Spaans A2 1-4 SP-NL.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
124160
Filename:
Spaans A2 1-4 SP-NL.txt
Updated:
2011-12-17 05:23:56
Tags:
Spaans A2 SP NL
Folders:

Description:
Spaans A2 1-4 SP-NL
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ¿Qué has hecho este sábado?
    Wat heb je gedaan deze zaterdag?
  2. ¿A qué hora te has levantado esta mañana?
    Hoe laat ben je vanochtend opgestaan?
  3. ¿Qué has comido hoy?
    Wat heb je vandaag gegeten?
  4. ¿A qué hora ha empezado la clase de español?
    Hoe laat is de spaanse les vandaag begonnen?
  5. ¿A qué hora acaba la clase?
    Hoe laat eindigt de les?
  6. ¿Cómo vuelves a casa después de la clase?
    Hoe ga je naar huis na de les?
  7. En mayo nos vamos de vacaciones a Barcelona
    In mei gaan we op vakantie naar Barcelona
  8. En agosto voy de excursión a Lisboa.
    In augustus ga ik op reis naar Lissabon
  9. Esta noche voy a preparar una paella valenciana.
    Vanavond ga ik een paella valencia maken
  10. Me gustaría leer la última novela de Bassie en Adriaan.
    Ik wil de laatste roman van Adriaan Bassie lezen.
  11. Los lunes por la mañana voy al gimnasio.
    Op maandagochend ga ik naar de sportschool
  12. Mañana abro una cuenta conjunta con mi pareja.
    Morgen open ik een gezamenlijke rekening met mijn partner.
  13. Hoy me acuesto temprano.
    Vandaag ga ik vroeg naar bed.
  14. ¿Cuándo me das el dinero?
    Wanneer geef je me het geld?
  15. Mañana te daré el dinero.
    Morgen zal ik je het geld geven.
  16. ¿El tren todavía no ha llegado?
    Is de trein is nog niet aangekomen?
  17. ¿Qué hay en el baúl?
    Wat zit er in de koffer?
  18. ¿Qué ha pasado?
    Wat is er gebeurd?
  19. Alejandro es teniente en el ejército español y no gana mucho.
    Alejandro is luitenant in het Spaanse leger en verdient niet veel.
  20. Yo estudio en Amsterdam y tengo mucho tiempo libre.
    Ik studeer in Amsterdam en ik heb veel vrije tijd.
  21. Rosa es soltera y cada viernes va de marcha con sus amigas.
    Rosa is single en gaat elke vrijdag met haar vriendinnen stappen
  22. Estoy muy cansado.
    Ik ben heel moe.
  23. Mañana estaré muy cansado.
    Morgen zal ik (wel) heel moe zijn.
  24. Tienes mucha suerte.
    Je hebt veel geluk.
  25. Tendrás mucha suerte.
    Je zult veel geluk hebben.
  26. Habla bien el castellano.
    Hij/ zij/ u spreekt goed Spaans.
  27. Hablará bien el castellano.
    Hij/ zij/ u zal/zult (wel) goed Spaans spreken.
  28. Comemos en un restaurante vasco.
    We eten in een Baskisch restaurant.
  29. Esta tarde comeremos en un restaurante vasco.
    Vanmiddag zullen we in een Baskisch restaurant eten.
  30. ¿Veis la diferencia ?
    Zien jullie het verschil ?
  31. Ya veréis la diferencia.
    Jullie zullen het verschil (wel) zien.
  32. Muchos ciudadanos no van a votar.
    Veel burgers gaan niet stemmen.
  33. Muchos ciudadanos no irán a votar.
    Veel burgers zullen niet gaan stemmen.
  34. ¿Dónde está Conchi?
    Waar is Conchi?
  35. Estará con su novio.
    Ze zal wel bij haar vriendje zijn.
  36. Después de la comida, visitaremos el casco antiguo de Ávila.
    Na de lunch bezoeken we de oude wijk van Avila.
  37. Durante la visita, veremos unos museos muy impresionantes.
    Tijdens het bezoek zullen we een aantal zeer indrukwekkende musea zien.
  38. Luego, tomaremos una copa en una de las terrazas en el centro.
    Daarna nemen we een drankje op een van de terrassen in het centrum.
  39. Al final de la tarde ustedes volverán al autobús y yo iré a buscar al otro grupo.
    In de late namiddag keert u terug naar de bus en ga ik de andere groep zoeken.
  40. Mañana yo estaré otra vez aquí y ustedes verán otros sitios.
    Morgen kom ik hier terug en zult u andere plekken zien.
  41. La semana que viene ustedes recibirán un formulario de evaluación por email.
    Volgende week ontvangt u een evaluatieformulier per e-mail.
  42. También les mandaremos nuestro folleto nuevo.
    We sturen (u) ook onze nieuwe brochure.
  43. Yo dejaré mis datos en la recepción de su hotel.
    Ik laat mijn gegevens achter bij de receptie van uw hotel.
  44. Mañana ella (tomar) tomará una decisión importante.
    Morgen zal zij een belangrijke beslissing nemen.
  45. Juan y Maricel (ir) irán de vacaciones a Turquía.
    Juan en Maricel zullen op vakantie gaan naar Turkije
  46. (decir) diré, dirás, dirá, diremos, diréis, dirán
    zeggen (futuro)
  47. (haber) habré, habrás, habrá, habremos, habréis, habrán
    hebben/zijn (hulpwerkwoord futuro)
  48. (hacer) haré, harás, hará, haremos, haréis, harán
    doen/maken (futuro)
  49. (poder) podré, podrás, podrá, podremos, podréis, podrán
    kunnen (futuro)
  50. (poner) pondré, pondrás, pondrá, pondremos, pondréis, pondrán
    zetten (futuro)
  51. (saber) sabré, sabrás, sabrá, sabremos, sabréis, sabrán
    weten (futuro)
  52. (salir) saldré, saldrás, saldrá, saldremos, saldréis, saldrán
    uitgaan, weggaan (futuro)
  53. (tener) tendré, tendrás, tendrá, tendremos, tendréis, tendrán
    hebben (futuro)
  54. (venir) vendré, vendrás, vendrá, vendremos, vendréis, vendrán
    komen (futuro)
  55. ¿Cuándo podrás visitarme, Laura? – No sé, quizás mañana por la noche.
    Wanneer zal je mij bezoeken, Laura? - Ik weet het niet, misschien morgenavond.
  56. ¿Cuántas habitaciones tiene el hotel? – No sé, habrá unas 50.
    Hoeveel kamers heeft het hotel? - Ik weet het niet, het zullen er ongeveer 50 zijn.
  57. ¿Usted vendrá solo o le acompaña su esposa?
    Komt u alleen of samen met uw vrouw?
  58. Pasado mañana te diremos si hemos comprado la casa o no.
    Overmorgen zullen we je vertellen of we het huis hebben gekocht of niet.
  59. ¿Qué habrá en la tele esta noche? Si hay una buena película no saldré.
    Komt er iets op de tv vanavond? Ja, het is een mooie film, ik zal niet uitgaan.
  60. Si quiero irme a Italia este verano tendré que ahorrar bastante.
    Als ik naar Italië wil gaan deze zomer, dan moet ik voldoende sparen.
  61. No hablaré con tu padre de nuestro secreto, te juro, no lo diré
    Ik zal niet met jouw vader praten over ons geheim, ik zweer het je, ik zal het niet zeggen
  62. Y vosotros, ¿qué haréis en Semana Santa? ¿Os quedaréis aquí?
    En jullie, wat gaan jullie met Pasen doen? Blijven jullie hier?
  63. ¿Qué tiempo hace ? / ¿Qué tal el tiempo ?
    Wat voor weer is het ?
  64. Hace buen tiempo.
    Het is mooi weer.
  65. Hace mal tiempo.
    Het is slecht weer
  66. Hace sol.
    Het is zonnig.
  67. Hace 18 grados.
    Het is 18 graden.
  68. Hace calor.
    Het is warm.
  69. Hace frío.
    Het is koud
  70. Hace mucho viento.
    Het waait hard.
  71. Está nublado.
    Het is bewolkt.
  72. Está despejado.
    Het is onbewolkt
  73. Llueve (llover).
    Het regent
  74. Nieva (nevar).
    Het sneeuwt.
  75. Las temperaturas subirán/ bajarán.
    De temperaturen zullen stijgen/ dalen.
  76. chubascos
    buien
  77. precipitaciones
    neerslag
  78. una ola de calor
    een hittegolf
  79. en el norte
    in het noorden
  80. en el sur
    in het zuiden
  81. en el este
    in het oosten
  82. en el oeste
    in het westen
  83. en el centro del país
    in het midden van het land
  84. ¿Hace mucho calor ?
    Is het erg warm?
  85. ¿Está nublado ?
    Is het bewolkt?
  86. ¿Lloverá ?
    Zal het regenen?
  87. ¿Ayer hizo frío ?
    Was het gisteren koud?
  88. ¿Cuántos grados hizo ayer ?
    Hoeveel graden was het gisteren?
  89. ¿Vives en el norte de Holanda?
    Woon je in het noorden van Nederland?
  90. ¿Dónde viviste hace 5 años ?
    Waar woonde je 5 jaar geleden?
  91. ¿Dónde estarás mañana a las 3 de la tarde ?
    Waar zal je morgenmiddag om 3 uur zijn?
  92. ¡Qué guay!
    Wat gaaf, wat ‘cool’ (pop.)
  93. ¡Vaya diferencia!
    Wat een verschil!
  94. ¿Te apetece venir?
    Heb je zin om te komen?
  95. acompañar
    meegaan, vergezellen
  96. ahorrar
    sparen
  97. cutre
    troosteloos, ‘shabby’ (pop.)
  98. dentro de 5 años
    over 5 jaar
  99. dentro de poco
    binnenkort
  100. el baúl
    de koffer, de kist
  101. el billete
    het kaartje, het ticket
  102. el casco antiguo
    het oude stadscentrum
  103. el castellano
    de Spaanse taal
  104. el clima
    het klimaat
  105. el teniente
    de luitenant
  106. El tren tiene retraso.
    De trein heeft vertraging.
  107. estar cansado
    moe zijn
  108. estar casado
    getrouwd zijn
  109. ir a votar
    gaan stemmen
  110. ir de marcha
    gaan stappen
  111. la autopista
    de snelweg
  112. la estación
    het station, het seizoen
  113. la marcha
    het uitgaansleven
  114. los datos
    de gegevens
  115. luminoso
    licht (t.o.v. donker)
  116. por si acaso
    voor het geval dat
  117. seguramente
    waarschijnlijk
  118. Sigue lloviendo.
    Het regent nog steeds.
  119. tener suerte
    geluk hebben
  120. un folleto
    een brochure
  121. Esta mañana ha nacido nuestra hija. Se llama Lucía, como su abuela.
    Deze morgen is onze dochter geboren. Ze heet Lucía, net als als haar oma
  122. Nosotros nos hemos trasladado al campo porque es más tranquilo que la ciudad.
    Wij zijn verhuisd naar het platteland, omdat het er rustiger is dan de stad.
  123. Hoy, en el ayuntamiento de Madrid, se han casado Bassie y Adriaan
    Vandaag, in het gemeentehuis van Madrid, zijn Bassie en Adriaan getrouwd
  124. ¿Por qué (tú) no has venido a mi fiesta?
    Waarom ben je niet op mijn feestje gekomen?
  125. Yo he tenido mucha suerte, ¿no crees?
    Ik heb veel geluk gehad, he?
  126. Nuestro gato ha muerto de vejez.
    Onze kat isvan ouderdom gestorven
  127. La película ya ha empezado, ustedes ya no pueden entrar.
    De film is al begonnen, kunt u niet meer binnengaan
  128. En la fiesta,todos nosotros bailamos la salsa.
    Op het feest, dansten we allemaal de salsa.
  129. Yo vi un sitio para aparcar el coche.
    Ik zag een plek om de auto te parkeren.
  130. ¿Por qué no compraste ese jersey tan bonito?
    Waarom kocht je deze mooie trui niet?
  131. El perro empezó a ladrar cuando entró el cartero en el jardín.
    De hond begon te blaffen toen de postbode in de tuin kwam.
  132. Juan vendió su coche en agosto y se compró otro en enero.
    John verkocht zijn auto in augustus en kocht er een in januari.
  133. ¿Cuándo usted habló con nuestra secretaria?
    Wanneer sprak u met onze secretaresse?
  134. Pues, hablé con ella ayer por la tarde.
    Nou, ik sprak haar gisteren middag.
  135. Mis abuelos vivieron sólo tres meses en Francia, después volvieron a España.
    Mijn grootouders woonden slechts drie maanden in Frankrijk, daarna keerden zij terug naar Spanje.
  136. ¿Cuántos años trabajaste en el hotel Sofitel?
    Hoeveel jaar werkte je bij het ​​Sofitel?
  137. Ayer empecé a trabajar como un loco.
    Gisteren werkte is als een gek.
  138. ¿Cuánto tiempo vivisteis en Jaca?
    Hoe lang woonde je in Jaca?
  139. Mis padres vendieron la casa en 2002.
    Mijn ouders verkochten het huis in 2002
  140. ¿A qué hora salisteis de casa?
    Hoe laat verliet je het huis?
  141. Después de la reunión, el jefe discutió con la secretaria.
    Na de vergadering, overlgegde de chef met de secretaresse
  142. ¿Cuando se construyó el Alhambra?
    Wanneer bouwden ze het Alhambra?
  143. Anoche pasamos por tu casa.
    Gisteravondpasseerden we je huis.
  144. ¿Por qué no bailaste en la fiesta de Juan?
    Waarom danste je niet op het feest van Juan?
  145. Jugaron al baloncesto hasta las 3.
    Ze speelden basketbal tot 3 uur
  146. ¿Qué pediste en el restaurante?
    Wat bestelde je in het restaurant?
  147. Pedí una ración de gambas.
    Ik bestelde een bord garnalen.
  148. ¿Adónde fuiste a bailar?
    Waar ging je dansen?
  149. ¿Qué dijo el profesor cuando llegaste tarde?
    Wat zei de leeraar toe je te laat kwam?
  150. ¿Por qué volvisteis a casa?
    Waarom gingen jullie naar huis?
  151. ¿Qué hiciste cuando llegaste?
    Wat heb je gedaan toen je aankwam?
  152. ¿Dónde conseguiste la tableta?
    Waar kreeg je de tablet?
  153. ¿Por qué estás enfadado con tu hermana?
    Waarom was je boos op je zus?
  154. ¿Qué hiciste?
    Wat deed je?
  155. ¿Adónde fueron tus hijos?
    Waar waren je kinderen?
  156. ¿Dónde compraste los zapatos/ las botas que llevas?
    Waar kocht je de schoenen/laarzen?
  157. ¿A quién le enviaste tu último sms?
    Wie stuurde je je laatste sms?
  158. ¿Cuándo fuiste por última vez al cine y qué película viste?
    Wanneer ging je de laatste naar de bioscoop en welke film zag je?
  159. ¿Dónde y cuándo conociste a tu mejor amigo/amiga?
    Waar en wanneer ontmoette je je beste vriend(in)?
  160. En el colegio, ¿quién fue el mejor alumno de tu clase?
    Op school, die was de beste leerling in je klas?
  161. acabar (-se)
    stoppen, eindigen
  162. anoche
    gisteravond
  163. anteayer
    eergisteren
  164. aparcar
    parkeren
  165. ayer por la tarde
    gistermiddag
  166. casarse
    trouwen
  167. comenzar (comienzo)/ empezar (empiezo)
    beginnen
  168. conseguir (consigo)
    vinden, erin slagen
  169. cuidar de
    zorgen voor
  170. dar una vuela (doy)
    een wandelingetje maken
  171. decidir
    besluiten
  172. dedicarse a
    zich bezighouden met
  173. el ayuntamiento
    het stadhuis
  174. el campo
    het platteland
  175. el cartero
    de postbode
  176. el gato
    de kat
  177. el perro
    de hond
  178. el pintor
    de schilder
  179. estar enfadado con
    boos zijn op
  180. hace mucho (tiempo) que
    (het is) lang geleden (dat)
  181. hace poco
    pas, onlangs
  182. hace un mes
    een maand geleden
  183. hace unos días
    een paar dagen geleden
  184. hasta que
    totdat
  185. la educación
    de opvoeding
  186. la empresa
    het bedrijf
  187. la herencia
    de erfenis
  188. la influencia
    de invloed
  189. la postal
    het (ansicht-) kaartje
  190. la semana pasada
    vorige week
  191. la suerte
    het geluk
  192. la tableta
    de tablet computer
  193. la vejez
    de ouderdom
  194. mejor
    beter, best
  195. morir (muero)
    sterven
  196. nacer
    geboren worden
  197. por supuesto
    uiteraard
  198. romper
    kapotmaken
  199. tener ganas de
    zin hebben om
  200. trasladarse
    verhuizen
  201. un salón de belleza
    een schoonheidssalon
  202. un taller
    een workshop, atelier
  203. una entrevista de trabajo
    een sollicitatiegesprek
  204. ya no
    niet meer
  205. Creo que he bebido demasiado, me duele mucho la cabeza
    Ik denk dat ik te veel gedronken heb, mijn hoofd doet pijn
  206. Ana se ha quitado sus pendientes porque le duelen las orejas
    Ana heeft haar oorbellen uitgedaan omdat haar oren pijn deden
  207. Después de tocar el piano por dos horas, a Pilar le duelen los dedos
    Na het spelen van de piano voor twee uur, doen Pilar's vingers pijn
  208. He corrido 10 kilómetros, así que ahora me duelen las piernas
    Ik heb 10 kilometer gerend, zodat mijn benen nu pijn doen
  209. No me gusta mucho mi cama, cada mañana me levanto con un dolor de espalda
    Ik houd niet van mijn bed, elke ochtend word ik wakker met pijn in de rug
  210. A Kevin le duele la barriga porque ha comido un plato muy picante.
    Kevin heeft pijn in zijn buik omdat hij een pittig gerecht gegeten heeft
  211. Antonio ha jugado al tenis tres horas así que ahora le duele el brazo
    Antonio heeft drie uur tennis gespeeld zodat hij nu pijn aan zijn arm heeft
  212. Después de estar en Facebook por más de 3 horas, a Ruth le duelen los ojos
    Na meer dan drie uur op faceboek te zijn geweest, heeft Ruth pijn aan haar ogen
  213. Este vestido no me gusta, parezco más gorda de lo que soy.
    Ik houd niet van deze jurk, ik lijk dikker dan ik ben.
  214. ¿Puedes hablar más alto? Es que (yo) no te oigo bien.
    Kun je luider spreken? Ik kan je niet goed horen
  215. Nosotros no conocemos bien esta ciudad y la verdad, no nos parece muy bonita.
    We kennen deze stad niet goed, en inderdaad, we vinden hem niet erg mooi.
  216. Señoras y señores, ¿me oyen bien? Es que no tengo micrófono.
    Dames en heren, hoort u mij goed? Ik heb geen microfoon.
  217. Ay, ¡casi me caigo! – Sí, ¿no ves que el suelo está mojado?
    Oh, ik viel bijna! - Ja, zie je niet dat de vloer nat is?
  218. acostarse (me acuesto)
    gaan slapen
  219. así que
    zodat
  220. asustarse
    schrikken
  221. atracar
    aanvallen, overvallen
  222. aunque
    hoewel
  223. bajar la música
    de muziek zachter zetten
  224. caerse (me caigo)
    vallen
  225. cerrar (cierro)
    sluiten, dichtdoen
  226. coger (cojo)
    pakken, nemen
  227. conocer (conozco)
    kennen
  228. contar (cuento)
    (ver-)tellen
  229. demasiado
    te(veel)
  230. dormir (duermo)
    slapen
  231. el brazo
    de arm
  232. el carnet de conducir
    het rijbewijs
  233. el hombro
    de schouder
  234. el pie
    de voet
  235. El suelo está mojado.
    De vloer is nat.
  236. la barriga
    de buik
  237. la boca
    de mond
  238. la cabeza
    het hoofd
  239. la espalda
    de rug
  240. la mano
    de hand
  241. la mochila
    de rugzak
  242. la nariz
    de neus
  243. la oreja
    het oor
  244. la pierna
    het been
  245. la rodilla
    de knie
  246. los dedos
    de vingers
  247. los ojos
    de ogen
  248. oír (oigo)
    horen
  249. parecer (parezco)
    lijken
  250. pedir (pido)
    vragen om, verzoeken om
  251. perder (pierdo)
    verliezen
  252. picante
    pittig
  253. recomendar (recomiendo)
    aanbevelen
  254. robar
    stelen
  255. sin embargo
    echter
  256. suspender
    zakken (bv voor een examen)
  257. traer (traigo)
    brengen
  258. un intercambio
    een uitwisseling (bv van studenten)
  259. un plato
    een bord, een gerecht

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview