6 FN.txt

Card Set Information

Author:
gunesomer
ID:
133812
Filename:
6 FN.txt
Updated:
2012-02-08 18:02:33
Tags:
dutch
Folders:

Description:
dutch
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user gunesomer on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. opbellen
    to ring up
  2. binnenkomen
    to enter
  3. afwassen
    to wash up
  4. weggaan
    to go away
  5. uitnodigen
    to invite
  6. afspreken
    to arrange
  7. klaarmaken
    to prepare
  8. ik heb geprobeerd om je op te bellen.
    I tried to ring you up.
  9. je hoeft het niet op te eten
    you don't have to eat it up.
  10. ik heb mijn jas opgehangen
    I hung up my jacket.
  11. we zijn gisteren weggegaan.
    We went away yesterday.
  12. aansteken
    to light
  13. heeft u wat informatie over de uitgangsmogelijkheden in de stad?
    do you have some information about -stuff to do going out- in the city?
  14. vooral
    especially (v.)
  15. er is net een grote tentoonstelling in het museum geweest, maar dies is nu afgelopen.
    there was a really big exhibition in the museum, but it is over now.
  16. hoe lang wilt u blijven.
    how long will you stay?
  17. de grachten
    canals
  18. Amsterdam is heel erg mooi
    Amsterdam is very beautiful
  19. we hebben genoten.
    we enjoyed ourselves.
  20. ik ben vooral geinteresseerd in voetbal.
    I am especially interested in football.
  21. zeer ervaren
    very experienced
  22. Voordat we de kinderen op deze school toelaten, vragen we altijd naar hun motivatie.
    Before admitting children to this school, we always ask for their motivation.
  23. Veel kinderen komen hier omdat ze later een internationaal beroep willen hebben.
    A lot of kids come here, because they want to have an international profession later.
  24. Het is een voordeel als je goed Engels spreekt.
    It's an advantage if you speak good English.
  25. de ervaring
    experience
  26. het vak
    subject, discipline
  27. praktisch nut
    practical benefit
  28. het voordeel
    advantage
  29. voordat
    before that (v..)
  30. nadat
    after that (n..)
  31. zodra
    as soon as
  32. toen
    when (in the past)
  33. ondanks
    despite
  34. omdat
    because (o..)
  35. doordat
    because (d..)
  36. zodat
    so that
  37. tenzij
    unless
  38. alsof
    as if
  39. zoals
    such as
  40. net zo ... als
    just as
  41. thuisblijven
    to stay at home
  42. zich zorgen maken over
    to worry about
  43. drugs gebruiken
    to take drugs
  44. de verjaardag
    birthday
  45. zwanger raken
    to get pregnant
  46. de loopbaan
    career
  47. de begeleider
    counsellor, adviser
  48. tot nu toe
    up until now

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview