Verbs

Card Set Information

Author:
MCTorres
ID:
131674
Filename:
Verbs
Updated:
2012-06-14 16:23:04
Tags:
Dutch Vocabulary
Folders:

Description:
Verbs
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user MCTorres on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Zijn (irregular)
    Ik......................................ben.....jij (je)

    Jij (je), U...........................bent

    Zij (ze), Hij, Het ('t)..........is

    Wij (we), Jullie, Zij (ze)....zijn
    to be (Ser)
  2. Wonen
    Ik...........................................woon.......jij (je)

    Jij (je), U...............................woont
    Hij, Zij (ze), Het ('t)..............woont

    Wij (we)Jullie, Zij (ze) .......wonen
    Live
  3. Leren
    Ik.......................................... leer ....... jij (je)

    Jij (je), U.............................. leert
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............. leert

    Wij (we)Jullie, Zij (ze) ....... leren

    Learn
  4. Werken
    Ik........................................ werk.......jij (je)

    Jij (je), U..............................werkt
    Hij, Zij (ze), Het ('t).............werkt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ......werken

    Work
  5. Hebben (irregular)
    Ik......................................... heb .....jij

    Jij (je), U.............................. hebt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............. heeft

    Wij (we)Jullie, Zij (ze) ...... hebben

    Have
  6. Komen
    Ik.............................................. kom.......jij (je)

    Jij (je), U.................................. komt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)................. komt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) .......... komen

    Come
  7. Geboren
    Born
  8. Kennen
    Ik............................................... ken.......jij (je)

    Jij (je), U................................... kent
    Hij, Zij (ze), Het ('t).................. kent

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........... kennen

    Know
  9. Weten
    Ik........................................... we.......jij (je)

    Jij (je), U................................ weet
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... weet

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ weten
    Know
  10. Spreken
    Ik............................................. spreek.......jij (je)

    Jij (je), U................................. sprekt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)................ sprekt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ spreken
    Speak
  11. Gebruiken
    Ik........................................... gebruik.......jij (je)

    Jij (je), U................................ gebruikt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... gebruikt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ......... gebruiken
    Use
  12. Noemen
    Ik........................................... noen.......jij (je)

    Jij (je), U................................ noemt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... noemt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ noemen

    Call
  13. Praten
    Ik........................................... praater.......jij (je)

    Jij (je), U................................ praat
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... praat

    Wij (we), Jullie, Zij (Ze)....... praten

    Talk
  14. Stellen
    Ik........................................... Stel.......jij (je)

    Jij (je), U............................... Stelt
    Hij, Zij (ze), Het ('t).............. Stelt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ....... Stellen 
    Ask (plantear)
  15. Geven (irregular)
    Ik........................................... gev.......jij (je)

    Jij (je), U................................ gev
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... ge

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ......... geven
    Give
  16. Vinden (irregular)
    Ik........................................... vind.......jij (je)

    Jij (je), U................................ vindt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... vindt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ......... vinden  
    Find
  17. Luisteren
    Ik........................................... luister......jij (je)

    Jij (je), U................................ luistert
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... luistert

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ luisteren 
    Listen
  18. Eindigen
    Ik........................................... eindig.......jij (je)

    Jij (je), U................................ eindigt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... eindigt
    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ eindigen
    Finish
  19. Krijgen (irregular)
    Ik...........................................      .......jij (je)

    Jij (je), U................................    
    Hij, Zij (ze), Het ('t)...............

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ....... krijgen
    Get (have)
  20. Beginnen
    Ik............................................ bigin.......jij (je)

    Jij (je), U................................ bigint
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... bigint

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ....... biginnen
    Begin
  21. Doen (irregular)
    Ik............................................ doe.......jij (je)

    Jij (je), U................................ doet
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... doel

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ doen  
    Do
  22. Gaan 
    Ik........................................... ga.......jij (je)

    Jij (je), U................................ gaat

    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... gaat

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ......... gaan  
    Go
  23. Schrijven
    Ik........................................... schijf.......jij (je)

    Jij (je), U............................... schrift
    Hij, Zij (ze), Het ('t).............. schrift

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ....... schrijven
  24. Kunnen
    Ik........................................... kan.......jij (je)

    Jij (je), U................................ kunt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... kunt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ....... Kunnen
    Can
  25. Zullen
    Ik........................................... zal.......jij (je)

    Jij (je), U................................ zult
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... zult

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ zullen
    Shall
  26. Moeten
    Ik............................................moet.......jij (je)

    Jij (je), U................................ moet
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... moet

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ moeten  
    Must
  27. Heten
    Ik........................................... heet.......jij (je)

    Jij (je), U................................ heet
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... heet

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ heten 
    Call
  28. Lezen (irregular)
    Ik............................................    .......jij (je)

    Jij (je), U................................ lees
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... lees

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ lezen
    Read
  29. Begrijpen
    Ik........................................... begrijp......jij (je)

    Jij (je), U............................... begrijpt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... begrijpt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ begrijpen
    Understand
  30. Kijken (irregular)
    Ik............................................   .......jij (je)

    Jij (je), U................................ 
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... 

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ........ kijke
    Look
  31. Lukken
    Ik............................................ luk.......jij (je)

    Jij (je), U................................ lukt
    Hij, Zij (ze), Het ('t)............... lukt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ....... lukken
    Tener éxito
  32. Duren
    Ik........................................... duur.......jij (je)

    Jij (je), U................................ duurt
    Hij, Zij (ze), Het ('t).............. duurt

    Wij (we), Jullie, Zij (ze) ....... duren
    Last (durar)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview