Verbs (past tense)

Card Set Information

Author:
Callaluna
ID:
138111
Filename:
Verbs (past tense)
Updated:
2012-05-23 17:10:35
Tags:
past tense
Folders:

Description:
Past tense for Dutch verbs
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Callaluna on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. lezen

    *past tense*
    (hebben) gelezen

    [read]
  2. zoeken

    *past tense*
    (hebben) gezocht

    [searched]
  3. vinden

    *past tense*
    (hebben) gevonden

    [found]
  4. kopen

    *past tense*
    (hebben) gekocht

    [bought]
  5. verkopen

    *past tense*
    (hebben) verkocht

    [sold]
  6. schrijven

    *past tense*
    (hebben) geschreven

    [wrote]
  7. brengen

    *past tense*
    (hebben) gebracht

    [brought]
  8. zetten

    *past tense*
    (hebben) gezet

    [sat]
  9. zijn

    *past tense*
    (zijn) geweest

    [was / has been]
  10. nemen

    *past tense*
    (hebben) genomen

    [took]
  11. werken

    *past tense*
    (hebben) gewerkt

    [worked]
  12. kijken

    *past tense*
    (hebben) gekeken

    [looked]
  13. poetsen

    *past tense*
    (hebben) gepoetst

    [cleaned]
  14. drinken

    *past tense*
    (hebben) gedronken

    [drank]
  15. eten

    *past tense*
    (hebben) gegeten

    [ate]
  16. vragen

    *past tense*
    (hebben) gevraagd

    [questioned]
  17. begroeten

    *past tense*
    (hebben) begroet

    [greeted]
  18. zeggen

    *past tense*
    (hebben) gezegd

    [said]
  19. geven

    *past tense*
    (hebben) gegeven

    [gave]
  20. wassen

    *past tense*
    (hebben) gewassen

    [washed]
  21. zetten

    *past tense*
    (hebben) gezet

    [put, placed]
  22. hangen

    *past tense*
    (hebben) gehangen

    [hung]
  23. wandelen

    *past tense*
    (hebben / zijn) gewandeld

    [walked]
  24. spreken

    *past tense*
    {hebben] gesproken

    [spoke]
  25. blijven

    *past tense*
    (zijn) gebleven

    [remained]
  26. komen

    *past tense*
    (zijn) gekomen

    came
  27. zijn

    *past tense*
    (zijn) geweest

    [was]
  28. doen

    *past tense*
    (hebben) gedaan

    [did]
  29. koken

    *past tense*
    (hebben) gekookt

    [cooked]
  30. bakken

    *past tense*
    (hebben) gebakken

    [baked]
  31. meebrengen

    *past tense*
    (hebben) meegebracht

    [brought along]
  32. strijken

    *past tense*
    (hebben) gestreken

    [ironed]
  33. dekken

    *past tense*
    (hebben) gedekt

    [cover / set the table]
  34. afruimen

    *past tense*
    (hebben) afgeruimd

    [cleared the table]
  35. afwassen

    *past tense*
    (hebben) afgewassen

    [washed the dishes]
  36. afdrogen

    *past tense*
    (hebben afgedroogd)

    [dried the dishes]
  37. spelen

    *past tense*
    (hebben) gespeeld

    [played]
  38. leren

    *past tense*
    (hebben) geleerd

    [learned]
  39. maken

    *past tense*
    (hebben) gemaakt

    [made]
  40. ontbijten

    *past tense*
    (hebben) ontbeten

    [ate breakfast]
  41. slapen

    *past tense*
    (hebben) geslapen

    [slept]
  42. opstaan

    *past tense*
    (zijn) opgestaan

    [got up]
  43. snijden

    *past tense*
    (hebben) gesneden

    [cut]
  44. bellen

    *past tense*
    (hebben) gebeld

    [phoned]
  45. liggen

    *past tense*
    (hebben) gelegen

    [laid]
  46. winnen

    *past tense*
    (hebben) gewonnen

    [won]
  47. staan

    *past tense*
    (hebben) gestaan

    [stood]
  48. wachten

    *past tense*
    (hebben) gewacht

    [waited]
  49. schilderen

    *past tense*
    (hebben) geschilderd

    [painted]
  50. vallen

    *past tense*
    (zijn) gevallen

    [fell]
  51. gaan

    *past tense*
    (zijn) gegaan

    [went]
  52. aankomen

    *past tense*
    (zijn) aangekomen

    [arriving / incoming]
  53. vertrekken

    *past tense*
    (zijn) vertrokken

    [left / departed]
  54. lopen

    *past tense*
    (zijn) gelopen

    [ran]
  55. stelen

    *past tense*
    (hebben) gestolen

    [stole]
  56. kiezen

    *past tense*
    (hebben) gekozen

    [chose]
  57. wegen

    *past tense*
    (hebben) gewogen

    [weighed]
  58. trekken

    *past tense*
    (hebben) getrokken

    [pulled]
  59. leggen

    *past tense*
    (hebben) gelegd

    [put / placed]
  60. betalen

    *past tense*
    (hebben) betaald

    [paid]
  61. thuiskomen

    *past tense*
    (zijn) thuisgekomen

    [came home]
  62. opruimen

    *past tense*
    (hebben) opgeruimd

    [straighten up]
  63. passen

    *past tense*
    (hebben) gepast

    [fit]
  64. bezoeken

    *past tense*
    (hebben) bezocht

    [visited]
  65. studeren

    *past tense*
    (hebben) gestudeerd

    [studied]
  66. hebben

    *past tense*
    (hebben) gehad

    [had]
  67. versturen

    *past tense*
    (hebben) verstuurd

    [sent off / dispatched]
  68. rijden

    *past tense*
    (hebben) gereden

    [drove / rode]
  69. roken

    *past tense*
    (hebben) gerookt

    [smoked]
  70. halen

    *past tense*
    (hebben) gehaald

    [got - you got it yourself]
  71. krijgen

    *past tense*
    (hebben) gekregen

    [got / recieved]
  72. kussen

    *past tense*
    (hebben) gekust

    [kissed]
  73. posten

    *past tense*
    (hebben) gepost

    [posted]
  74. zwemmen

    *past tense*
    (hebben / zijn) gezwommen

    [swam]
  75. fietsen

    *past tense*
    (hebben / zijn) gefietst

    [biked]
  76. winkelen

    *past tense*
    (hebben) gewinkeld

    [shopped]
  77. dansen

    *past tense*
    (hebben) gedanst

    [danced]

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview