temps_primitifs.txt

Card Set Information

Author:
BVH
ID:
160748
Filename:
temps_primitifs.txt
Updated:
2012-07-02 12:07:29
Tags:
Temps primitifs verbes néérlandais
Folders:

Description:
Principaux Temps primitifs en néérlandais
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user BVH on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Cuire.
    • Bakken
    • Bakte, bakten
    • Gebakken
  2. Commencer.
    • Beginnen
    • Begon, begonnen
    • Begonnen
  3. Comprendre (raisonnement).
    • Begrijpen
    • Begreep, begrepen
    • Begrepen
  4. Décider.
    • Besluiten
    • Besloot, besloten
    • Besloten
  5. Exister.
    • Bestaan
    • Bestond, bestonden
    • Bestaan
  6. Visiter.
    • Bezoeken
    • Bezocht, bezochten
    • Bezocht
  7. Prier.
    • Bidden
    • Bad, baden
    • Gebeden
  8. Offrir.
    • Bieden
    • Bood, boden
    • Geboden
  9. Morde.
    • Bijten
    • Beet, beten
    • Gebeten
  10. S'avérer, apparaître.
    • Blijken
    • Bleek, bleken
    • Gebleken
  11. Rester.
    • Blijven
    • Bleef, bleven
    • Gebleven
  12. Casser.
    • Breken
    • Brak, braken
    • Gebroken
  13. Apporter.
    • Brengen
    • Bracht, brachten
    • Gebracht
  14. Plier.
    • Buigen
    • Boog, bogen
    • Gebogen
  15. Penser.
    • Denken
    • Dacht, dachten
    • Gedacht
  16. Faire.
    • Doen
    • Deed, deden
    • Gedaan
  17. Porter.
    • Dragen
    • Droeg, Droegen
    • Gedragen
  18. Boire.
    • Drinken
    • Dronk, Dronken
    • Gedronken
  19. Plonger.
    • Duiken
    • Dook, Doken
    • Gedoken
  20. Manger.
    • Eten
    • At, Aten
    • Gegeten
  21. Siffler.
    • Fluiten
    • Floot, Floten
    • Gefloten
  22. Aller.
    • Gaan
    • Ging, Gingen
    • Gegaan
  23. Se comporter.
    • Gedragen
    • Gedroeg, Gedroegen
    • Gedragen
  24. Donner.
    • Geven
    • Gaf, Gaven
    • Gegeven
  25. Pendre, être accroché.
    • Hangen
    • Hing, Hingen
    • Gehangen
  26. Avoir.
    • Hebben
    • Had, Hadden
    • Gehad
  27. Aider.
    • Helpen
    • Hielp, Hielpen
    • Geholpen
  28. S'appeler.
    • Heten
    • Heette, Heetten
    • Geheten
  29. Garder, tenir.
    • Houden
    • Hield, Hielden
    • Gehouden
  30. Aimer.
    • Houden van
    • Hield, Hielden
    • Gehouden
  31. Choisir.
    • Kiezen
    • Koos, Kozen
    • Gekozen
  32. Regarder.
    • Kijken
    • Keek, Keken
    • Gekeken
  33. Grimper.
    • Klimmen
    • Klom, Klommen
    • Geklommen
  34. Venir.
    • Komen
    • Kwam, Kwamen
    • Gekomen
  35. acheter.
    • Kopen
    • Kocht, kochten
    • Gekocht
  36. Recevoir.
    • Krijgen
    • Kreeg, kregen
    • Gekregen
  37. Pouvoir (capacité).
    • Kunnen
    • Kon, konden
    • Gekund
  38. Rire.
    • Lachen
    • Lachte, lachten
    • Gelachen
  39. Laisser.
    • Laten
    • Liet, lieten
    • Gelaten
  40. Lire.
    • Lezen
    • Las, lazen
    • Gelezen
  41. Mentir.
    • Liegen
    • Loog, logen
    • Gelogen
  42. Se trouver, être couché.
    • Liggen
    • Lag, lagen
    • Gelegen
  43. Souffrir (d'une maladie).
    • Lijden aan
    • Leed, leden
    • Geleden
  44. Rassembler.
    • Lijken op
    • Leek, leken
    • Geleken
  45. Courir.
    • Lopen
    • Liep, liepen
    • Gelopen
  46. Devoir.
    • Moeten
    • Moest, moesten
    • Gemoeten
  47. Pouvoir (permission).
    • Mogen
    • Mocht, mochten
    • Gemogen
  48. Prendre.
    • Nemen
    • Nam, namen
    • Genomen
  49. Fréquenter.
    • Omgaan (met iemand omgaan)
    • Ging om, giggen om
    • Omgegaan (zijn)
  50. Se lever.
    • Opstaan
    • Stond op, stonden op
    • Opgestaan
  51. Décéder.
    • Overlijden
    • Overleed, overleden
    • Overleden
  52. Rouler (véhicule).
    • Rijden
    • Reed, reden
    • Gereden
  53. Crier, appeler.
    • Roepen
    • Riep, riepen
    • Geroepen
  54. Ecrire.
    • Schrijven
    • Schreef, schreven
    • Geschreven
  55. Dormir.
    • Slapen
    • Sliep, sliepen
    • Geslapen
  56. Sauter.
    • Springen
    • Sprong, sprongen
    • Gesprongen
  57. Etre debout.
    • Staan
    • Stond, stonden
    • Gestaan
  58. Mourir.
    • Sterven
    • Stierf, stierven
    • Gestorven
  59. Sortir.
    • Uitgaan
    • Ging uit, gingen uit
    • Uitgegaan
  60. Vendre.
    • Verkopen
    • Verkocht, verkochten
    • Verkocht
  61. Perdre.
    • Verliezen
    • Verloor, verloren
    • Verloren
  62. Apparaître.
    • Verschijnen
    • Verscheen, verschenen
    • Verschenen
  63. Comprendre (une langue).
    • Verstaan
    • Verstond, verstonden
    • Verstaan
  64. Partir.
    • Vertrekken
    • Vertrok, vertrokken
    • Vertrokken
  65. Inventer, imaginer.
    • Verzinnen
    • Verzon, verzonnen
    • Verzonnen
  66. Trouver.
    • Vinden
    • Vond, vonden
    • Gevonden
  67. Demander.
    • Vragen
    • Vroeg, vroegen
    • Gevraagd
  68. Jeter.
    • Werpen
    • Wierp, wierpen
    • Geworpen
  69. Vouloir.
    • Willen
    • Wilde/wou, wilden/wouden
    • Gewild
  70. gagner (un match).
    • Winnen
    • Won, wonnen
    • Gewonnen
  71. Devenir.
    • Worden
    • Werd, werden
    • Geworden
  72. Voir.
    • Zien
    • Zag, zagen
    • Gezien
  73. Etre.
    • Zijn
    • Was, waren
    • Geweest
  74. Etre assis, (se trouver).
    • Zitten
    • Zat, zaten
    • Gezeten
  75. Chercher.
    • Zoeken
    • Zocht, zochten
    • Gezocht
  76. Nager.
    • Zwemmen
    • Zwom, zwommen
    • Gezwommen
  77. Déjeuner
    • Ontbijten
    • Ontbeet, ontbeten
    • Ontbeten
  78. Recevoir
    • Ontvangen
    • Ontving, ontvingen
    • Ontvangen
  79. Briller, sembler
    • Schijnen
    • Scheen, schenen
    • Geschenen
  80. Frapper
    • Slaan
    • Sloeg, sloegen
    • Geslagen
  81. Fermer
    • Sluiten
    • Sloot, sloten
    • Gesloten
  82. Couper
    • Snijden
    • Sneed, sneden
    • Gesneden
  83. Parler
    • Spreken
    • Sprak, spraken
    • Gesproken
  84. Voler
    • Stelen
    • Stal, stalen
    • Gestolen
  85. Autoriser
    • Toelaten
    • Liet toe, lieten toe
    • Toegelaten
  86. Tirer
    • Trekken
    • Trok, trokken
    • Getrokken
  87. Tomber
    • Vallen
    • Viel, vielen
    • Gevallen
  88. Interdire
    • Verbieden
    • Verbood, verboden
    • Verbonden
  89. Disparaître
    • Verdwijnen
    • Verdween, verdweenen
    • Verdwenen
  90. Oublier
    • Vergeten
    • Vergat, vergaten
    • Vergeten
  91. Quitter
    • Verlaten
    • Verliet, verlieten
    • Verlaten
  92. Voler (dans les airs)
    • Vliegen
    • Vloog, vlogen
    • Gevlogen
  93. Lave
    • Wassen
    • Waste, was ten
    • Gewassen
  94. Peser
    • Wegen
    • Woog, wogen
    • Gewogen
  95. Savoir
    • Weten
    • Wist, wisten
    • Geweten
  96. Montrer, indiquer
    • Wijzen
    • Wees, wezen
    • Gewezen
  97. Dire
    • Zeggen
    • Zei, zeiden
    • Gezegd
  98. Envoyer
    • Zenden
    • Zond, zonden
    • Gezonden
  99. Chanter
    • Zingen
    • Zong, zongen
    • Gezongen
  100. Se taire
    • Zwijgen
    • Zweeg, zwegen
    • Gezwegen

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview