latijnwoorden.txt

Home > Preview

The flashcards below were created by user Marius on FreezingBlue Flashcards.


  1. hic (bijw.)
    hier
  2. densus
    dicht (opeen)
  3. litus, gen. (geslacht)
    litoris (onz.) - kust, strand
  4. oppidum
    (vesting)stad
  5. vertor, participia
    passief van het perf. (inf.)
    • versus (verti) - zich omdraaien, zich wenden naar
    • veranderen
  6. rarus
    • hier en daar
    • zeldzaam
  7. pars, gen. (geslacht)
    • partis (vrl.) - deel
    • kant
  8. morior, perf., part. fut.(inf.)
    mortuus sum, moriturus (mori) - sterven
  9. tenebrae (mv.)
    duisternis
  10. latus, gen. (geslacht)
    lateris (onz.) - zijde, flank
  11. dubius
    twijfelend, onzeker
  12. intereo, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    interii, interitum (interire) - sterven
  13. verto, perf. (inf.)
    • verti (vertĕre) - (om)draaien, omkeren
    • veranderen
  14. harena
    zand
  15. cinis, gen. (geslacht)
    cineris (mnl.) - as
  16. respicio, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    respexi, respectus (respicĕre) - omkijken, bemerken
  17. consido, perf. (inf.)
    consedi (considĕre) - gaan zitten
  18. inquam
    zeg ik
  19. contrarius
    tegengesteld
  20. ater, (vrl.), (onz.)
    atra, atrum - zwart
  21. habitus, gen.
    • habitus - houding
    • toestand
  22. aeternus
    eeuwig
  23. precor, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    precatus sum (precari) - bidden, smeken
  24. mecum
    met mij
  25. mundus
    wereld
  26. queror, perf. (inf.)
    questus sum (queri) - klagen
  27. utinam + welke wijs?
    + conj. - och, moge...
  28. surgo, perf. (inf.)
    surrexi (surgĕre) - opstaan, opstijgen
  29. regredior, perf. (inf.)
    regressus sum (regredi) - terugkeren
  30. pondus, gen. (geslacht)
    ponderis (onz.) - gewicht
  31. sunt qui + welke wijs?
    + conj. - er zijn mensen die
  32. nimis (bijw.)
    te, te veel
  33. -ve
    of
  34. probo (inf.)
    • (probare) - goedkeuren
    • aannemelijk maken
  35. existimo (inf.)
    • (existimare) - houden voor, achten
    • oordelen, menen
  36. dimitto, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    dimisi, dimissus (dimittĕre) - wegsturen, laten gaan
  37. quaero, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    • quaesivi, quaesitus (quaerĕre) - zoeken
    • (ab/ex + abl.) vragen aan
  38. decretum
    besluit
  39. multum (bijw.)
    zeer, erg, veel
  40. mihi videtur, perf.
    • visum est - het schijnt mij toe
    • ik besluit
  41. profero, perf., participia
    passief van het perf. (inf.)
    protuli, prolatus (proferre) - te voorschijn brengen
  42. consulo, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    • consului, consultus (consulĕre) - (+ acc.) raadplegen
    • (+ dat.) zorgen voor
  43. opus est + welke naamval?
    + abl. - het is nodig
  44. gratia
    • charme
    • gunst, geliefdheid
    • dank
  45. erigo, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    erexi, erectus (erigĕre) - oprichten
  46. welke wijs? + causa
    gerundivum (gen.) - wegens, ter wille van, om te
  47. evenio, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    eveni, eventum (evenire) - gebeuren
  48. male (bijw.)
    slecht
  49. causa
    reden, oorzaak
  50. saeculum
    generatie, tijdperk, eeuw
  51. aggredior, perf. (inf.)
    aggressus sum (aggredi) - aanvallen
  52. welke wijs? + gratia
    gerundivum (gen.) - wegens, om te
  53. vitium
    gebrek, fout, schuld
  54. fons, gen. (geslacht)
    fontis (mnl.) - bron
  55. vel
    of
  56. omitto, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    • omisi, omissus (omittĕre) - achterwege laten, weglaten
    • opgeven
  57. utilitas, gen. (geslacht)
    utilitatis (vrl.) - nut, voordeel, belang
  58. satis (+ welke naamval?)
    (+ gen.) - voldoende
  59. secundum + welke naamval
    • + acc. - langs
    • na
    • volgens
  60. eiusmodi
    van deze aard, zulke
  61. vastus
    • woest
    • wijd, uitgestrekt
  62. usquam
    ergens
  63. brevi (bijw.)
    in korte tijd
  64. nuper
    onlangs
  65. corrumpo, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    • corrupi, corruptus (corrumpĕre) - bederven
    • omkopen
  66. admoneo, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    admonui, admonitus (admonere) - waarschuwen
  67. privatus
    (ambteloos) burger
  68. opera
    moeite, inspanning
  69. latus
    • breed
    • wijd, uitgestrekt
  70. operam do, perf. + welke naamval? (inf.)
    dedi (+ dat.) (dare) - zich moeite geven (voor/om), zich inspannen (voor/om)
  71. praecipio, perf., participium
    passief van het perf. (inf.)
    praecepi, praeceptus (praecipĕre) - voorschrijven
  72. comparo (inf.)
    • (comparare) - vergelijken
    • gereedmaken
    • verwerven

Card Set Information

Author:
Marius
ID:
138067
Filename:
latijnwoorden.txt
Updated:
2012-02-27 15:57:58
Tags:
latijn woorden 27 28
Folders:

Description:
latijn woorden H 27-28
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview