2 copy.txt

Card Set Information

Author:
RedAli
ID:
144587
Filename:
2 copy.txt
Updated:
2012-03-29 07:48:03
Tags:
kapitel
Folders:

Description:
Klinische Psy
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user RedAli on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Nederlandse psycholoog Buikhuisen
    • verrichtte onderzoek naar de rol van neurobiologische factoren in gedrag delinquenten:
    • (1) Verwijt delinquent gedrag te reduceren (reductionisme)tot medisch/biologisch probleem en daarmee voorbijgaan aan rol psychologische en maatschappelijke factoren bij tot stand komen van gedrag.
    • (2) Verwijt, biologisch onderzoek naar abnormaal gedrag leidt tot gevaarlijke be- handelswijzen (psychochirurgie) zijn inderdaad voorbeelden (frontale lobotomie)
  2. Argumenten voor biologische benadering:
    Hersenen in hoge mate betrokken bij totstandkoming gedrag dus disfunctionerende hersenen kunnen ten grondslag liggen aan psychopathologisch gedrag
  3. Griesinger (1817-1868)
    wetenschappelijke kennis te gebrekkig om alle gedragingen te reduceren tot hersenprocessen. (ook bijdrage psychologie en antropologie voor verklaring (abnormaal) gedrag).
  4. Succes biologisch onderzoek, dementia paralytica
    aanvankelijk bizar gedrag en wanen. Later cognitieve disfuncties, waaronder geheugenverlies (dementia) en vervolgens neurologische uitvalsverschijnselen zoals verlammingen (paralytica)
  5. Systematische benadering
    ideaaltypische voor onderzoek naar biologische oorzaken psychische stoornissen: Vaststellen syndroom; opsporen biologische oorzaak syndroom; behandeling gericht op biologische oorzaak.
  6. Tegenwoordig ligt in het onderzoek naar psychopathologie de nadruk meer op
    het samenspel van biologische en psychologische factoren.
  7. biologische theorieën - verklaringsniveaus
    • 1. Evolutie, evolutionaire achtergrond van gedrag (evolutiebiologie)
    • 2. Genetica, invloed van erfelijk gedrag op gedrag (gedragsgenetica)
    • 3. Neurotransmitters, voornamelijk werking neurotransmitters en effecten daarvan op gedrag (biologische psychiatrie)
    • 4. Hersenstructuren (neuropsychiatrie, -psychologie)
    • 5. Psychofysiologische processen, fysiologische processen zoals hartslag/ademhaling (psychofysiologie) die iets kunnen zeggen over de psychologische toestand organisme
  8. 1.Evolutiebiologische verklaringen:
    • Gedrag wordt door hersenen gestuurd. Structuur en functioneren hersenen wordt in hoge mate door onze genetische ‘’make-up’’ bepaald die het resultaat is van evolutie-biologische selectiemechanismen. Genetische variaties (verankerde eigenschappen) die kans op nakomelingen bevorderen, gehandhaafd blijven, terwijl eigenschappen die daarbij eerder een nadeel zijn, worden geëlimineerd.
    • 2 evolutiebiologische verklaringen om psychopathologisch gedrag te begrijpen:
    • • Aanname dat afwijking of abnormaliteit met evolutionair voordeel gepaard kan gaan.
    • • Sommige gedragingen hebben vroeger in de evolutie ooit een voordeel opgeleverd, maar zijn door een veranderde omgeving nu eerder nadelig geworden.
  9. Preparedness-theorie
    over fobieën: neiging om met angst en vermijdingsgedrag te reageren op slangen en spinnen zou de overlevingskansen hebben vergroot. Evolutie zou dus geselecteerd hebben op mensen met genetisch verankerde predispositie (preparedness) om angstig te reageren op slangen en spinnen. Angst voor auto’s/elektriciteit is van te recente datum om genetisch verankerd te liggen.
  10. 2.Genetische factoren:
    • Bij het genetisch onderzoek richt men zich op 3 bronnen:
    • • Familiestudies (omdat families zowel genetische als omgevingsfactoren delen)
    • • Adoptiestudies
    • • Tweelingstudies: Eeneiige tweelingen genetisch identiek en twee-eiige tweelingen gemiddeld de helft genetisch materiaal identiek (ook zo bij andere broer en zusters)
  11. Concordantie
    (coëfficiënt 0-1)(overeenstemming) mate waarin eenzelfde eigenschap bij 2 familieleden voorkomt. Als psychische stoornis volledig terug te voeren is op genetische kenmerken is concordantie bij eeneiige tweelingen 100%. Komt de stoornis voort uit omgevingsinvloeden dan kan concordantie bij eeneiige tweelingen hoog zijn omdat ze in de regel in dezelfde omgeving opgroeien. Als concordantie bij 1 eeneiige aanmerkelijk hoger dan suggereert dat een genetische invloed.
  12. Genotype
    totale genetische bagage van individu (alleen identiek bij eeneiige tweeling)
  13. Fenotype
    observeerbare fysieke en gedragsmatige kenmerken die het resultaat zijn van de interactie tussen genotype en omgeving. Effect genotypische kwetsbaarheid op fenotype wordt pas later in leven zichtbaar. En de overgeërfde genen die iemand predisponeren tot bepaald gedrag hoeven niet altijd tot dat gedrag te leiden.
  14. Genotype-omgevingcorrelatie
    fenomeen waarbij het genotype de ervaringen vormt die individu met omgeving heeft.
  15. Genotype-omgevinginteractie
    mensen met verschillende genotypen zijn verschillend gevoelig voor hun omgeving.
  16. Conclusies onderzoek genetische factoren bij psychische stoornissen:
    • • Genetische factoren blijken bij de ene psychische aandoening een prominentere rol te spelen dan bij de andere
    • • Ook omgevingsvariabelen hebben invloed (nergens een concordantie van 100) waarbij sprake is van interactie tussen genen en omgevingsfactoren
  17. Kanttekeningen Genetische factoren:
    • • Psychische stoornissen geen ‘’single-gene disorders’’ waarschijnlijk dragen meerdere genen bij aan ontstaan psychopathologische stoornissen.
    • • Genetische factoren leveren een bijdrage aan etiologie psychische stoornissen maar hoe groot die bijdrage is en langs welke weg genen hun effect hebben is onduidelijk.
    • • Genetische afwijkingen hoeven niet ongevoelig te zijn voor omgevingsinvloeden
  18. 3.Neurotransmitters:
    • Neuronen, bouwstenen van hersenen primaire taak geleiding van informatie op twee manieren binnen de neuronen, elektrische informatie geleiding en tussen neuronen, chemisch geleid. 3 algemene inzichten neurotransmitters:
    • • Niet willekeurig verspreid maar concentratie in bepaalde hersengebieden waarvan soms bekend is in welke psychologische functies of processen (beweging, aandacht, stemming) ze een rol spelen
    • • Geen statisch geheel, maar voortdurend opgebouwd (gesynthetiseerd) en afgebroken (tekort of overschot optreden) dit proces kan worden beïnvloed met psychofarmaca
    • Agonisten
    • verhogen activiteit (1) synthese (aanmaak) vergroten (2) Opname verminderen.
  19. Antagonisten
    verlagen activiteit (1) synthese remmen (2) Postsynaptische receptoren blokkeren.
  20. 5 factoren die de synaptische overdracht beïnvloeden:
    • • Hoeveelheid neurotransmitter in synaptische spleet (productie, katabolisme heropname)
    • • Blocking agents, chemische stoffen die lijken op neurotransmitter en dus op receptoren passen maar prikkelen postsynaptische neuron niet (passen op slot maar deur gaat niet open) Ze voorkomen dat neurotransmitter postsynaptische neuron kan stimuleren (zit al verkeerde sleutel in het slot waardoor de juiste er niet meer in kan)
    • • Remmende neuronen, bij vuren remt het de prikkeloverdracht tussen pre- en postsynaptische neuronen (1) Presynaptische neuron maakt minder neurotransmitter vrij (2) Ppostsynaptische neuron gevoeligheid neemt af
    • • Neuronengevoeligheid
    • • Aantal receptoren op postsynaptische neuron.
  21. Dopamine
    bevindt zich in hersengebieden verantwoordelijk voor motoriek. Ziekte van Parkinson is sprake van tekort aan dopamine. (Leva-dopa toedienen wordt omgezet in dopamine)
  22. Neurotransmitters en schizofrenie:
    • DOPAMINE
    • • Dopamine te vinden in (1) lager gelegen hersengebieden (hersenstam) (2) hoger gelegen hersengebieden (neocortex, speelt neurotransmitter waarschijnlijk rol bij geavanceerde psychologische processen als waarnemen en denken)
    • • Dopamine maakt communicatie tussen subcorticale en corticale hersengebieden mogelijk.
  23. Dopamine hypothese
    overmaat dopamine leidt tot symptomen van schizofrenie
  24. Drugs die het vrijkomen van dopamine stimuleren (dopamineagonisten amfetamine)
    kunnen psychotische symptomen veroorzaken (vergelijkbaar schizofrene symptomen vooral paranoïde symptomen)
  25. Antipsychotische medicijnen (neuroleptica, chloorpromazine, haloperidol)
    blokkeren de werking van dopamine en ze reduceren bijgevolg de dopamine activiteit (dopamineantagonisten).
  26. Neuroleptica
    reduceert direct dopamine activiteit therapeutisch effect op psychotische symptomen treedt pas na dagen op en veel mensen geen baat bij dopamine-antagonisten. Veronderstelt relatie tussen dopamine en serotonine bij anti-pschygotische medicijnen. Bewijs clozapine medicijn dat zowel serotoninerge en dopaminerge systemen beïnvloedt.
  27. Schizofrenie, afwijkingen in meerdere neurotransmittersystemen
    (1) dopamine (2) serotonine (3) GABA (4) Glutamaat, speelt belangrijke rol route hippocampus, prefrontale cortex, thalamus. (verminderde activiteit) en er is verbinding met dopaminerge systemen. Dus niet in strijd met dopamine hypothese.
  28. limbische systeem
    Neurotransmitters onder meer aangetroffen in limbische systeem, speelt rol bij regulatie van stemming en emoties.
  29. Monoaminehypothese
    depressie ontstaat door tekort aan noradrenaline en/of serotonine. Monoamine-oxidase (MAO) enzym betrokken bij afbraak van zowel noradrenaline als serotonine. MAO-remmers (afbraak transmitters remmen bijv. phenelzine) en tricyclische antidepressiva (heropnamen verhinderen bijv imipramine) zijn succesvol bij behandeling depressies. Versterken werkzaamheid noradrenaline en serotonine.
  30. Twee groepen depressieve patiënten:
    • 1 Tekort aan noradrenaline dat periodiek kan omslaan in overmaat noradrenaline (dit laatste kan leiden tot een manische fase van een bipolaire stoornis)
    • 2 Tekort aan serotonine (hangt voornamelijk samen met bepaalde kenmerken van depressie zoals suïcide pogingen)
  31. GABA
    GABA (gamma-aminoboterzuur, remmende werking, inhiberende) en glutamate (activerende, exciterende werking) komen sterk verspreid voor in de hersenen. Zijn dus essentieel voor de excitatie-inhibitiebalans in hersenen. Bij sommige psychische stoornissen, b.v de angststoornissen, balans doorgeslagen in te hoge activatie.
  32. Benzodiazepinen (diazepam, seresta, temesta)
    ondersteunen inhiberende functie van GABA, angstdempende behandeling van nervositeit angststoornissen en slaapklachten. Bestrijden alleen de symptomen en niet de oorzaken (bijvoorbeeld geen aanwijzing dat patiënten met angstklachten structureel tekort GABA hebben)
  33. Kanttekeningen neurotransmitters:
    onderzoek rol neurotransmitters bij psychische stoornissen is buitengewoon vruchtbaar gebleken.
  34. Hersengebieden
    Bij meest voorkomende psychische stoornissen (stemmings-, angststoornissen, schizofrenie) geen grove hersenbeschadigingen of – afwijkingen. Beschadigingen of afwijkingen van hersenen (laesies) kunnen soms toch symptomen veroorzaken die bij psychische stoornissen voorkomen.
  35. Verticale dimensie
    • o Lagergelegen hersenniveaus (hersenstam, limbisch systeem), zorgen voor meer primitieve functies (slapen, eten, emoties)
    • o Hoger gelegen hersenniveaus (neocortex), verantwoordelijk voor de meer complexe, cognitieve operaties (waarneming, spraak, motoriek)
  36. Horizontale dimensie (Functionele asymmetrie, Functionele lateralisatie) :
    • o Linker hemisfeer, spraak (taal), fijne motoriek, inhiberen emotionele reacties
    • o Rechter hemisfeer, waarneming van ruimtelijke verhoudingen, sterk betrokken bij (negatieve) emoties
  37. Verticale dimensie: lager gelegen hersenniveaus
    Psychische stoornissen, in veel gevallen radicalisering van normale emoties zoals angst, agressie, droefheid en blijdschap.
  38. 2 aspecten emoties:
    • • Intensiteit (arousal, zwak sterk)
    • o Functie van de in hersenstam gelegen formatio reticularis
    • o Beschadiging formatio reticularis, gevolg patiënt gaat zich apathisch gedragen.
    • • Emotionele valentie (positiever of negatiever)
    • o Functie is van het limbisch systeem (circuit van Papez)
    • o Laesies limbisch systeem kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor emotionele gedrag: Effecten worden duidelijk bij Kluver-Bucy-syndroom en elektrische stimulatie (experiment maar ook epilepsie)
  39. Kluver-Bucy-syndroom
    indien amygdala, wordt beschadigd. Kenmerken tamheid, niet in staat om met angst en vermijding op bedreigende stimuli te reageren. (ook bij mensen door rabies beschadiging limbisch systeem)
  40. Psychomotorische epilepsie
    Aanval ontstaat bij sterke elektrische ontlading in specifieke hersenzones. Bij bepaalde vormen ontladingen in limbisch systeem kunnen dan gepaard gaan met zowel stereotype motorische handelingen (smakken, kauwbewegingen) als abnormale emoties (overdreven euforie of angst)
  41. Hoger gelegen hersenniveaus
    Een cruciale functie van de frontaalkwab is de regulering van gedrag (initieert, evalueert en corrigeert) beschadigingen kunnen al deze deelfuncties ondermijnen en daardoor zowel divers als bizar zijn. Sommige patiënten met een frontaallaesie (b.v tumor) worden als psychiatrische patiënt behandelt.
  42. Pseudo-depressief-syndroom
    laesie (linker)frontaalkwab, initiatief verlies, affectieve vervlakking (verminderde emotionele reacties) en sociale teruggetrokkenheid.
  43. Pseudo-psychopathisch-syndroom
    laesie (rechter)frontaalkwab, initiatief wel aanwezig, maar vermogen tot zelfevaluatie en – correctie aangetast, impulsief en roekeloos gedrag
  44. De horizontale dimensie: verschillen tussen linker en rechter hersenhelft
    • Normaal evenwicht tussen de emotionele tendens rechterhemisfeer en inhiberende remmende werking linker hemisfeer (ontwricht door laesies of toedienen drug (sodium amytal: remmende werking op hersenactiviteit)emoties uit de hand lopen of verdwijnen)
    • Beschadiging of inactivatie hemisfeer: (1) Linker: Negatieve emotionele tendens rechterhemisfeer gaat gedrag domineren. (2) Rechter: Niet-emotionele tendens linkerhemisfeer gaat overheersen.
  45. Hersengebieden schizofrenie – Ventrikels
    Wijken af bij schizofrenie (niet altijd). Ventricle to brain ratio relatieve verhouding ventrikels- hersenen. Hoog bij vrouwen, verminderde aandacht en concentratie, psychomotorische snelheid. Samenhang bij mannen minder
  46. Hersengebieden schizofrenie – Frontaalkwab
    afgenomen volume van de grijze en vooral de witte massa in de prefrontale cortex is gerelateerd aan schizofrenie. (Cognitieve functies: abstractie, aandacht, verbaal geheugen en psychomotorische snelheid)
  47. Hersengebieden schizofrenie – Lateralisatie
    bilateraal voordeel (normale mensen) wordt gezien als bewijs samen-werking beide hemisferen. Voordeel niet bij schizofrenie men verondersteld gebrek aan samenwerking tussen hersenhelften. Oorzaak zou defect aan corpus callosum (hersenbalk verbinding links en rechts) zijn. Normaal is overdracht van rechts naar links sneller bij schizofrenie in beide richtingen hetzelfde langzame tempo (als van links naar rechts bij normale) symmetrie in overdracht kan ook duiden op gebrek aan functionele activiteit van rechterhemisfeer.
  48. Hersengebieden en stemmingsstoornissen - Volumeverandering
    • • Vergrote laterale ventrikels
    • • Volumeverlies frontaal- en temporaalkwab (langetermijn gevolg)
    • • Geringere omvang hippocampus (al aan begin stoornis aanwezig)
    • • Geringere omvang Basale-gangliasstructuren
  49. Hersengebieden en stemmingsstoornissen - Verminderde activiteit
    • • Prefrontale cortex, (links (meer positief minder negatief affect)- verlaagt en rechts (meer negatief minder positief affect)-verhoogd) ook kwetsbaarheidfactor.
    • • Anterior cingulate cortex
    • • Amygdale, overactief resulteert in gedrukte stemming
    • • Hippocampus
  50. Hersengebieden en angst:
    Limbisch systeem het meest in verband gebracht (bemiddelaar tussen cortex en hersenstam) BIS-circuit (in limbisch systeem) gedragsinhibitiesysteem wordt geactiveerd door prikkels (vanuit cortex of hersenstam) die op gevaar wijzen. Hierdoor verstijven van angst. Bij paniekpatiënten geraken gebieden hersenstam en limbisch systeem snel in toestand van overactivatie (arousel en subjectieve angstgevoelens) Overgevoeligheid kan ook ontstaan door omgevingsfactoren gevolg is dat iemand kwetsbaarder wordt voor ontwikkelen angststoornis. (voorbeeld roken in tienerjaren, nicotine maakt gebieden betrokken bij angst gevoeliger hierdoor neemt biologische kwetsbaarheid toe)
  51. Kanttekeningen hersengebieden:
    Neuropsychologische verklaringen gedrag zijn vaak schijnverklaringen. (Stelling: depressie veroorzaakt door overgeactiveerde rechter hemisfeer, laat onverklaard hoe overactivatie kan leiden tot depressie en hoe komt iemand aan een overgeactiveerde rechter hemisfeer).
  52. Psychofysiologische processen
    Sommige fysiologische veranderingen hebben psychologische betekenis.
  53. Psychofysiologie
    bestudeert manier waarop psychologische en psychiatrische fenomenen zich manifesteren in fysiologische veranderingen.
  54. Benaderingen van psychopathologisch gedrag
    • • Toetsen van theorieën over etiologie van psychopathologische symptomen.
    • • Instrumenteel van aard, leveren van instrumenten voor betere diagnostiek psychische stoornissen en/of betere voorspelling van therapiesucces.
  55. Psychofysiologische marker
    psychofysiologische abnormaliteit die wijst op aanwezigheid bepaalde psychische stoornis
  56. 2 voorwaarden voor goede psychofysiologische marker voor psychiatrische diagnose
    • • Voldoende sensitiviteit, percentage patiënten met bepaalde diagnose (b.v schizofrenie) dat psychofysiologische afwijking vertoont.
    • • Voldoende specificiteit, mate waarin andere patiëntengroepen (b.v depressieven) en normale proefpersonen een vergelijkbare afwijking aan de dag leggen.
  57. Psychofysiologie en schizofrenie - Geen huidgeleidingsrespons:
    • o Negatieve symptomen (vlak affect, passiviteit, terugtrekken uit sociale contacten) ontbreken belevingen gedragingen die normale mensen vertonen
    • o Lijdt ook bij andere diagnostische groepen (depressieve, autistische) tot negatieve karakterastieke.
    • o Minder vaak werk en vrienden
    • o Weinig baat bij antipsychotische medicatie (haloperidol)
    • o Verstoring aandachtsfunctie, neuroanatomische afwijking
  58. Psychofysiologie en schizofrenie - Wel huidgeledingrespons
    • o Positieve symptomen (wanen hallucinaties) belevingen gedragingen die normale mensen niet vertonen
    • o Hoog arouselniveau leidt ook tot slechte uitkomst
    • o Baat bij haloperidol
    • o Hogere frequentie EEG activiteit tijdens slaap (ook bij depressie)
  59. Psychofysiologie en stemmingsstoornissen
    • • Verstoorde werking HPA-as (hyphothalamus, hypofyse en bijnier) hierdoor wordt meer cortisol afgescheiden. In gezonde situatie wordt cortisolafgifte geregeld door negatieve-feedbacksysteem dit is verstoord zodat stresshormoonsysteem niet tot normaal niveau wordt teruggebracht.
    • • Verscheidenheid verstoorde biologische processen die niet alle gevallen van depressie kenmerken en ook niet allemaal specifiek zijn voor depressie.
    • • Sommige vormen depressie (vooral ernstige) lijken een veel sterkere biologische component te hebben.
  60. Psychofysiologie en angst
    • • Angstige mensen vaak chronisch hyperaroused
    • • Psychofysiologische metingen:
    • o Biofeedback, informatie geven over fysiologische toestand (gebruikt door gedragstherapeuten bij spanningshoofdpijn of psychosomatische klachten)
    • o Habituatie, hoe angstiger hoe langzamer habituatie optreed
  61. Kanttekeningen psychofysiologische processen:
    • • Psychofysiologie speurt naar afwijkingen die als marker kunnen bijdragen tot betere diagnostiek echter met weinig succes.
    • • Probleem draagt psychofysiologische marker bij aan ontstaan van psychische stoornis of is het begeleidingsverschijnsel of gevolg van stoornis (hetzelfde probleem als bij neurotransmitter)
    • • Nog geen psychofysiologische afwijkingen gevonden die voldoende specifiek en sensitief zijn als marker voor bepaalde psychiatrische diagnose.
  62. Beeldvormend onderzoek (neuroimaging)
    • technieken waarmee in vivo verschillende typen afbeeldingen van het centrale zenuwstelsel kunnen worden gemaakt (inzicht in hersengebieden en neurotransmitters):
    • • Röntgenstralen stralingsbron extern:
    • o CT-scan (computerized tomography),
    • • Röntgenstralen stralingsbron extern (scan iedere 10 minuten):
    • o PET (positron emission tomography), minder gevoelig ruis maar ook duurder dan SPECT
    • o SPE(C)T (single photon emission (computed) tomography)
    • • MRI (megnatic resonance imaging) echo`s (scan iedere 3 seconden)
    • • EEG (elektro-encefalografie) MEG (magneto- encefalografie, neurale processen nauwkeurig in tijd volgen (milliseconden), minder goed vaststellen waar activiteit zich afspeelt.
  63. Neuroimaging bij schizofrenie
    • • Vergroting ventrikels
    • • Volumevermindering diverse corticale gebieden:
    • o Temporaalkwab:
    • ♣ Mediaal temporaal (amygdale, hippocampus)
    • ♣ Lateraal temporaal (primaire auditieve cortex)
    • o Prefrontale
    • o Parietale Cortex
    • o Corpus callosum
    • o Basale kernen
    • • Verminderde prefrontale activiteit
    • • Activiteit primaire auditieve cortex bij horen stemmen
    • • Medicatiegebruik antipsychotica treedt atrofie (verschrompeling) op bij nieuwe atypische antipsychotica niet
  64. Neuroimaging bij stemmingsstoornissen
    • • Volumevermindering aantal hersenstructuren:
    • o Prefrontale cortex
    • o Basale ganglia
    • o Atrofie hippocampus (waarschijnlijk door verhoogde productie stresshormoon cortisol (ontregeling HPA-as), neurotoxisch effect) ernst hangt samen met ziekteduur en verbetert door medicijnen (ook langetermijn geheugen)
    • • Serotonerge studies, verminderde 5HT-receptordichtheid mogelijk gevolg van verlaagde activiteit serotonerge systeem.
    • • Verminderde activiteit (psychomotorische retardatie, apathie, verstoorde planning):
    • o Prefrontale cortex
    • o Anterior cingulaire cortex
    • • Verhoogde activiteit:
    • o Limbische structuren (psychomotorische agitatie en angst) amygdale gebied
  65. Neuroimaging bij angststoornissen (vooral dwangstoornis)
    • • Grijze-stofveranderingen in zowel basale ganglia en frontale cortex
    • • Verhoogde dopaminerge transmissie in basale kernen
    • • Verhoogde activiteit frontale cortex en basale ganglia
    • • Minder activiteit prefrontale cortex
    • Chronisch PTSS en paniekstoornis:
    • • Mediaal temporaal volumeverlies (neurotoxisch effect corticosteroiden)
  66. Afbeelding: Neuro-anatomisch (structureel)
    MRI superieur aan CT-scan grotere weefselcontrasten
  67. Afbeelding: Biochemisch (neurotransmitters)
    PET of SPECT dmv tracers (liganden) die zich specifiek binden aan bepaald receptortype (tracers voor dopamine-, serotonine-, GABA receptoren)
  68. Afbeelding: Functioneel (psychologische en motorische processen)
    vroeger door PET of SPECT (toevoegen tracers) maar laatste jaren door fMRI in verband met geringere belasting proefpersonen en betere resolutie. (Blood Oxygen Level Dependent, BOLD)
  69. Voordelen neuroimaging
    • • In vivo hersenprocessen meten op weinig belastende manier met grotere nauwkeurigheid.
    • • fMRI functioneel hersenonderzoek directere maat voor hersenactiviteit dan perifere metingen en gevoeliger.
    • • fMRI kan extra info verschaffen die niet uit neuropsychologisch onderzoek te halen is
  70. Nadelen neuroimaging
    • • Meet verschil in bloedtoevoer, geen rechtstreekse neurale activiteit
    • • Resolutie nog ver verwijderd van single-neuron niveau)
    • • Kan wel samenhangen vaststellen maar geen oorzaak-gevolg (causaal)
    • • Tot dusver nauwelijks onderzoek naar ziektespecifiteit door vergelijking psychische stoornissen onderling.
  71. Behandelmethoden die voortvloeien uit biologisch onderzoek psychische stoornissen:
    • • Invasief, ze grijpen direct in het menselijk lichaam in.
    • • Non-invasief, effect op het lichaam via een omweg, b.v via een dieet.
  72. Invasieve behandelmethoden:
    • • Psychochirurgie, hersenstructuren weggesneden of weggebrand
    • • Electroconvulsie therapie (ECT), toedienen elektrische stroom aan schedel, zodanig dat een spierverkramping (convulsie) optreedt. Bij ernstige stemmingsstoornissen resistent voor andere behandelmethoden.
    • • Transcranial Magnetic Stimulation (nieuwe methoden om electrische activiteit hersenen te veranderen, sterk magnetisch veld en is veelbelovend bij depressie)
    • • Psychofarmaca met medicamenten ontregelde neurotransmittersystemen bij bepaalde psychische aandoeningen te normaliseren.
  73. Non-invasieve behandelmethoden
    • • Slaaponthouding (deprivatie) voorbeeld, interventie die antidepressieve effecten heeft.
    • • Lichttherapie (blootstelling aan fel kunstlicht) bij seizoensgebonden depressies.
    • • Diëten bij kinderen met een aandachtstekort stoornis.
  74. Behandelmethoden schizofrenie:
    • • Psychofarmaca in 3 fasen:
    • o Acute fase, doel ernst symptomen verminderen
    • o Stabilisatiefase, doel stabiliteit nastreven
    • o Consolidatiefase, doel terugval voorkomen en functioneren patiënt verbeteren
    • • Neuroleptica (toediening oraal en injectie):
    • o Typische neuroleptica, dopamineactiviteit blokkeren
    • o A-typische (risperal en zyprexa) blokkeren dopamineactiviteit in zekere mate verschillen in wijze waarop ze serotonine glutamaat en andere neurotransmitters beïnvloeden. (voordeel minder risico bewegingsstoornis)
  75. Behandelmethoden depressie:
    • • ECT alleen bij zeer zware gevallen.
    • • 3 categorieën antidepressiva (verhogen concentratie serotonine of norepinefrine):
    • o Monoamine-oxidase-remmers (MAO-remmers), aan dieet houden anders zware bijwerkingen. Verhogen concentratie monoamine (serotonine en norepinefrine) door enzym dat deze afbreekt te remmen.
    • o Tricyclische (3-ringige structuur), blokkeren heropname serotonine en norepinefrine.
    • o Selectieve serotonine heropnameremmers (SSRI’s) Prozac, Paxil en Zoloft. Meeste gebruikt remmen heropname serotonine.
  76. Antidepressiva
    hebben ook angstdempend effect en tevens gebruikt bij eetstoornissen. Bij tricyclische en SSRI bereiken orgasme bemoeilijkt (premature ejaculatie)
  77. Behandelmethoden angst:
    • • Psychofarmaca (terugvalpercentages hoog) :
    • o Benzodiazepines (Alprazolam), even effectief SSRI maar ernstige verslaving en bijwerkingen verslechtering cognitieve en motorische functies.
    • o Antidepressiva (SSRI) minder bijwerkingen
    • • Fobieen, obsessief-compulsieve stoornis, post traumatische stress en minder mate sociale fobie zijn psychologische behandelingen effectiever.
    • • Gegeneraliseerde angststoornis geen voorkeur

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview