan en Maricel zullen op vakantie gaan naar Turkije
  25. (decir) diré, dirás, dirá, diremos, diréis, dirán
    zeggen (futuro)
  26. (haber) habré, habrás, habrá, habremos, habréis, habrán
    hebben/zijn (hulpwerkwoord futuro)
  27. (hacer) haré, harás, hará, haremos, haréis, harán
    doen/maken (futuro)
  28. (poder) podré, podrás, podrá, podremos, podréis, podrán
    kunnen (futuro)
  29. (poner) pondré, pondrás, pondrá, pondremos, pondréis, pondrán
    zetten (futuro)
  30. (saber) sabré, sabrás, sabrá, sabremos, sabréis, sabrán
    weten (futuro)
  31. (salir) saldré, saldrás, saldrá, saldremos, saldréis, saldrán
    uitgaan, weggaan (futuro)
  32. (tener) tendré, tendrás, tendrá, tendremos, tendréis, tendrán
    hebben (futuro)
  33. (venir) vendré, vendrás, vendrá, vendremos, vendréis, vendrán
    komen (futuro)
  34. ¿Cuándo podrás visitarme, Laura? – No sé, quizás mañana por la noche.
    Wanneer zal je mij bezoeken, Laura? - Ik weet het niet, misschien morgenavond.
  35. ¿Cuántas habitaciones tiene el hotel? – No sé, habrá unas 50.
    Hoeveel kamers heeft het hotel? - Ik weet het niet, het zullen er ongeveer 50 zijn.
  36. ¿Usted vendrá solo o le acompaña su esposa?
    Komt u alleen of samen met uw vrouw?
  37. Pasado mañana te diremos si hemos comprado la casa o no.
    Overmorgen zullen we je vertellen of we het huis hebben gekocht of niet.
  38. ¿Qué habrá en la tele esta noche? Si hay una buena película no saldré.
    Komt er iets op de tv vanavond? Ja, het is een mooie film, ik zal niet uitgaan.
  39. Si quiero irme a Italia este verano tendré que ahorrar bastante.
    Als ik naar Italië wil gaan deze zomer, dan moet ik voldoende sparen.
  40. No hablaré con tu padre de nuestro secreto, te juro, no lo diré
    Ik zal niet met jouw vader praten over ons geheim, ik zweer het je, ik zal het niet zeggen
  41. Y vosotros, ¿qué haréis en Semana Santa? ¿Os quedaréis aquí?
    En jullie, wat gaan jullie met Pasen doen? Blijven jullie hier?
  42. ¿Qué tiempo hace ? / ¿Qué tal el tiempo ?
    Wat voor weer is het ?
  43. Hace buen tiempo.
    Het is mooi weer.
  44. Hace mal tiempo.
    Het is slecht weer
  45. Hace sol.
    Het is zonnig.
  46. Hace 18 grados.
    Het is 18 graden.
  47. Hace calor.
    Het is warm.
  48. Hace frío.
    Het is koud
  49. Hace mucho viento.
    Het waait hard.
  50. Está nublado.
    Het is bewolkt.
  51. Está despejado.
    Het is onbewolkt
  52. Llueve (llover).
    Het regent
  53. Nieva (nevar).
    Het sneeuwt.
  54. Las temperaturas subirán/ bajarán.
    De temperaturen zullen stijgen/ dalen.
  55. chubascos
    buien
  56. precipitaciones
    neerslag
  57. una ola de calor
    een hittegolf
  58. en el norte
    in het noorden
  59. en el sur
    in het zuiden
  60. en el este
    in het oosten
  61. en el oeste
    in het westen
  62. en el centro del país
    in het midden van het land
  63. ¿Hace mucho calor ?
    Is het erg warm?
  64. ¿Está nublado ?
    Is het bewolkt?
  65. ¿Lloverá ?
    Zal het regenen?
  66. ¿Ayer hizo frío ?
    Was het gisteren koud?
  67. ¿Cuántos grados hizo ayer ?
    Hoeveel graden was het gisteren?
  68. ¿Vives en el norte de Holanda?
    Woon je in het noorden van Nederland?
  69. ¿Dónde viviste hace 5 años ?
    Waar woonde je 5 jaar geleden?
  70. ¿Dónde estarás mañana a las 3 de la tarde ?
    Waar zal je morgenmiddag om 3 uur zijn?
  71. ¡Qué guay!
    Wat gaaf, wat ‘cool’ (pop.)
  72. ¡Vaya diferencia!
    Wat een verschil!
  73. ¿Te apetece venir?
    Heb je zin om te komen?
  74. acompañar
    meegaan, vergezellen
  75. ahorrar
    sparen
  76. cutre
    troosteloos, ‘shabby’ (pop.)
  77. dentro de 5 años
    over 5 jaar
  78. dentro de poco
    binnenkort
  79. el baúl
    de koffer, de kist
  80. el billete
    het kaartje, het ticket
  81. el casco antiguo
    het oude stadscentrum
  82. el castellano
    de Spaanse taal
  83. el clima
    het klimaat
  84. el teniente
    de luitenant
  85. El tren tiene retraso.
    De trein heeft vertraging.
  86. estar cansado
    moe zijn
  87. estar casado
    getrouwd zijn
  88. ir a votar
    gaan stemmen
  89. ir de marcha
    gaan stappen
  90. la autopista
    de snelweg
  91. la estación
    het station, het seizoen
  92. la marcha
    het uitgaansleven
  93. los datos
    de gegevens
  94. luminoso
    licht (t.o.v. donker)
  95. por si acaso
    voor het geval dat
  96. seguramente
    waarschijnlijk
  97. Sigue lloviendo.
    Het regent nog steeds.
  98. tener suerte
    geluk hebben
  99. un folleto
    een brochure

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview