7 GM.txt

Card Set Information

Author:
gunesomer
ID:
133813
Filename:
7 GM.txt
Updated:
2012-02-08 18:03:12
Tags:
dutch
Folders:

Description:
dutch
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user gunesomer on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. hij is vroeg naar huis gegaan.
    he went home early.
  2. besteld.
    to order (past perfect)
  3. herhaald.
    to repeat(past perfect)
  4. ontmoet
    to meet (past perfect)
  5. verteld
    to tell (past perfect)
  6. erkend
    to recognize (past perfect)
  7. geloofd
    to believe (past perfect)
  8. gekocht
    to buy (past perfect)
  9. gebracht
    to bring (past perfect)
  10. begonnen
    to begin(past perfect)
  11. gedaan
    to do (past perfect)
  12. gebleven
    to remain (past perfect)
  13. geweest
    to be (past perfect)
  14. gestopt
    to stop (past perfect)
  15. vertrokken
    to leave, to depart (past perfect)
  16. verhuisd
    to move out (past perfect)
  17. gevallen
    to fall (past perfect)
  18. geworden
    to become (past perfect)
  19. getrouwd
    to marry (past perfect)
  20. gescheiden
    to divorce (past perfect)
  21. gestorven
    to die (past perfect)
  22. grammar: some verbs have both hebben and zijn in past perfect tense. If direction is implied use zijn. E.g. rijden, wandelen, lopen, vliegen
    grammar: heben, zijn
  23. de zaak waarover we hebben gepraat
    that matter we talked about
  24. het project waaraan we hebben gewerkt
    the project on which we worked (grammatically correct)
  25. de zaak waar we aan hebben gewerkt
    the project on which we worked (spoken language)
  26. dat boek waar we gisteren zo lang over hebben gepraat
    the book we talked about for such a long time yesterday (spoken language)
  27. heb je met the computer gewerkt? Ja ik heb ermee gewerkt
    did you work with the computer? Yes, I worked with it.
  28. heb je van dit sausje geproefd? Ja ik heb ervan geproefd.
    have you tasted this sauce? Yes, I tasted it.
  29. ik werk er hard aan.
    I am working hard on it.
  30. ik heb er veel over gehoord.
    I heard a lot about it.
  31. ik ben er tevreden mee.
    I am satisfied with it.
  32. ga je morgen met de computer werken? ja, ik ga er morgen mee werken.
    will you work with the computer tomorrow. Yes I will work with it tomorrow.
  33. ga je met de computer werken? Nee, ik ga er niet mee werken.
    will you work with the computer? No, I won't work with it.
  34. de spoken
    ghosts
  35. een hekel hebben aan
    to dislike
  36. vertrouwen op
    to trust in
  37. het uiterlijk
    appearance
  38. tegenwoordig
    these days
  39. althans
    at least
  40. om eerlijk te zeggen
    to be honest
  41. gauw
    quickly
  42. vergeleken met
    compared to/with
  43. Ik sla
    I hit
  44. Hij slaat
    He hits
  45. Zodra ik klaar ben, kom ik even langs
    As soon as I am ready, I will come
  46. Hoewel he jong is, is Hij erg rijk
    Although he is young , he is rich.
  47. qua
    as far as ... goes; in terms of.
  48. reageren op
    to react to
  49. de uitdaging
    challenge
  50. de bedreiging
    threat

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview