latijnwoorden.txt

Home > Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards.


  1. instituo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    institui, institutus (instituĕre) - instellen, beginnen
  2. saevitia
    wreedheid, woestheid
  3. numen, gen. (geslacht)
    numinis (onz.) - goddelijke macht
  4. sequor, perf. (inf.)
    secutus sum (sequi) - volgen
  5. ingredior, perf. (inf.)
    • ingressus sum (ingredi) - binnengaan
    • lopen
    • beginnen
  6. conor, perf. (inf.)
    conatus sum (conari) - proberen
  7. utor, perf. (inf.) + welke naamval?
    usus sum (uti) + abl. - gebruiken
  8. reor, perf. (inf.)
    ratus sum (reri) - menen
  9. seco (inf.)
    (secare) - snijden
  10. vito (inf.)
    (vitare) - vermijden
  11. item
    eveneens, evenzo
  12. aureus
    gouden, van goud
  13. immitto, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • immisi, immissus (immittĕre) - erop afsturen
    • laten gaan
  14. talis...qualis
    zo(danig) ... als
  15. impono, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    imposui, impositus (imponĕre) - leggen op, plaatsen op
  16. trepidus
    angstig, zenuwachtig
  17. orior, perf. (inf.)
    • ortus sum (oriri) - ontstaan, beginnen
    • opstaan, opkomen (van de zon)
  18. casus, gen.
    • casus - val
    • voorval, geval
    • ongeval
  19. obvius
    tegemoet(komend), tegenkomend
  20. pecunia
    geld
  21. agnosco, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • agnovi, agnitus (agnoscĕre) - herkennen
    • erkennen
  22. praemium
    beloning, prijs
  23. patior, perf. (inf.)
    • passus sum (pati) - verdragen, dulden
    • toelaten
  24. loquor, perf. (inf.)
    locutus sum (loqui) - spreken
  25. decem (onverbuigbaar)
    tien
  26. forte (bijw.)
    toevallig
  27. sententia
    mening
  28. mereo, perf., participia passief van het perf. (inf.)
    merui, meritus (merere) - (ver)dienen
  29. vereor, perf. (inf.)
    veritus sum (vereri) - vrezen
  30. velut
    zoals, alsof
  31. varius
    afwisselend
  32. moror, perf. (inf.)
    • moratus sum (morari) - verblijven, zich ophouden
    • ophouden, vertragen
  33. retineo, perf. (inf.)
    • retinui (retinere) - tegenhouden, vasthouden
    • behouden
  34. aditus, gen.
    aditus - toegang
  35. interim
    ondertussen
  36. claudo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    clausi, clausus (claudĕre) - sluiten
  37. melior, gen.
    melioris - beter
  38. compono, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    composui, compositus (componĕre) - regelen
  39. ars, gen. (geslacht)
    • artis (vrl.) - vaardigheid, kunst
    • wetenschap
  40. promitto, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    promisi, promissus (promittĕre) - beloven
  41. divus
    goddelijk, vergoddelijkt
  42. medius (bijv. nw.)
    midden in, in het midden van
  43. votum
    • gelofte
    • wens, gebed
  44. hortor, perf. (inf.)
    hortatus sum (hortari) - aansporen
  45. egredior, perf. (inf.)
    egressus sum (egredi) - gaan uit, weggaan, verlaten
  46. complector, perf. (inf.)
    complexus sum (complecti) - omarmen, vastpakken
  47. minor, gen.
    minoris - kleiner, minder

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
128182
Filename:
latijnwoorden.txt
Updated:
2012-02-07 18:06:07
Tags:
latijn woorden 24
Folders:

Description:
latijn woorden H 24
Show Answers:

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview