pp.txt

Card Set Information

Author:
demchar
ID:
125357
Filename:
pp.txt
Updated:
2011-12-30 04:00:07
Tags:
PP
Folders:

Description:
PP
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user demchar on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Hyperkinesie
    Overdreven snelheid of intensiteit van beweging
  2. Hyptertonie
    Teveel aan spierspanning
  3. Rusteloosheid
    Toename van niet-doelgerichte handelingen of bewegingen
  4. Agitatie
    Extreme vorm van rusteloosheid
  5. Acathisie
    Onvermogen enige tijd in dezelfde houding te blijven
  6. Convulsies
    Stuiptrekkingen
  7. Bradykinesie
    Vertraagde beweging
  8. Hypokinesie
    Geringe beweging
  9. Akinesie
    Afwezige beweging
  10. Hypotonie
    Verminderde spierspanning
  11. Stupor
    Bijzondere combinatie van akinesie en mutatie
  12. Kataplexie
    Plotselinge vermindering van spierspanning _ ongewild en onverwacht zakken door benen
  13. Dwangstoornis
    Bepaalde handelingen ettelijke malen herhalen op een geritualiseerde wijze
  14. Katatone schizofrenen
    Vertonen algemene bradykinesie, bizarre houdingen, stereotiepe bewegingen of grimassen
  15. Katalepsie of wasachtige buigzaamheid
    Lange tijd in een bepaalde houding kunnen geplaatst worden, als een standbeeld
  16. Motorische conversiestoornissen
    Opvallende veranderingen in spierfuncties zonder somatische oorzaak
  17. Maniërisme
    Gebaren, houdingen of bewegingen die overmatig gestileerd of gekunsteld zijn
  18. Echopraxie of echokinesie
    Geautomatiseerde nabootsend bewegen of het imiterend herhalen van andermans houding, gebaren of mimiek (echomimie)
  19. Apraxie
    Het onvermogen gerichte handelingen of gecoördineerde bewegingen uit te voeren (verwijst meestal naar een hersenletsel)
  20. Afasieën
    Specifieke defecten in bepaalde hersendelen die een rol spelen bij spraak
  21. Logorroe
    Progressie of verloop van spreken is versneld
  22. Bradyfasie
    Progressie of verloop van spreken is vertraagd
  23. Stotteren, hortend of stotend spreken
    Progressie of verloop van spreken is gedeeltelijk geremd
  24. Mutisme
    Progressie of verloop van spreken is volledig geblokkeerd
  25. Afonie
    Persoon doet de moeite om te praten, maar kan weinig stemgeluid voortbrengen
  26. Vorbeideren of ganser-syndroom
    Naast het onderwerp praten of telkens verkeerd antwoorden
  27. Neologisme of parafrasie
    Gebruik maken van zelfgeconstrueerde woorden die anderen niet begrijpen
  28. Wortsalat of incoherente spraak
    Allerlei woorden zonder enig verband door elkaar gooien
  29. Verbaal maniërisme
    Spraak die onnodig wijdlopig, overdreven gedetailleerd of overmatig gestileerd of geknutseld zijn
  30. Perseveratie
    Voortdurend herhalen van dezelfde zinnen of woorden
  31. Echolalie of echofrasie
    Herhalen wat iemand anders zegt
  32. Verhoogd bewustzijn
    Een grotere dan normale openheid voor indrukken van buitenaf en/of eigen ervaringen
  33. Beneveling of schemertoestand
    Persoon voelt zich suf, wazig, doezelig, ... zoals in een droom
  34. Somnolentie
    De persoon is slaperig en moet moeite doen om wakker te blijven
  35. Sopor
    Soort slaaptoestand waaruit de persoon slechts met sterke prikkels kan worden gewekt
  36. Subcoma of precoma
    Bewustzijnsverlies waarbij de persoon niet kan worden gewekt en geen peesreflexen meer toont, maar wel reageert op licht en prikkels
  37. Coma
    Hoogste graad van bewustzijnsverlies waarbij er geen reactie meer is op licht- en pijnprikkels
  38. Syncope of collaps
    Flauwvallen
  39. Afwezig zijn
    Niet betrokken met de actuele gebeurtenissen in de omgeving (meestal stoornis in aandacht)
  40. Bewustzijnsverruiming
    • Een grotere diversiteit dan het normale gamma aan prikkels wordt geregistreerd door het
    • individu
  41. Bewustzijnsvernauwing
    Het individu lijkt alleen maar te reageren op of open te staan voor een bepaalde selectie van prikkels
  42. Continuüm
    Een lichte vertroebeling tot ernstige verwarring of destructurering van bewustzijn
  43. Delirium
    Ernstige vorm van destructurering
  44. Chronologische oriëntatie
    Oriëntatie in de tijd
  45. Topografische oriëntatie
    Oriëntatie in de ruimte
  46. Interpersoonlijke oriëntatie
    Oriëntatie op vlak van zichzelf en andere mensen
  47. Desoriëntatie
    • Bepaald door aandacht en helderheid van bewustzijn, berust op de waarneming en geheugen
    • kan worden beïnvloed door stemmingen en emoties
  48. Stoornissen in ik-vitaliteit
    Het vanzelfsprekend besef van te leven, met lichaam en geest te bestaan
  49. Stoornissen in de ik-activiteit
    Het besef zelf een spontane actor te zijn van eigen handelen, denken en voelen
  50. Stoornissen in de ik-consistentie
    Het zichzelf als een samenhangend geheel te ervaren
  51. Stoornissen in de ik-afgrenzing
    Het vermogen een onderscheid te maken tussen ik en niet-ik
  52. Stoornissen in de ik-identiteit
    Het besef gedurende alle levenstaken constant en continu in de tijd steeds dezelfde persoon te blijven en als zodanig herkend te worden door anderen
  53. Somatische wanen
    Bizarre belevingen van vervreemding of aantasting van het lichaam
  54. Hypochondor
    Overmatig gefixeerd zijn met een vervreemd lichaamsorgaan
  55. Psychosomatische ziekten
    Fixatie op bepaalde lichamelijke ziekten
  56. Anorexia nervosa
    Enorm verstoord lichaamsbeeld
  57. Dysmorfofobie
    Irreële angst of irrationele overtuiging fysiek misvormd te zijn
  58. Agnosieën
    Koppeling tussen een bepaald percept en zijn betekenis is verloren, men wordt dus sensorische stimuli gewaar die zinloze percepten zijn
  59. Hyperesthesie
    Verhoogde gevoeligheid voor prikkelgewaarwording
  60. Hypesthesie
    Verlaagde gevoeligheid voor prikkelgewaarwording
  61. Anesthesie
    Afwezige gevoeligheid voor prikkelgewaarwording
  62. Hyperesthetisch emotioneel syndroom
    Overspanningssyndroom dat gekenmerkt wordt door ongewone vermoeidheid en overdreven gevoeligheid in ruime zin
  63. Paresthesie
    Onaangemane tactiele sensaties
  64. Micropsie
    Waarnemen van dingen als verkleind
  65. Macropsie
    Waarnemen van dingen als vergroot
  66. Synesthesie
    Bepaalde sensaties ien één sensorisch kanaal gaan vergezeld met gewaarwording in een ander kanaal dat niet rechtstreeks geprikkeld wordt
  67. Illusies
    Bij een reëel waarnemingsobject worden de meest relevante kenmerken als correct herkend, maar er worden andere eigenschappen toegevoegd die het object niet bezit.
  68. Waanwaarneming
    Percept aanwezig, verkeerde interpretatie, geen zelfcorrectie
  69. Collectieve illusies
    Als een hele groep iets meent te herkennen
  70. Hallucinatie
    Percept is aanwezig, maar er is geen zelfcorrectie
  71. Fantoompijn
    Pijn aan een onderdeel van het lichaam dat niet meer aanwezig is
  72. Heautoscopie
    Men meent zijn eigen lichaam (geheel of gedeeltelijk) buiten zichzelf te ervaren
  73. Dubbelganger
    Men meent in een ander de dubbelganger van zichzelf te zien
  74. Syndroom van Capgras
    Een andere persoon niet voor echt aanzien, maar als een dubbelganger
  75. Hallucinose
    Bepaalde toestand wordt gekenmerkt door overvloedig hallucineren
  76. Neologismen
    Gebruiken van zelfgecreëerde woorden
  77. Privaatsymboliek
    Nieuwe betekenissen voor bestaande woorden
  78. Concretisch denken
    Men kan niet abstraheren en abstracte begrippen worden slechts concreet begrepen
  79. Prelogisch, archaïsch, primair denkproces
    Volwassen die als kinderen denken, dit komt tot uiting in overvloedig fantaseren of magisch taalgebruik
  80. Autistisch denken
    Nauwelijks of geheel geen rekening houden met de omgevingsrealiteit, mar lijkt de betrokkene zich in een eigen in te kapselen
  81. Irrationeel denken
    Wanneer het op een onlogisch denkproces berust of wanneer de redenering niet wordt getoetst op grond van gangbare redelijkheid of gezond verstand
  82. Overgeneralisering
    Grenzen van de logica worden overschreven door grove veralgemeniseringen
  83. Overinclusief denken
    Irrelevante gedachteassociatie
  84. Ideeënvlucht
    Gedachtegang is versneld
  85. Versperring, obstructie, inhibitie
    Verstoring van de gedachtengang
  86. Perseveratie
    Bepaalde gedachten worden vak herhaald zonder enig bewust doel
  87. Incoherentie of chaotisch denken
    Samenhang dat voor de buitenstander niet meer te begrijpen is
  88. Associatief denken
    Denken met allerlei onverwachte of rare gedachtensprongen waarbij wel enig verband tussen de ideeën lijkt te bestaan, maar dit berust vaak op bijkomstige of toevallige overeenkomsten of gelijkenissen tussen gedachte-inhouden
  89. Obsessie
    Dwanggedachten, ideeën of voorstellingen die zich als dwingend (tegen bewust verzet in) en storend in het normale bewustzijn voortdoen. Ze lijken van binnenuit aan de persoon op te dringen, maar worden als egodystoon (ik-vreemd) ervaren en als absurd of irrationeel beoordeeld
  90. Rumineren
    Voortdurend moeten denken aan bepaalde dingen
  91. Twijfelzucht
    Het niet in staat zijn tot een keuze of beslissing
  92. Compulsies
    Dwanghandelingen
  93. Dwangrituelen
    Dwanghandelingen met ritueel karakter en waarbij men de irrationele vrees heeft dat er anders een onheil kan geschieden als men dit niet doet
  94. Overwaardig idee
    • Overdreven mentale preoccupatie die als egosyntoon (eigen van de ik) en van bijzondere affectie betekenis voor de betrokkene zelf wordt ervaren.
    • De gedachte-inhoud wordt als gerechtvaardigd beschouwd (itt dwangidee) en wordt als belangrijk herkend (itt wanen)
    • Overwaardig wijst erop dat men een overdreven waarde hecht aan een opvatting
  95. Dysmorfofobie
    Overtuiging misvormd te zijn zonder dat dit een waanachtig karakter heeft
  96. Wanen
    • Oncorrigeerbare foutieve overtuigingen:
    • Opvattingen die duidelijk in strijd zijn met objectieve realiteit
    • Maar worden door de betrokkene als absolute zekerheid of onwrikbare waarheid verdedigd
    • Zonder dat de inhoud van dit geloof een cultuurgoed van een grotere groep of gemeenschap is
    •  de overtuiging is idiosyncratisch of particulier (enkel de persoon zelf gelooft in de waarheid)
  97. Waanachtig idee
    Een niet volstrekt zekerheidsbeleven of onwrikbare overtuiging en dus de persoon de twijfel over de opvatting kan toegeven
  98. Omnipotentie
    Grootheid, almacht
  99. Nihilisme, syndroom van Cotard
    Ontkenning van eigen bestaan of overtuiging niets waard te zijn
  100. Hypochondrische of somatische wanen
    Misvorming of vreemd voorwerp in lichaam
  101. Olfactory reference syndrome
    Idee een storende geur te verspreiden
  102. Paranoïde wanen
    Achtervolging, vervolging, vergiftiging
  103. Querulantenwaan
    Benadeling door anderen
  104. Betrekkingswaan
    Beïnvloeding door personen of omstandigheden
  105. Erotomanie
    Idee dat ander verliefd op betrokkene is
  106. Ontrouw- of jaloeziewaan
    Overtuiging dat partner ontrouw is
  107. Hypermnesie
    Geheugen toegenomen
  108. Amnesie
    Verminderd tot afwezigheid geheugen
  109. Organische geheugenstoornis
    Voornamelijk defect in registratie en retentie
  110. Psychogene amnesie
    Defect in reproductie
  111. Anterograde amnesie
    Feiten die na het trauma/voorval optreden
  112. Reterograde amnesie
    Feiten die voor het trauma/voorval optreden
  113. Paramnesie of dysmnesie
    Het formeel geheugen dat vervormd is
  114. Retrospectieve falsificatie of geheugenvervalsing
    Toevoegen van onjuiste elementen aan een overigens goede herinnering
  115. Confabulatie
    Het volledig verzinnen van voorbije gebeurtenissen om een geheugengat te vullen
  116. Positieve misidentificatie
    Een onbekende persoon of een onbekend voorwerp herkennen
  117. Negatieve misidentificaite
    Een bekend persoon of bekende situatie niet herkennen
  118. Karsnacov-syndroom
    Na jaren alcoholmisbruik waardoor ze dingen niet meer kunnen inprenten en gaan confabulatie gebruiken om het te verstoppen
  119. Overaffectiviteit
    Een te grote gevoeligheid voor stemmingen en emoties blijkt voor uit sterke schommelingen of een volgens sociale normen onbeheerst uiten van gevoelens (affectincontinentie)
  120. Onderaffectiviteit
    Verminderde affectieve gevoeligheid, de gevoelsarmoede of complete affectieve gevoelloosheid (apahtie)
  121. Anhedonie
    Niet in staat zijn plezier te beleven
  122. Alexithymie
    Moeilijkheid om eigen gevoelens te onderkennen en uit te drukken
  123. Affectverstarring
    Fixatie op bepaalde stemmingen of emoties
  124. Ambivalentie
    Situatie wordt aangevoeld als beladen met tegenstrijdige affecten
  125. Disharmonie of disassociatie
    Tegenstrijdigheid tussen inhoud en vorm van gevoelensexpressie
  126. Belle indifférence
    Een emotioneel beladen thema wordt onbewogen of met een glimlach verteld
  127. Affectdiscordantie
    Een bepaald affect totaal inadequaat tov een bepaalde situatie
  128. Abnormale opgewektheid of euforie
    Verlies aan nuchtere, rationele beoordeling van de realiteit; overdreven zelfzekerheid en ongebreidelde activiteitsgedrag
  129. Extase
    Euforie gepaard met tranceachtige bewustzijnsvernauwing
  130. Exaltatie
    Combinatie van euforie met een sterke opwinding
  131. Geconcretiseerde angst
    Vrees (dat een concrete inhoud heeft of gekoppeld is aan een bepaald object)
  132. Fobie
    Overdreven en irreële vrees met een specifieke inhoud
  133. Paniek
    Een plotseling, aanvalgewijs optreden van angst en dat gepaard gaat met hevige fysiologische verschijnselen en sterke verstoring van de cognitieve functies
  134. Depressiviteit of neerslachtigheid
    Chronisch negatieve gevoelens hebben
  135. Rouw
    Geval van verdriet of droefheid na verlies van een belangrijk persoon of object
  136. Boosheid
    Agressieve impulsen of destructieve neiging tov personen of objecten
  137. Ontstemming
    Mengeling van milde depressiviteit en boosheid
  138. Drift
    • Psychische fenomenen die biologisch verankerd zijn
    • Worden beleefd als niet volledig bewuste krachten (drang, impuls)
    • Stuurt het handelen in een richting vanuit een ervaren spanningsonlust met de verwachting
    • (begeerte) van een ontspanningslust of bevrediging wanneer men eraan toegeeft
    • Kan bewust en willekeurig worden gereguleerd
    •  krijgt het karakter van een wens, verlangen waarin de cognitieve controle van het gedrag centraal stelt
  139. Drang
    • Vaak aangeduid met achtervoegsel –zucht of –manie
    • Impulsief karakter
    • Weinig of geen weerstand voor de onbedwingbare neiging
    • Gericht op directe lustbevrediging
    • Bv. Stoornissen in impulscontrole
    •  vaak uitgevoerde handelingen = verslaving
  140. Dwang
    • Obsessies, compulsief
    • Wordt beleven als gedwongen, maar er is besef dat het belachelijk is
    • Geen genot, enkel voor vermindering onaangenaam gevoel
    • Bv. dwanghandelingen, dwanggedachten

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview