8 HL.txt

Card Set Information

Author:
gunesomer
ID:
133814
Filename:
8 HL.txt
Updated:
2012-02-08 18:03:38
Tags:
dutch
Folders:

Description:
dutch
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user gunesomer on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. het regent
    it is raining
  2. het sneeuwt
    it is snowing
  3. het vriest
    it is freezing
  4. het waait
    it is windy
  5. daarvoor
    before that (before then)
  6. hiervoor
    before this (before this time)
  7. ik woonde in een groot huis op het platteland
    I was living in a large house on the countryside.
  8. de tuin die we hadden, was enorm
    the garden that we had was huge
  9. dat moest vanwege mijn werk
    that was because of my work
  10. het appartement dat ik had, was erg klein.
    the appartment that I had was very small.
  11. wat voor baan had je?
    what kind of a job did you have?
  12. ik werkte in NYC bij dezelfde bank als nu, alleen weerk ik nu aan een ander project.
    I was working for the same bank in NYC, but now I just work on a different project.
  13. ik vond de onderwerpen die we vanavond heben besproken niet makkelijk.
    I found the topic we discussed tonight not easy.
  14. vooral de oefningen die we moesten maken, waren moeilijk.
    especially the exercises that we had to do were difficult.
  15. 's Avonds werk ik nooit.
    I never work in the evening.
  16. evermorgen.
    the day after tomorrow.
  17. eergister(en).
    the day before yesterday.
  18. gister(en).
    yesterday.
  19. aanstande woensdag ga ik uit eten.
    next wednesday I will go out to eat.
  20. vorige week = verleden week
    last week
  21. de lente
    spring
  22. de herfst
    autumn
  23. 's Zomers is fietsen heel populair.
    in the summer, cycling is very popular.
  24. ik woon al drie jaar in Brussel. (<-- jaar, not jaren).
    I have been living in Brussels for 3 years.
  25. hij woont pas tween maanden in Brussels.
    he has only been living in Brussels for three years.
  26. ik ging vroeger erg vaak uit.
    I used to go out often, earlier.
  27. had(den)
    to have (past imperfect)
  28. was (waren)
    to be (past imperfect)
  29. ging(en)
    to go (past imperfect)
  30. deed, deden
    to do (past imperfect)
  31. als ik de loterij zou winnen, zou ik stoppen met werken.
    If I win the lottery I will stop working.
  32. druk bezig zijn
    to be busy
  33. inschenken
    to pour
  34. eerder
    earlier
  35. de telefoon aannemen
    to answer the telephone
  36. bang zijn
    to be afraid
  37. voor mijn examen slagen
    to pass my exams
  38. we zien elkaar bijna nooit
    we hardly see each other
  39. eenzaam
    lonely
  40. begint kaal te worden
    beginning to get bald
  41. de trap oplopen
    to climb the stairs
  42. zijn gestresst
    to be stressed
  43. beroemd
    famous
  44. de dief
    thief
  45. stelen
    to steal
  46. ben je verliefd?
    are you in love?
  47. ik kreeg vanochtend al een telefoontje van hem en twee sms-jes.
    I already received one phone call and two smses from him this moerning.
  48. een afspraakje maken met
    to make a date with
  49. het eens zijn met
    to agree with
  50. bezig zijn met
    to be busy with
  51. stil
    quiet
  52. meenemen
    to take with
  53. het raam
    window
  54. tussen
    in between
  55. de deur
    door
  56. de muur
    wall
  57. de waterkan
    water jug
  58. het meisje dat daar loopt is de dochter van onze buren
    the girl walking there is our neighbours daughter
  59. de man met wie ik samenwerk
    the man with whom I work together
  60. de mensen met wie ik praat
    the people whom I talk to

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview