latijnwoorden.txt

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
133009
Filename:
latijnwoorden.txt
Updated:
2012-02-07 13:05:48
Tags:
latijn woorden 25 26
Folders:

Description:
latijn woorden H 25-26
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ferio (inf.)
    (ferire) - slaan, treffen
  2. conscientia
    • medeplichtigheid
    • bewustzijn
  3. intellego, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    intellexi/intellegi, intellectus (intellegĕre) - begrijpen
  4. donec
    • (+ ind.) zolang als
    • (+ conj.) totdat
  5. infelix, gen.
    infelicis - ongelukkig
  6. evado (inf.)
    (evadĕre) - ontsnappen, ontkomen
  7. mando (inf.)
    (mandare) - opdragen, toevertrouwen
  8. saevus
    woest, wreed
  9. conficio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • confeci, confectus (conficĕre) - afmaken, volbrengen
    • doden, vernietigen
  10. umbra
    • schaduw
    • schim
  11. desero, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    deserui, desertus (deserĕre) - verlaten, in de steek laten
  12. discrimen, gen. (geslacht)
    • discriminis (onz.) - onderscheid
    • gevaar
  13. peior, gen.
    peioris - slechter
  14. facio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • feci, factus (facĕre) - maken
    • doen
  15. vetus, gen.
    veteris - oud
  16. spatium
    • ruimte, afstand
    • duur
  17. materia
    (grond)stof, materie
  18. remedium
    (genees)middel
  19. incendium
    brand
  20. progredior, perf. (inf.)
    progressus sum (progredi) - voortgaan
  21. trado, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • tradidi, traditus (tradĕre) - overgeven, uitleveren
    • (+ A.c.I.) overleveren dat
  22. ventus
    wind
  23. integer, (vrl.), (onz.)
    integra, integrum - niet aangeraakt, ongedeerd
  24. quisquis, onz.
    quidquid - alwie/ieder die, alwat
  25. desidero (inf.)
    • (desiderare) - missen
    • verlangen
  26. plus, gen. (geslacht)
    pluris (onz.) - meer
  27. mereor, perf. (inf.)
    meritus sum (mereri) - (ver)dienen
  28. uro (inf.)
    (urĕre) - verbranden, verteren
  29. invisus + welke naamval?
    + dat. - gehaat bij
  30. quamvis + welke wijs?
    + conj. - hoewel
  31. alii...alii
    sommige(n)...andere(n)
  32. fateor, perf. (inf.)
    fassus sum (fateri) - bekennen
  33. tego, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    texi, tectus (tegĕre) - bedekken, beschermen
  34. offero, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    obtuli, oblatus (offerre) - aanbieden
  35. poena
    straf, boete
  36. pareo, perf. + welke naamval? (inf.)
    parui + dat. (parere) - gehoorzamen (aan)
  37. oculus
    oog
  38. huc (bijw.)
    hierheen
  39. tamquam
    • (zo)als
    • alsof
  40. iuventus, gen. (geslacht)
    iuventutis (vrl.) - jeugd
  41. habeo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.) + welke naamval?
    habui, habitus (habere) + 2 acc. - beschouwen als
  42. rego, perf. (inf.)
    rexi (regĕre) - leiden, regeren
  43. servitium
    slavernij
  44. diutius (bijw.)
    langer, langere tijd
  45. sicut
    zoals
  46. servitus, gen. (geslacht)
    servitutis (vrl.) - slavernij
  47. laus, gen.
    laudis - lof, roem
  48. obsideo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    obsedi, obsessus (obsidere) - bezetten, belegeren
  49. clarus
    • helder, duidelijk
    • beroemd
  50. tutus
    veilig
  51. sumo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    sumpsi, sumptus (sumĕre) - nemen
  52. fio, perf. (inf.)
    • factus sum (fieri) - worden
    • gebeuren
    • gemaakt worden
  53. praesidium
    • bescherming
    • garnizoen
  54. mens, gen. (geslacht)
    • mentis (vrl.) - geest, verstand
    • gedachte
  55. statuo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • statui, statutus (statuĕre) - plaatsen
    • vaststellen
    • + inf. besluiten om
  56. animal, gen. (geslacht)
    animalis (onz.) - levend wezen, dier
  57. apparet, perf. (inf.)
    apparuit + A.c.I. (apparere) - het blijkt dat, het is duidelijk dat
  58. ut primum
    zodra als
  59. quies, gen. (geslacht)
    quietis (vrl.) - rust
  60. ineo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    • inii, initum (inire) - ingaan, binnengaan
    • beginnen
  61. error, gen. (geslacht)
    • erroris (mnl.) - zwerftocht
    • vergissing, misvatting
  62. superbus
    trots
  63. quot (onverbuigbaar)
    • hoeveel
    • zoveel als
  64. perficio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    perfeci, perfectus (perficĕre) - voltooien
  65. prohibeo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    prohibui, prohibitus (prohibere) - verhinderen
  66. alteri...alteri (mv.)
    sommige(n)...andere(n)
  67. somnus
    slaap
  68. labor, perf. (inf.)
    • lapsus sum (labi) - glijden
    • vallen, instorten
  69. iussum
    bevel
  70. victor, gen.
    victoris - overwinnar
  71. negotium
    bezigheid, taak

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview