3.txt

Card Set Information

Author:
RedAli
ID:
144588
Filename:
3.txt
Updated:
2012-03-29 08:17:18
Tags:
Klinische Psychologie
Folders:

Description:
Leertheoretische modellen van de psychopathologie
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user RedAli on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Klassieke of orthodoxe behaviorisme (Watson)
    bestuderen uitsluitend objectief waarneembare gedragingen (herleidden gedrag tot reacties op (externe) prikkels)
  2. Neobehaviorisme
    erkende dat niet alleen prikkels reactie, maar ook factoren in het organisme de reactie beïnvloeden.
  3. Radicaal behaviorist (skinner)
    slechts geïnteresseerd in samenhang gedrag en omgeving en had weinig op met theorievorming
  4. nature-nurture-debat
    • benadrukt leerpsychologie vooral het nurture standpunt:
    • • Nature, men is wat hij is (bijna natuurlijke voorprogrammering)
    • • Nurture, men wordt gevormd (gemodelleerd) door concrete ervaringen.
  5. Galton
    Voorstanders van het nature standpunt,(grondlegger differentiële psychologie) verbetering psychische mogelijkheden door selectieve voortplanting (Eugentica)
  6. Hippocrates
    • Voorstanders van het nature standpunt, relatie tussen 4 lichaamsvocht/levenssappen en temperamenten:
    • o gele gal (driftig, gewelddadig) cholerisch temperament
    • o bloed (actief, vrolijk) sanguinisch temperament
    • o slijm (kalm, passief) flegmatisch temperament
    • o zwarte gal (somber) melancholisch temperament
  7. Eysenck
    • Voorstanders van het nature standpunt, herleidde persoonlijkheidsverschillen tussen mensen tot variaties op 2 dimensies
    • introversie/extraversie
    • neuroticisme/emotionele stabiliteit.
  8. Pavlov
    Voorstanders van het nature standpunt, neurologische verschillen verantwoordelijk voor verschillen in temperatuur
  9. Kretschmer en Sheldon
    Voorstanders van het nature standpunt, de basis ligt in de lichaamsbouw
  10. Voorstanders nurture
    benadrukt kneedbaarheid en plasticiteit menselijke psyche, die zich ontwikkelt onder invloed van omgeving en opvoeding
  11. Filosoof Locke
    Voorstanders nurture, menselijke geest oorspronkelijk tabula rasa (onbeschreven blad) dat geleidelijk via zintuiglijke indrukken en associaties wordt ingevuld. Geestesziekten ontstaan door verkeerd gelegde associaties. Basisidee van filosofische stroming empirisme en associationisme.
  12. Empiristen
    zintuiglijke gegevens zijn bouwstenen van menselijk bewustzijn.
  13. Associationisten
    afzonderlijke indrukken tot geheel worden samengesmeed.
  14. Introspectie
    Proefpersoon rapporteert zelf ervaring (Empiristen) nadeel, subjectief)
  15. Instrumentele, operante conditionering
    Thorndike, Skinner : Trial-and-error, interesse stimulus-respons verbindingen, wet van het effect (law of effect): Wanneer in situatie (stimulus) gedrag (respons) aangenaam gevolg heeft (beloning), versterkt dit stimulus-respons connectie; gevolg onaangenaam (straf) verzwakt connectie (afhankelijk van gedrag)
  16. Klassieke conditionering
    • Ivan Pavlov, conditionering synoniem voor associatie. Onafhankelijk van gedrag, psychische reflexlex
    • Pavlov ontdekte dat oorspronkelijk neutrale prikkel (stimuli) die aan voedsel voorafging, ook reactie uitlokt die lijkt op reactie op voedsel.
  17. Excitatorische (uitlokken) conditionering
    de voorwaardelijke stimulus/prikkel (aanvankelijk neutrale stimulus), lokt na leerproces voorwaardelijke reactie uit
  18. Inhibitorische (onderdrukken) conditionering
    proces waarbij de voorwaardelijke reactie wordt onderdrukt
  19. Contiguiteitsprincipe (onderlinge samenhang)
    UCS (voedsel) moet vlak na of tegelijkertijd met de CS (zoemer) worden aangeboden
  20. Bekrachtiging (reinforcement)
    koppeling CS, UCS vergroot kans dat CS, CR uitlokt
  21. Uitdoving/extinctie
    indien CS (zoemer) herhaalde malen niet meer wordt gevolgd door UCS (voedsel) dan verdwijnt de CR (speeksel) geleidelijk
  22. Herconditionering
    schijnbaar volledig uitgedoofde prikkel kon snel opnieuw worden geconditioneerd (herconditionering)
  23. Spontaan herstel
    na volledige uitdoving kwam plots de CR weer tevoorschijn.
  24. Renewal
    uitgedoofde CR, treedt hernieuwd op als CS wordt aangeboden in andere omgeving dan die waarin uitdoving heeft plaatsgevonden
  25. Generalisatie
    CR niet alleen werd uitgelokt door de specifieke CS maar ook door prikkels die er min of meer op lijken.
  26. Differentiële of selectieve conditionering
    ongedaan maken generalisatie door te leren anders te reageren op verschillende prikkels (eerst generaliseren maar na verloop van tijd verschil opmerken)
  27. Een prikkel kan inhibitorisch worden door:
    • Geconditioneerde inhibitie
    • Differentiële conditionering
    • Achterwaartse conditionering (backward conditioning)
  28. onderzoek van appetitieve naar aversieve conditionering
    • 1. Geleidt tot ontwikkeling verschillende modellen voor psychopathologie, vooral voor het ontstaan van angststoornissen.
    • 2. Leverden belangrijke inzichten op naar de aard van CR en UCR en over essentie van conditionering:
    • o CR is bijna nooit identiek aan UCR (zoals pavlov dacht namelijk beide speeksel) Bijvoorbeeld dier krijgt schok (UCS) reageert met pijn (UCR). CS (neutraal) is voorbode voor (UCS) en dier reageert met angst (CR) dus CR is heel anders dan UCR. CR eerder voorbereidende reactie op UCS die komt.
    • o Observeerbare gedragverandering niet essentie maar veeleer resultaat van kennis over aard van verbanden (associaties) die er bestaan tussen gebeurtenissen. (verbanden leren tussen 2 gebeutenissen)
  29. Meetprocedure bij geconditioneerde suppressie verloopt in drie fasen
    • 1. Proefdier leert voedsel krijgen door op hendel te drukken (operante conditionering)
    • 2. Onderzoeker neemt hendel weg. Dier krijgt zoemer te horen waarop elektrische schok volgt (klassieke conditionering)
    • 3. Hendel teruggeplaatst. Als dier op hendel drukt krijgt het ook zoemer te horen nu volgt er echter geen elektrische schok. Toch is het gevolg dat drukrespons vrijwel onmiddellijk wordt onderdrukt.
  30. UCS
    • Positief gewaardeerd (voedsel) UCS+
    • Negatief gewaardeerd (elektrische schok) UCS-
  31. Pavlov: Klassieke conditionering visie
    in fysiologische termen verwoord toch aanzet tot cognitieve visie op klassieke conditionering. Kern van leerproces was het leren van verband (associatie) tussen interne representaties van 2 stimuli, de CS en de UCS
  32. Behaviorist Watson S-R visie
    zuivere stimulus-respons visie (S-R- opvatting) het tot stand komen van nieuwe verbinding tussen CS en CR (speculatie over interne processen overbodig) Leren was hetzelfde als verwerven nieuw gedrag, gebaseerd op reacties op (externe) prikkels.
  33. Tolman visie
    die meer aansloot bij Pavlov maar niet in fysiologische termen verwoord. Cognitieve opvatting klassieke conditionering bestaat uit leren van samenhang tussen 2 prikkels waardoor de CS na verloop van tijd interne representatie oproept van UCS. (S-S-opvatting) gedrag wordt vertoond met als doel een bepaald resultaat te bereiken.
  34. Temporele contiguïteit (tussen CS UCS)
    beide prikkels komen in de tijd samen voor
  35. Perfecte contingentie (logische samenhang) tussen beide prikkels
    toedienen van UCS is volledig afhankelijk van de voorafgaande aanbieding van de CS. Deze logische samenhang verdwijnt als UCS tussendoor ook wordt toegediend zonder CS.
  36. Verassingskarakter
    Alleen als CS samenvalt met een verassende gebeurtenis, zal hij een nieuwe (geconditioneerde) betekenis krijgen. (kern van de Rescorla-Wagner theorie)
  37. Blokkeringseffect (competitie prikkels competition effect):
    • • Toon (CS) herhaalde malen gevolgd door elektrische schok (UCS) Na enkele keren lokt toon geconditioneerde angst uit.
    • • Toon samen met lichtprikkel aangeboden. Op beide prikkels volgt dezelfde schok. Dus beide perfecte voorspeller voor het optreden van aversieve UCS.
    • • Licht aangeboden zonder toon. Geconditioneerde angst treed niet op. Voorafgaande conditionering van toon heeft blokkerend effect op conditionering van licht. (lijkt qua procedure op hogere-ordeconditionering)
  38. Systematische desensitisatie
    gericht op geleidelijke uitdoving angstreactie door stimuli die angst ontlokken, te koppelen aan stimuli die als aangenaam worden ervaren.
  39. Instrumentele/operante conditionering
    leren samenhang, verband tussen gedrag en wat er als resultaat op volgt. (Versterking stimulus-respons verbinding) Thorndike Skinner
  40. Klassieke conditionering
    leren samenhang tussen oorspronkelijke neutrale prikkels (CS’s) en andere reeds betekenisvolle prikkels (UCS’s)
  41. Skinner, radicale behaviorist (onderscheidend van S-R-behavioristen)
    alleen ïnteresse in functionele samenhang gedrag/omgeving en niet in waarom en lak aan theoretische constructies. Vroeg zich of in natuurlijke omgeving ook sprake is van wetmatigheden gedrag. Toename gedrag geen versterking stimulus-responsverbinding immers geen stimulus die gedrag uitlokt; gedrag wordt spontaan gesteld (Operant gedrag)
  42. Primaire bekrachtigers
    zonder voorafgaand leerproces (van nature bekrachtiger)
  43. Secundaire bekrachtigers
    • oorspronkelijk neutrale stimuli, na leerproces bekrachtiger geworden.
    • Elke CS kan kan fungeren als secundaire bekrachtiger ook als relatie CS UCS los van de operante procedure werd geleerd.
  44. Bekrachtiging
    Frequentie gedrag neemt toe
  45. Straf
    Frequentie gedrag neemt af
  46. Approach-avoidance-conflict
    gedrag zowel wordt bekrachtigd als bestraft (ene keer door het drukken voedsel krijgen (bekrachtigd) andere keer stroomstoot (bestraft) dan ontstaat aarzeling tussen toenadering en vermijding (conflictueze toestand bron pathologisch gedrag)
  47. Skinner
    vooral onderzoek positieve bekrachtiging, toedienen van aangename stimuli
  48. Neobehavioristen (Miller, Mowrer)
    bestudeerden vooral negatieve bekrachtiging
  49. Continue
    iedere respons wordt bekrachtigd
  50. Partiele (onderbroken, intermitterende)
    • respons af en toe bekrachtigd:
    • o Periode tussen bekrachtiging wordt bepaald door:
    • ♣ Aantal responsen (ratio- verhoudingsschema)
    • ♣ Tijdsverloop (intervalschema)
    • o Periode tussen bekrachtiging is:
    • ♣ Fixed, constant, regelmatig
    • ♣ Variabel, wisselend
  51. Fixed-ratioschema (FR-schema)
    bekrachtiging na vast aantal responsen FR 5
  52. Fixed-intervalschema (FI-schema)
    bekrachtiging op 1e juiste reactie na vooraf bepaald tijdsverloop, F I4
  53. Variabele-ratio schema’s (VR-schema’s)
    bekrachtiging na wisselend aantal responsen, (na 4 dan na 2, dan na 8 etc.) VR 20 getal geeft gemiddelde aantal responsen vertonen voordat bekrachtiging wordt toegediend.
  54. Variabel-interval schema (VI-schema)
    bekrachtiging na verstrijken van wisselende tijdsperiode; (ene keer na 2 minuten, dan 1 , dan 4 etc.) VI 3 gemiddelde tijdsinterval tussen 2 bekrachtigingen 3 minuten.
  55. Partiele bekrachtigingsschema’s
    • sterke weerstand tegen uitdoving, vooral bij variabele schema’s.
    • Gedrag ene keer wel en de andere keer niet bekrachtigd is beter bestand tegen uitdoving dan gedrag dat continu bekrachtigd is.
  56. Response shaping of responsdifferentiatie
    stapsgewijs criteria verschuiven voor bekrachtiging in de richting van het doelgedrag. (aanleren niet spontaan gedrag) via positieve bekrachtiging is gedragverandering mogelijk.
  57. 2 vormen negatieve bekrachtingen
    • (1) –Sav (wegnemen aversieve stimulus) is ontsnappingsgedrag
    • (2) 0Sav (uitblijven aversieve stimulus) is vermijdingsgedrag
  58. Twee factoren theorie (Mowrer)
    • vermijdingsgedrag niet in stand gehouden door vermijden van externe aversieve prikkels maar door ontsnappen aan prikkels die door klassieke conditionering angst oproepen, samenspel van 2 leerprocessen:
    • • Leert eerst (klassieke conditionering) vreesreacties, conditioned emotional reaction (CER) te vertonen na aanbieding van de CS die aan de aversieve UCS voorafgaat
    • • Vervolgens leert men iets te doen (gedrag operant negatief bekrachtigd –Sav omdat vreestoestand ophoudt) om aan de CER te ontsnappen, waardoor men UCS vermijdt (conditioned avoidance reaction (CAR))
    • In schema CS->CER->CAR -Sav
    • (2 factoren klassiek en operant leren) vaak gebruikt bij angstklachten.
  59. Levis (Stampfl) Implosieve therapie
    behandelingsvorm, doel angstreacties uitdoven.
  60. Effect van vermijdingsgedrag:
    • • Negatieve toestand angst houdt op (-Sav) wegnemen
    • • Positieve toestand van veiligheid ontstaat doordat verwachte aversieve stimulus uitblijft (0Sav) uitblijven. Inhibitorische prikkel met positieve betekenis
  61. Positieve straf (+Sav)
    iets niet doen vanwege negatieve gevolgen gedrag
  62. Negatieve straf (-Sr)
    boosdoener iets positiefs wegnemen
  63. Negatieve straf (0Sr)
    aangename stimulus uitblijven
  64. operante conditionering - S-R, (Thorndike, Watson, Guthrie), Sd -> R (Sr)
    • o Leren is verwerven automatische verbinding stimulus (Sd)respons (R). Verbinding kan pas tot stand komen als beloning (Sr) volgt op respons.
    • o Sr is niet iets waarover maar waardoor geleerd wordt.
    • o Onderscheid leren (verwerven kennis) en performantie (uitvoeren gedrag) overbodig: leren is identiek aan verandering gedrag.
  65. operante conditionering - R-S (Tolman) Sd: R -> Sr
    • o Men leert niet omwille van de beloning (Sr) maar over relatie tussen gedrag (R) en beloning (Sr)
    • o Leerproces komt geleidelijk R-Sr-verwachting tot stand;gedrag wordt vertoond met als doel bepaald resultaat te bereiken. (impliceert, iemand ‘weet’ waarom hij iets doet of laat)
    • o Onderscheid leren en performantie. Leren is immers verwerven kennis samenhang tussen R en Sr en hoeft niet in actie/gedrag te worden omgezet.
    • o Stimulus (Sd) heeft niet uitlokkende functie voor gedrag maar geeft alleen de omstandigheden aan waaronder R-Sr-relatie van toepassing is.
  66. Het S-R model is niet eenvoudig of simplistisch:
    • • Meeste objecten geen simpele maar (hele verzameling) complexe stimuli
    • • 1 stimulus meerdere interacterende responsen kan induceren.
    • Responsehiërarchie, hele serie responsen waarin alle responsen op de betreffende stimulus geleerd hun plaats hebben.
    • • Interne responsen stimuli vormen die nieuwe interne responsen uitlokken
    • Matching law
    • wetmatige verhouding tussen keuzegedrag en bekrachtiging Voorkeur voor handelingen die:
    • o Frequentie, vaakst beloning opleveren
    • o Grootte, grootst mogelijke beloning opleveren
    • o Tijdstip, onmiddellijke beloning opleveren (in vergelijking met uitgesteld).
  67. Gedragseconomische benadering
    Keuzegedrag heeft veel overeenkomsten met economische theorieën consumentengedrag. Contingentiemanagement, contigente (voorwaardelijke) beloning bij bijvoorbeeld aan middelen gebonden stoornis en overgewicht kinderen veelbelovende therapiecomponent.
  68. (Seligman) Aangeleerde hulpeloosheid
    ervaring van onbeheersbaarheid (geen ontsnappingsmogelijkheid, onvermijdbaar) in de eerste fase maakt hulpeloos, ook op moment dat men wel iets kan ondernemen (ontsnappingsmogelijkheid die tot vermijdingsgedrag kan leiden) om aan de schokken te ontkomen. (gevolg apathie, passiviteit etc vergelijkbaar met symptomen en ook oorzaken depressieve)
  69. Gedragstherapie
    uitgangspunt leertheoretische benadering: sommige vormen ab-normaal gedrag onstaan en worden in stand gehouden door leerprocessen
  70. Gedragstherapie
    • vooral gericht op factoren die ongewenst gedrag in stand houden (angst- seksuele stoornissen, alcohol en drugsproblemen):
    • o Operante leerprincipes, gericht op gedragsverandering
    • o Klassieke leerprincipes, veranderen betekenissen
    • o Cognitieve gedragstherapie: disfunctionele denkwijzen afleren of cognitieve vaardigheden aanleren (domineert onderzoek naar psychopathologie).
  71. Kern gedragstherapie is functieanalyse
    in kaart brengen wat aan probleemgedrag voorafgaat (antecedente factoren) en gevolgen gedrag (consequente factoren)
  72. Exposuretherapie
    (duidelijk omschreven angst voor objecten of situaties en vormen psychopathologie waarbij angst een rol speelt
  73. Wolpe Systematische desensitisatie
    stapsgewijs (angst-hiërarchie) gecon-fronteerd met steeds angstwekkender stimuli (imaginaire confrontatie) met als doel angstreacties geleidelijk uit te doven door koppeling stimuli die angst uitlokken aan prettige stimuli die reactie oproepen onverenigbaar met angstreactie (antagonistische respons zoals spierontspanning en aangename fantasie)
  74. Flooding
    niet geleidelijk maar meteen langdurig aan de meest vreeswekkende stimulus blootgesteld, totdat men geen angst meer vertoont (gedachten of werkelijkheid)
  75. Vaardigheidstraining
    men leert via stapsgewijze oefeningen bepaalde vaardigheden waar men niet of onvoldoende over beschikt. Gewenste gedragingen worden positief bekrachtigd en vaak gebruik gemaakt van rollenspelen of ‘modeling

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview