Bio: evolutieleer

Card Set Information

Author:
zotbolleke
ID:
131347
Filename:
Bio: evolutieleer
Updated:
2012-02-03 08:06:06
Tags:
biologie
Folders:

Description:
biologie
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user zotbolleke on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Onstaan van aarde
    • 4,5 miljard jaren geleden
    • Gloeiend hete bol
    • Koelde af -> oceanen ontstonden
  2. Chemische evolutie:
    • gedurende 1 miljard jaar
    • hoge T + vele opgeloste stoffen + veel energie -> de oersoep ontstond
    • aminozuren en nucleïnezuren
    • geen vrije zuurstof
    • bewijs: experiment van Miller
  3. Experiment van Miller:
    • belangrijkste gassen in de atmosfeer (methaan, ammoniak, water en waterstofgas)
    • elektrische ontladingen: bliksem nabootsen
    • koelwater: oceaan
    • resultaat aminozuren
  4. Biologische evolutie:
    • Nucleïnezuren en eiwitten in een blaasje
    • Archaebacteriën (geen zuurstof, veel organische moleculen):
    • ééncellig, heterotroof, anaeroob en prokaryoot
    • Eéncellige blauwwieren (minder voedsel, zuurstof door fotosynthese, ontstaan ozonlaag): pré-chloroplast:
    • ééncellig, autotroof, aeroob en prokaryoot
    • Pré-mitochondrie:
    • ééncellig, heterotroof, aeroob en prokaryoot
    • oxidatie van organische verbindingen levert veel energie op
    • Eukaryoot:
    • ééncellig, heterotroof, aeroob en eukaryoot
  5. Endosymbiose:
    • Fagocytose: eukaryoot slokt pré-chloroplast en prémitochondrie op.
    • Resultaat: eukaryoot, autotroof, aeroob
    • Voordeel: bescherming, betere celdeling, efficiëntere energiehuishouding
    • Bewijs: mitochondriën en chloroplasten hebben een dubbele membraan, eigen DNA en eiwitten
  6. Meercelligen:
    • Cellen vormen kolonies.
    • Sommige van die cellen specialiseren zich voor een bepaalde functie -> taakverdeling en grotere efficiëntie.
    • Sommige meercelligen vormen geslachtscellen: mannelijk en vrouwelijk geslacht.
    • Eerste meercelligen: wormen, kwallen en koralen.
  7. Leven in het water:
    Land was ongastvrij; uitdroging, teveel Uv-stralen (=geen ozon)
  8. Leven op het land:
  9. Eerste kolonisatie door planten: varens en paardenstaarten.
    • De grote hoeveelheid planten maakt de ontwikkeling van grote consumenten op het land mogelijk zoals reptielen.
    • Amfibieën zijn de levensvormen tussen de vissen en de landdieren.
  10. Landdieren:
    • Amfibieën: eieren in het water
    • dunne hoornlaag beschermt niet tegen uitdroging
    • reptielen: ontwikkelen uit amfibieën
    • dikke hoornlaag eieren op land
    • Vogels: vleugels ontstaan uit de vliezen tussen de poten
    • Archeopterix: eerste vogel maar met veel reptielkenmerken
    • Zoogdieren: ontstonden samen met dinosauriërs
    • ze overleefden klimaatsverandering
  11. Van reptiel naar zoogdier:
    Overgangsgroep tussen reptielen en zoogdieren: legden nog wel eieren, maar de jongeren zoogden reeds.
  12. Buideldieren:
    • Bij de geboorte:
    • kleine, onvolgroeide jongen
    • zeworden in een huidplooi gehouden en gezoogd
  13. Placentale zoogdieren:
    • een moederkoek
    • ontwikkeling in de baarmoeder
  14. Aanpassingen aan het landleven:
    • O2 wordt via diffusie opgenomen.
    • de dieren worden groter -> ontstaan specifieke structuren.
    • 1ste landdieren zijn koudbloedig, ze moeten emigreren bij grote koude.
    • Warmbloedige dieren moeten longen hebben om voldoende O2 op te nemen voor hun energievoorziening, ze hebben constante temperatuur en kunnen ook in koude streken overleven.
  15. Wat is evolutie:
    • De langzaam optredende verandering van kenmerken en eigenschappen in de loop van de tijd.
    • Evolutie van levende wezens= het ontstaan van één soort uit een andere soort +het uiteenvallen van één soort in twee of meerdere andere soorten.
  16. Evolutietheoriën (zie ook cursus,, Lamarck):
    • Charles Darwin (boek: 'on the origin of species')
    • Generatio spontanae door Aristoteles(alles ontstaat uit zichzelf)
    • Creatonisme; opperwezen heeft alles geschapen
    • Paleontologie; bestudeert ontwikkeling op basis van fossielen, door Georges Cuvier
    • x; verworven eigenschappen zijn erfelijk, door de Lamarck (->rangschikt dieren van eenvoudig naar ingewikkeld)
  17. Charles Robert Darwin:
    • 1809-1882
    • Grootvader en vader waren arts (kennis van microscopen)
    • Hij studeerde theologie
    • Trouwde met Emma Wedgwood (porselein-> geld)
    • Ging voor 5jaar mee met HMS Beagle (als naturalist en gezel voor de kapitein)
    • Verzamelde planten, dieren, fossielen en stenen als bewijs
  18. Bewijs theorie Darwin:
    • Reuzenschildpadden en zeeleguanen kwamen enkel op de Galapagoseilanden voor.
    • vleugels = verschillende taken (vliegen & zwemmen)
    • nandoes in Argentinië en Brazilië, struisvogels in Afrika , emoes in Australië en moa’s die in de middeleeuwen zijn uitgestorven.
  19. Wat weet je over de darwinvinken:
    • het zijn nauw verwante soorten die nergens anders voorkomen
    • 14 verschillende soorten
    • ze stammen af van éénzelfde voorouder
    • snavels ~ voeding
  20. Darwin is beïnvloed door:
    • Thomas Malthus; hij schreef 'Essay on the principle of populatio'
    • Charles Lyell; Planten en dieren veranderen vroeger en nu, maar het tempo is zo laag dat het niet opvalt (Darwin merkt dit op door aardbeving)
  21. Evolutietheorie Darwin:
    • natuurlijke selectie is het mechanisme
    • veranderingen gebeuren geleidelijk aan
    • competitie: “struggle for life”
    • organismen brengen veel meer nakomelingen voort dan noodzakelijk,
    • kunstmatige selectie
    • survival of the fittest,
    • variatie
    • eigenschappen doorgeven aan nakomelingen
  22. Neodarwinisme:
    • Natuurlijke selectie
    • Isolatie
    • Mutatie
    • Toeval
  23. Vorming van nieuwe soorten verloopt in 3fasen:
    • isolatie van een populatie,
    • aanpassen van de gescheiden populatie,
    • soorten verschillen zo sterk dat ze niet meer onderling kunnen voortplanten
  24. Natuurlijke selectie:
    • Kenmerken zijn geëvolueerd omdat ze bijdragen tot een betere overleving of reproductie
    • Variatie + overerving + differentiële reproductie
  25. Isolatie:
    • ecologisch; paartijd, broedtijd, voeding, habitat zijn verschillend
    • anatomisch; gewijzigde lichaamsbouw
    • ethologisch; gedragsbarrières (bv. zang, andere kleueren)
    • geografisch; als er bergketens, rivieren, woestijnen, snelwegen,.. ontstaan,, vroeger waren alle weerelddelen 1, dan zijn ze opgesplitst en verschillende soorten waren vgevormt
  26. Mutaties:
    mutaties zorgen voor nieuwe eigenschappenmutaties zijn at random
  27. Toeval; genetic drift en stichterseffect:
    Bepaalde eigenschappen worden soms meer teruggevonden (bij kleine populaties -> toeval een bepaald allel meer worden doorgegeven, populaties die ontstaan uit een klein # voorouders)
  28. Cumulatieve selectie:
    • Elke kleine verbetering is de basis voor een volgende verbetering.
    • Experiment: een aap met een schrijfmachine de werken van Shakespeare laten overschrijven -> het zal hem na lange tijd lukken
  29. Ontstaan nieuwe soorten:
    • Fruitvliegjes leggen hun eitjes op bananen
    • Door een orkaan worden de bananen meegenomen en spoelen op een eiland aan
    • De ecologische omstandigheden op het eiland zijn anders -> adaptatie
    • De twee soorten komen terug bijeen op het vasteland na een nieuwe storm -> herkennen elkaar niet
  30. Voordeel van sexuele selectie:
    • mannetjes die het meest in de smaak vallen -> meeste paren
    • zorgen voor nakomelingen
    • eigenschappen die niet in de smaak vallen -> uitgeselecteerd
  31. Sexuele voortplanting:
    • Meeste organismen planten zich geslachtelijk voort
    • Sex is duur
    • Sex is goed voor de groep
    • Geslachtelijke voortplanting vergroot de kans op nieuwe eigenschappen en laat toe dat interessante mutaties, ontstaan in verschillende individuen, na een tijdje gecombineerd worden
    • Sexuele populaties passen zich daarom gemakkelijk aan veranderende omstandigheden aan en aseksuele populaties wegconcurreren
  32. Weerlegging van enkele misverstanden over de evolutietheorie volgens Bas Haring:
    • De evolutietheorie is toch maar een theorie, antwoord: de evolutietheorie is niet zomaar een speculatie.
    • De evolutietheorie valt te bewijzen, hoewel er nog veel onderzoek gedaan wordt en er op details onzekerheden kunnen zijn, staat de evolutietheorie zelf als een huis.
    • Evolutie leidt tot een geleidelijke verbetering van levensvormen, antwoord: evolutie kent geen richting of doel, het is een 'blind' proces, louter een vorm van verandering
    • De mens stamt af van de apen, antwoord: mens en aap hebben een gemeenschappelijke voorouder.
    • Denk aan de stam van een boom met verschillende uitlopers.
    • Evolutie is survival of the fittest, antwoord: deze uitspraak is afkomstig van Herbert Spencer, en pas later door Darwin overgenomen. Hij wil zeggen dat de organismen die het best passen in hun leefomgeving blijven voortbestaan, niet de meest fitte
    • Uit een simpel blind proces zoals evolutie kan niet zoiets complex als het oog voortkome, antwoord: Niet per se. Er bestaan ook dieren met eenvoudiger vormen van ogen, zoals een netvlies zonder lens. Het oog kan dus ook stapje voor stapje uit meer primitieve versies zijn ontstaan.
  33. Argumentatie evolutieverloop:
    • paleontalogie
    • geologie
    • etheologie
    • anantomie
    • ambryologische aanwijzingen
    • biogeografische aanwijzingen
    • biochemische en moleculaire aanwijzingen
    • sereologische bewijzen (anti-gen/lich)
    • mutaties
  34. Paleontologie:
    • Fossielen zijn het belangrijkste bewijs
    • Oudste gesteenten eenvoudigste levensvormen
    • Zeer weinig tussenvormen
  35. Geologie:
    • Oudere lagen aarde liggen onder de jongere
    • Paleontologie en geologie combineren
  36. Ethologie:
    • Parasieten overleven op één bepaalde gastheer
    • Vluchtgedrag, nestbouw, verdedigingstrategiën zijn voor verwante soorten hetzelfde
  37. Anatomie:
    • Ledematen (armen, benen, poten..) zijn hetzelfde opgebouwd
    • Homologe organen
    • Analoge organen
    • Rudimentaire organen
  38. Homologe organen:
    • Organen die in functie verschillen
    • Ze hebben dezelfde bouw
    • Gewervelden hebben hetzelfde basisbouwplan
  39. Analoge organen
    • Organen met dezelfde functie
    • Basisbouwplan is verschillend
  40. Rudimentaire organen:
    • Nauwelijks ontwikkeld
    • Geen functie
  41. Mutaties
    Bepaalde mutanten kunnen zich beter handhaven

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview