AlleTijdenIndefinido.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
180374
Filename:
AlleTijdenIndefinido.txt
Updated:
2012-10-28 15:32:58
Tags:
Indefinido
Folders:

Description:
Indefinido
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ik sprak
    hablé
  2. jij sprak
    hablaste
  3. hij/zij/u sprak
    habló
  4. wij spraken
    hablamos
  5. jullie spraken
    hablasteis
  6. zij spraken
    hablaron
  7. ik at
    comí
  8. jij at
    comiste
  9. hij/zij/u at
    comió
  10. wij aten
    comimos
  11. jullie aten
    comisteis
  12. zij aten
    comieron
  13. ik leefde
    viví
  14. jij leefde
    viviste
  15. hij/zij/u leefde
    vivió
  16. wij leefden
    vivimos
  17. jullie leefden
    vivisteis
  18. zij leefden
    vivieron
  19. ik werd geboren
    nací
  20. jij werd geboren
    naciste
  21. hij/zij/u werd geboren
    nació
  22. wij werden geboren
    nacimos
  23. jullie werden geboren
    nacisteis
  24. zij werden geboren
    nacieron
  25. ik ontving
    recibí
  26. jij ontving
    recibiste
  27. hij/zij/u ontving
    recibió
  28. wij ontvingen
    recibimos
  29. jullie ontvingen
    recibisteis
  30. zij ontvingen
    recibieron
  31. ik studeerde
    estudié
  32. jij studeerde
    estudiaste
  33. hij/zij/u studeerde
    estudió
  34. wij studeerden
    estudiamos
  35. jullie studeerden
    estudiasteis
  36. zij studeerden
    estudiaron
  37. ik besloot
    decidí
  38. jij besloot
    decidiste
  39. hij/zij/u besloot
    decidió
  40. wij besloten
    decidimos
  41. jullie besloten
    decidisteis
  42. zij besloten
    decidieron
  43. ik had
    tuve
  44. jij had
    tuviste
  45. hij/zij/u had
    tuvo
  46. wij hadden
    tuvimos
  47. jullie hadden
    tuvisteis
  48. zij hadden
    tuvieron
  49. ik was
    fui
  50. jij was
    fuiste
  51. hij/zij/u was
    fue
  52. wij waren
    fuimos
  53. jullie waren
    fuisteis
  54. zij waren
    fueron
  55. ik beïnvloedde
    influí
  56. jij beïnvloedde
    influiste
  57. hij/zij/u beïnvloedde
    influyó
  58. wij beïnvloedden
    influimos
  59. jullie beïnvloedden
    influisteis
  60. zij beïnvloedden
    influyeron
  61. ik liet zien
    manifesté
  62. jij liet zien
    manifestaste
  63. hij/zij/u liet zien
    manifestó
  64. wij lieten zien
    manifestamos
  65. jullie lieten zien
    manifestasteis
  66. zij lieten zien
    manifestaron
  67. ik deed open
    abrí
  68. jij deed open
    abriste
  69. hij/zij/u deed open
    abrió
  70. wij deden open
    abrimos
  71. jullie deden open
    abristeis
  72. zij deden open
    abrieron
  73. ik verhuisde
    me trasladé
  74. jij verhuisde
    te trasladaste
  75. hij/zij/u verhuisde
    se trasladó
  76. wij verhuisden
    nos trasladamos
  77. jullie verhuisden
    os trasladasteis
  78. zij verhuisden
    se trasladaron
  79. ik werkte
    trabajé
  80. jij werkte
    trabajaste
  81. hij/zij/u werkte
    trabajó
  82. wij werkten
    trabajamos
  83. jullie werkten
    trabajasteis
  84. zij werkten
    trabajaron
  85. ik trouwde
    me casé
  86. jij trouwde
    te casaste
  87. hij/zij/u trouwde
    se casó
  88. wij trouwden
    nos casamos
  89. jullie trouwden
    os casasteis
  90. zij trouwden
    se casaron
  91. ik ving aan
    comencé
  92. jij ving aan
    comenzaste
  93. hij/zij/u ving aan
    comenzó
  94. wij vingen aan
    comenzamos
  95. jullie vingen aan
    comenzasteis
  96. zij vingen aan
    comenzaron
  97. ik begon
    empecé
  98. jij begon
    empezaste
  99. hij/zij/u begon
    empezó
  100. wij begonnen
    empezamos
  101. jullie begonnen
    empezasteis
  102. zij begonnen
    empezaron
  103. ik stopte
    acabé
  104. jij stopte
    acabaste
  105. hij/zij/u stopte
    acabó
  106. wij stopten
    acabamos
  107. jullie stopten
    acabasteis
  108. zij stopten
    acabaron
  109. ik maakte af
    acabé
  110. jij maakte af
    acabaste
  111. hij/zij/u maakte af
    acabó
  112. wij maakten af
    acabamos
  113. jullie maakten af
    acabasteis
  114. zij maakten af
    acabaron
  115. ik zag
    vi
  116. jij zag
    viste
  117. hij/zij/u zag
    vio
  118. wij zagen
    vimos
  119. jullie zagen
    visteis
  120. zij zagen
    vieron
  121. ik kwam
    vine
  122. jij kwam
    viniste
  123. hij/zij/u kwam
    vino
  124. wij kwamen
    vinimos
  125. jullie kwamen
    vinisteis
  126. zij kwamen
    vinieron
  127. ik ging naar binnen
    entré
  128. jij ging naar binnen
    entraste
  129. hij/zij/u ging naar binnen
    entró
  130. wij gingen naar binnen
    entramos
  131. jullie gingen naar binnen
    entrasteis
  132. zij gingen naar binnen
    entraron
  133. ik stierf
    morí
  134. jij stierf
    moriste
  135. hij/zij/u stierf
    murió
  136. wij stierven
    morimos
  137. jullie stierven
    moristeis
  138. zij stierven
    murieron
  139. ik was
    estuve
  140. jij was
    estuviste
  141. hij/zij/u was
    estuvo
  142. wij waren
    estuvimos
  143. jullie waren
    estuvisteis
  144. zij waren
    estuvieron
  145. ik ging
    fui
  146. jij ging
    fuiste
  147. hij/zij/u ging
    fue
  148. wij gingen
    fuimos
  149. jullie gingen
    fuisteis
  150. zij gingen
    fueron
  151. ik deed
    hice
  152. jij deed
    hiciste
  153. hij/zij/u deed
    hizo
  154. wij deden
    hicimos
  155. jullie deden
    hicisteis
  156. zij deden
    hicieron
  157. ik maakte
    hice
  158. jij maakte
    hiciste
  159. hij/zij/u maakte
    hizo
  160. wij maakten
    hicimos
  161. jullie maakten
    hicisteis
  162. zij maakten
    hicieron
  163. ik kon
    pude
  164. jij kon
    pudiste
  165. hij/zij/u kon
    pudo
  166. wij konden
    pudimos
  167. jullie konden
    pudisteis
  168. zij konden
    pudieron
  169. ik zette neer
    puse
  170. jij zette neer
    pusiste
  171. hij/zij/u zette neer
    puso
  172. wij zetten neer
    pusimos
  173. jullie zetten neer
    pusisteis
  174. zij zetten neer
    pusieron
  175. ik had
    tuve
  176. jij had
    tuviste
  177. hij/zij/u had
    tuvo
  178. wij hadden
    tuvimos
  179. jullie hadden
    tuvisteis
  180. zij hadden
    tuvieron
  181. ik zei
    dije
  182. jij zei
    dijiste
  183. hij/zij/u zei
    dijo
  184. wij zeiden
    dijimos
  185. jullie zeiden
    dijisteis
  186. zij zeiden
    dijeron
  187. ik had (hulpwerkwoord)
    hube
  188. jij had (hulpwerkwoord)
    hubiste
  189. hij/zij/u had (hulpwerkwoord)
    hubo
  190. wij hadden (hulpwerkwoord)
    hubimos
  191. jullie hadden (hulpwerkwoord)
    hubisteis
  192. zij hadden (hulpwerkwoord)
    hubieron
  193. ik wist
    supe
  194. jij wist
    supiste
  195. hij/zij/u wist
    supo
  196. wij wisten
    supimos
  197. jullie wisten
    supisteis
  198. zij wisten
    supieron
  199. ik ging uit
    salí
  200. jij ging uit
    saliste
  201. hij/zij/u ging uit
    salió
  202. wij gingen uit
    salimos
  203. jullie gingen uit
    salisteis
  204. zij gingen uit
    salieron
  205. ik vertrok
    salí
  206. jij vertrok
    saliste
  207. hij/zij/u vertrok
    salió
  208. wij vertrokken
    salimos
  209. jullie vertrokken
    salisteis
  210. zij vertrokken
    salieron
  211. ik las
    leí
  212. jij las
    leíste
  213. hij/zij/u las
    leyó
  214. wij lazen
    leímos
  215. jullie lazen
    leísteis
  216. zij lazen
    leyeron
  217. ik schreef
    escribí
  218. jij schreef
    escribiste
  219. hij/zij/u schreef
    escribió
  220. wij schreven
    escribimos
  221. jullie schreven
    escribisteis
  222. zij schreven
    escribieron
  223. ik keerde terug
    volví
  224. jij keerde terug
    volviste
  225. hij/zij/u keerde terug
    volvió
  226. wij keerden terug
    volvimos
  227. jullie keerden terug
    volvisteis
  228. zij keerden terug
    volvieron
  229. ik lachte
    reí
  230. jij lachte
    reíste
  231. hij/zij/u lachte
    rio
  232. wij lachten
    reímos
  233. jullie lachten
    reísteis
  234. zij lachten
    rieron
  235. ik betaalde
    pagué
  236. jij betaalde
    pagaste
  237. hij/zij/u betaalde
    pagó
  238. wij betaalden
    pagamos
  239. jullie betaalden
    pagasteis
  240. zij betaalden
    pagaron
  241. ik danste
    bailé
  242. jij danste
    bailaste
  243. hij/zij/u danste
    bailó
  244. wij dansten
    bailamos
  245. jullie dansten
    bailasteis
  246. zij dansten
    bailaron
  247. ik zocht
    busqué
  248. jij zocht
    buscaste
  249. hij/zij/u zocht
    buscó
  250. wij zochten
    buscamos
  251. jullie zochten
    buscasteis
  252. zij zochten
    buscaron
  253. ik haalde op
    busqué
  254. jij haalde op
    buscaste
  255. hij/zij/u haalde op
    buscó
  256. wij haalden op
    buscamos
  257. jullie haalden op
    buscasteis
  258. zij haalden op
    buscaron
  259. ik zong
    canté
  260. jij zong
    cantaste
  261. hij/zij/u zong
    cantó
  262. wij zongen
    cantamos
  263. jullie zongen
    cantasteis
  264. zij zongen
    cantaron
  265. ik dineerde
    cené
  266. jij dineerde
    cenaste
  267. hij/zij/u dineerde
    cenó
  268. wij dineerden
    cenamos
  269. jullie dineerden
    cenasteis
  270. zij dineerden
    cenaron
  271. ik ontbeet
    desayuné
  272. jij ontbeet
    desayunaste
  273. hij/zij/u ontbeet
    desayunó
  274. wij ontbeten
    desayunamos
  275. jullie ontbeten
    desayunasteis
  276. zij ontbeten
    desayunaron
  277. ik luisterde
    escuché
  278. jij luisterde
    escuchaste
  279. hij/zij/u luisterde
    escuchó
  280. wij luisterden
    escuchamos
  281. jullie luisterden
    escuchasteis
  282. zij luisterden
    escucharon
  283. ik wachtte
    esperé
  284. jij wachtte
    esperaste
  285. hij/zij/u wachtte
    esperó
  286. wij wachtten
    esperamos
  287. jullie wachtten
    esperasteis
  288. zij wachtten
    esperaron
  289. ik hoopte
    esperé
  290. jij hoopte
    esperaste
  291. hij/zij/u hoopte
    esperó
  292. wij hoopten
    esperamos
  293. jullie hoopten
    esperasteis
  294. zij hoopten
    esperaron
  295. ik studeerde
    estudié
  296. jij studeerde
    estudiaste
  297. hij/zij/u studeerde
    estudió
  298. wij studeerden
    estudiamos
  299. jullie studeerden
    estudiasteis
  300. zij studeerden
    estudiaron
  301. ik riep
    llamé
  302. jij riep
    llamaste
  303. hij/zij/u riep
    llamó
  304. wij riepen
    llamamos
  305. jullie riepen
    llamasteis
  306. zij riepen
    llamaron
  307. ik belde
    llamé
  308. jij belde
    llamaste
  309. hij/zij/u belde
    llamó
  310. wij belden
    llamamos
  311. jullie belden
    llamasteis
  312. zij belden
    llamaron
  313. ik huilde
    lloré
  314. jij huilde
    lloraste
  315. hij/zij/u huilde
    lloró
  316. wij huilden
    lloramos
  317. jullie huilden
    llorasteis
  318. zij huilden
    lloraron
  319. ik zwemde
    nadé
  320. jij zwemde
    nadaste
  321. hij/zij/u zwemde
    nadó
  322. wij zwemden
    nadamos
  323. jullie zwemden
    nadasteis
  324. zij zwemden
    nadaron
  325. ik had nodig
    necesité
  326. jij had nodig
    necesitaste
  327. hij/zij/u had nodig
    necesitó
  328. wij hadden nodig
    necesitamos
  329. jullie hadden nodig
    necesitasteis
  330. zij hadden nodig
    necesitaron
  331. ik beëindigde
    terminé
  332. jij beëindigde
    terminaste
  333. hij/zij/u beëindigde
    terminó
  334. wij beëindigden
    terminamos
  335. jullie beëindigden
    terminasteis
  336. zij beëindigden
    terminaron
  337. ik nam
    tomé
  338. jij nam
    tomaste
  339. hij/zij/u nam
    tomó
  340. wij namen
    tomamos
  341. jullie namen
    tomasteis
  342. zij namen
    tomaron
  343. ik werkte
    trabajé
  344. jij werkte
    trabajaste
  345. hij/zij/u werkte
    trabajó
  346. wij werkten
    trabajamos
  347. jullie werkten
    trabajasteis
  348. zij werkten
    trabajaron
  349. ik reisde
    viajé
  350. jij reisde
    viajaste
  351. hij/zij/u reisde
    viajó
  352. wij reisden
    viajamos
  353. jullie reisden
    viajasteis
  354. zij reisden
    viajaron
  355. ik leerde
    aprendí
  356. jij leerde
    aprendiste
  357. hij/zij/u leerde
    aprendió
  358. wij leerden
    aprendimos
  359. jullie leerden
    aprendisteis
  360. zij leerden
    aprendieron
  361. ik at
    comí
  362. jij at
    comiste
  363. hij/zij/u at
    comió
  364. wij aten
    comimos
  365. jullie aten
    comisteis
  366. zij aten
    comieron
  367. ik begreep
    comprendí
  368. jij begreep
    comprendiste
  369. hij/zij/u begreep
    comprendió
  370. wij begrepen
    comprendimos
  371. jullie begrepen
    comprendisteis
  372. zij begrepen
    comprendieron
  373. ik rende
    corrí
  374. jij rende
    corriste
  375. hij/zij/u rende
    corrió
  376. wij renden
    corrimos
  377. jullie renden
    corristeis
  378. zij renden
    corrieron
  379. ik geloofde
    creí
  380. jij geloofde
    creíste
  381. hij/zij/u geloofde
    creyó
  382. wij geloofden
    creímos
  383. jullie geloofden
    creísteis
  384. zij geloofden
    creyeron
  385. ik beloofde
    prometí
  386. jij beloofde
    prometiste
  387. hij/zij/u beloofde
    prometió
  388. wij beloofden
    prometimos
  389. jullie beloofden
    prometisteis
  390. zij beloofden
    prometieron
  391. ik verkocht
    vendí
  392. jij verkocht
    vendiste
  393. hij/zij/u verkocht
    vendió
  394. wij verkochten
    vendimos
  395. jullie verkochten
    vendisteis
  396. zij verkochten
    vendieron
  397. ik dronk
    bebí
  398. jij dronk
    bebiste
  399. hij/zij/u dronk
    bebió
  400. wij dronken
    bebimos
  401. jullie dronken
    bebisteis
  402. zij dronken
    bebieron
  403. ik deed open
    abrí
  404. jij deed open
    abriste
  405. hij/zij/u deed open
    abrió
  406. wij deden open
    abrimos
  407. jullie deden open
    abristeis
  408. zij deden open
    abrieron
  409. ik ontving
    recibí
  410. jij ontving
    recibiste
  411. hij/zij/u ontving
    recibió
  412. wij ontvingen
    recibimos
  413. jullie ontvingen
    recibisteis
  414. zij ontvingen
    recibieron
  415. ik steeg
    subí
  416. jij steeg
    subiste
  417. hij/zij/u steeg
    subió
  418. wij stegen
    subimos
  419. jullie stegen
    subisteis
  420. zij stegen
    subieron
  421. ik daalde
    bajé
  422. jij daalde
    bajaste
  423. hij/zij/u daalde
    bajó
  424. wij daalden
    bajamos
  425. jullie daalden
    bajasteis
  426. zij daalden
    bajaron
  427. ik wilde
    quise
  428. jij wilde
    quisiste
  429. hij/zij/u wilde
    quiso
  430. wij wilden
    quisimos
  431. jullie wilden
    quisisteis
  432. zij wilden
    quisieron
  433. ik hield van
    quise
  434. jij hield van
    quisiste
  435. hij/zij/u hield van
    quiso
  436. wij hielden van
    quisimos
  437. jullie hielden van
    quisisteis
  438. zij hielden van
    quisieron
  439. ik speelde
    jugué
  440. jij speelde
    jugaste
  441. hij/zij/u speelde
    jugó
  442. wij speelden
    jugamos
  443. jullie speelden
    jugasteis
  444. zij speelden
    jugaron
  445. ik deed gewoonlijk
    solí
  446. jij deed gewoonlijk
    soliste
  447. hij/zij/u deed gewoonlijk
    solió
  448. wij deden gewoonlijk
    solimos
  449. jullie deden gewoonlijk
    solisteis
  450. zij deden gewoonlijk
    solieron
  451. ik keek
    miré
  452. jij keek
    miraste
  453. hij/zij/u keek
    miró
  454. wij keken
    miramos
  455. jullie keken
    mirasteis
  456. zij keken
    miraron
  457. ik kookte
    cociné
  458. jij kookte
    cocinaste
  459. hij/zij/u kookte
    cocinó
  460. wij kookten
    cocinamos
  461. jullie kookten
    cocinasteis
  462. zij kookten
    cocinaron
  463. ik kwam aan
    llegué
  464. jij kwam aan
    llegaste
  465. hij/zij/u kwam aan
    llegó
  466. wij kwamen aan
    llegamos
  467. jullie kwamen aan
    llegasteis
  468. zij kwamen aan
    llegaron
  469. ik vergat
    olvidé
  470. jij vergat
    olvidaste
  471. hij/zij/u vergat
    olvidó
  472. wij vergaten
    olvidamos
  473. jullie vergaten
    olvidasteis
  474. zij vergaten
    olvidaron
  475. ik stuurde
    mandé
  476. jij stuurde
    mandaste
  477. hij/zij/u stuurde
    mandó
  478. wij stuurden
    mandamos
  479. jullie stuurden
    mandasteis
  480. zij stuurden
    mandaron
  481. ik leidde
    mandé
  482. jij leidde
    mandaste
  483. hij/zij/u leidde
    mandó
  484. wij leidden
    mandamos
  485. jullie leidden
    mandasteis
  486. zij leidden
    mandaron
  487. ik reserveerde
    reservé
  488. jij reserveerde
    reservaste
  489. hij/zij/u reserveerde
    reservó
  490. wij reserveerden
    reservamos
  491. jullie reserveerden
    reservasteis
  492. zij reserveerden
    reservaron
  493. ik gaf
    di
  494. jij gaf
    diste
  495. hij/zij/u gaf
    dio
  496. wij gaven
    dimos
  497. jullie gaven
    disteis
  498. zij gaven
    dieron
  499. ik probeerde
    intenté
  500. jij probeerde
    intentaste
  501. hij/zij/u probeerde
    intentó
  502. wij probeerden
    intentamos
  503. jullie probeerden
    intentasteis
  504. zij probeerden
    intentaron
  505. ik steelde
    robé
  506. jij steelde
    robaste
  507. hij/zij/u steelde
    robó
  508. wij steelden
    robamos
  509. jullie steelden
    robasteis
  510. zij steelden
    robaron
  511. ik huurde
    alquilé
  512. jij huurde
    alquilaste
  513. hij/zij/u huurde
    alquiló
  514. wij huurden
    alquilamos
  515. jullie huurden
    alquilasteis
  516. zij huurden
    alquilaron
  517. ik maakte kapot
    rompí
  518. jij maakte kapot
    rompiste
  519. hij/zij/u maakte kapot
    rompió
  520. wij maakten kapot
    rompimos
  521. jullie maakten kapot
    rompisteis
  522. zij maakten kapot
    rompieron
  523. ik brak
    rompí
  524. jij brak
    rompiste
  525. hij/zij/u brak
    rompió
  526. wij braken
    rompimos
  527. jullie braken
    rompisteis
  528. zij braken
    rompieron
  529. ik nam (een afslag)
    cogí
  530. jij nam (een afslag)
    cogiste
  531. hij/zij/u nam (een afslag)
    cogió
  532. wij namen (een afslag)
    cogimos
  533. jullie namen (een afslag)
    cogisteis
  534. zij namen (een afslag)
    cogieron
  535. ik sloeg af
    giré
  536. jij sloeg af
    giraste
  537. hij/zij/u sloeg af
    giró
  538. wij sloegen af
    giramos
  539. jullie sloegen af
    girasteis
  540. zij sloegen af
    giraron
  541. ik draaide
    giré
  542. jij draaide
    giraste
  543. hij/zij/u draaide
    giró
  544. wij draaiden
    giramos
  545. jullie draaiden
    girasteis
  546. zij draaiden
    giraron
  547. ik passeerde
    pasé
  548. jij passeerde
    pasaste
  549. hij/zij/u passeerde
    pasó
  550. wij passeerden
    pasamos
  551. jullie passeerden
    pasasteis
  552. zij passeerden
    pasaron
  553. ik volgde
    seguí
  554. jij volgde
    seguiste
  555. hij/zij/u volgde
    siguió
  556. wij volgden
    seguimos
  557. jullie volgden
    seguisteis
  558. zij volgden
    siguieron
  559. ik ging door
    seguí
  560. jij ging door
    seguiste
  561. hij/zij/u ging door
    siguió
  562. wij gingen door
    seguimos
  563. jullie gingen door
    seguisteis
  564. zij gingen door
    siguieron
  565. ik dacht
    pensé
  566. jij dacht
    pensaste
  567. hij/zij/u dacht
    pensó
  568. wij dachten
    pensamos
  569. jullie dachten
    pensasteis
  570. zij dachten
    pensaron
  571. ik rekende
    conté
  572. jij rekende
    contaste
  573. hij/zij/u rekende
    contó
  574. wij rekenden
    contamos
  575. jullie rekenden
    contasteis
  576. zij rekenden
    contaron
  577. ik vertelde
    conté
  578. jij vertelde
    contaste
  579. hij/zij/u vertelde
    contó
  580. wij vertelden
    contamos
  581. jullie vertelden
    contasteis
  582. zij vertelden
    contaron
  583. ik bestelde
    pedí
  584. jij bestelde
    pediste
  585. hij/zij/u bestelde
    pidió
  586. wij bestelden
    pedimos
  587. jullie bestelden
    pedisteis
  588. zij bestelden
    pidieron
  589. ik verzocht
    pedí
  590. jij verzocht
    pediste
  591. hij/zij/u verzocht
    pidió
  592. wij verzochten
    pedimos
  593. jullie verzochten
    pedisteis
  594. zij verzochten
    pidieron
  595. ik vroeg
    pregunté
  596. jij vroeg
    preguntaste
  597. hij/zij/u vroeg
    preguntó
  598. wij vroegen
    preguntamos
  599. jullie vroegen
    preguntasteis
  600. zij vroegen
    preguntaron
  601. ik sprak af
    quedé
  602. jij sprak af
    quedaste
  603. hij/zij/u sprak af
    quedó
  604. wij spraken af
    quedamos
  605. jullie spraken af
    quedasteis
  606. zij spraken af
    quedaron
  607. ik bleef
    quedé
  608. jij bleef
    quedaste
  609. hij/zij/u bleef
    quedó
  610. wij bleven
    quedamos
  611. jullie bleven
    quedasteis
  612. zij bleven
    quedaron
  613. ik wenste
    deseé
  614. jij wenste
    deseaste
  615. hij/zij/u wenste
    deseó
  616. wij wensten
    deseamos
  617. jullie wensten
    deseasteis
  618. zij wensten
    desearon
  619. ik sliep
    dormí
  620. jij sliep
    dormiste
  621. hij/zij/u sliep
    durmió
  622. wij sliepen
    dormimos
  623. jullie sliepen
    dormisteis
  624. zij sliepen
    durmieron
  625. ik groeide op
    crecí
  626. jij groeide op
    creciste
  627. hij/zij/u groeide op
    creció
  628. wij groeiden op
    crecimos
  629. jullie groeiden op
    crecisteis
  630. zij groeiden op
    crecieron
  631. ik voelde
    sentí
  632. jij voelde
    sentiste
  633. hij/zij/u voelde
    sintió
  634. wij voelden
    sentimos
  635. jullie voelden
    sentisteis
  636. zij voelden
    sintieron
  637. ik viel
    senté
  638. jij viel
    sentaste
  639. hij/zij/u viel
    sentó
  640. wij vielen
    sentamos
  641. jullie vielen
    sentasteis
  642. zij vielen
    sentaron
  643. ik zat
    senté
  644. jij zat
    sentaste
  645. hij/zij/u zat
    sentó
  646. wij zaten
    sentamos
  647. jullie zaten
    sentasteis
  648. zij zaten
    sentaron
  649. ik vertaalde
    traduje
  650. jij vertaalde
    tradujiste
  651. hij/zij/u vertaalde
    tradujo
  652. wij vertaalden
    tradujimos
  653. jullie vertaalden
    tradujisteis
  654. zij vertaalden
    tradujeron
  655. ik rook
    olí
  656. jij rook
    oliste
  657. hij/zij/u rook
    olió
  658. wij roken
    olimos
  659. jullie roken
    olisteis
  660. zij roken
    olieron
  661. ik nam mee
    traje
  662. jij nam mee
    trajiste
  663. hij/zij/u nam mee
    trajo
  664. wij namen mee
    trajimos
  665. jullie namen mee
    trajisteis
  666. zij namen mee
    trajeron
  667. ik bracht
    traje
  668. jij bracht
    trajiste
  669. hij/zij/u bracht
    trajo
  670. wij brachten
    trajimos
  671. jullie brachten
    trajisteis
  672. zij brachten
    trajeron
  673. ik bedekte
    cubrí
  674. jij bedekte
    cubriste
  675. hij/zij/u bedekte
    cubrió
  676. wij bedekten
    cubrimos
  677. jullie bedekten
    cubristeis
  678. zij bedekten
    cubrieron
  679. ik beschermde
    cubrí
  680. jij beschermde
    cubriste
  681. hij/zij/u beschermde
    cubrió
  682. wij beschermden
    cubrimos
  683. jullie beschermden
    cubristeis
  684. zij beschermden
    cubrieron
  685. ik beschreef
    describí
  686. jij beschreef
    describiste
  687. hij/zij/u beschreef
    describió
  688. wij beschreven
    describimos
  689. jullie beschreven
    describisteis
  690. zij beschreven
    describieron
  691. ik had aan (van kleding)
    vestí
  692. jij had aan (van kleding)
    vestiste
  693. hij/zij/u had aan (van kleding)
    vistió
  694. wij hadden aan (van kleding)
    vestimos
  695. jullie hadden aan (van kleding)
    vestisteis
  696. zij hadden aan (van kleding)
    vistieron
  697. ik verliet
    dejé
  698. jij verliet
    dejaste
  699. hij/zij/u verliet
    dejó
  700. wij verlieten
    dejamos
  701. jullie verlieten
    dejasteis
  702. zij verlieten
    dejaron
  703. ik liet achter
    dejé
  704. jij liet achter
    dejaste
  705. hij/zij/u liet achter
    dejó
  706. wij lieten achter
    dejamos
  707. jullie lieten achter
    dejasteis
  708. zij lieten achter
    dejaron
  709. ik verborg
    escondí
  710. jij verborg
    escondiste
  711. hij/zij/u verborg
    escondió
  712. wij verborgen
    escondimos
  713. jullie verborgen
    escondisteis
  714. zij verborgen
    escondieron
  715. ik vulde in (formulier)
    rellené
  716. jij vulde in (formulier)
    rellenaste
  717. hij/zij/u vulde in (formulier)
    rellenó
  718. wij vulden in (formulier)
    rellenamos
  719. jullie vulden in (formulier)
    rellenasteis
  720. zij vulden in (formulier)
    rellenaron
  721. ik spaarde
    ahorré
  722. jij spaarde
    ahorraste
  723. hij/zij/u spaarde
    ahorró
  724. wij spaarden
    ahorramos
  725. jullie spaarden
    ahorrasteis
  726. zij spaarden
    ahorraron
  727. ik kocht
    compré
  728. jij kocht
    compraste
  729. hij/zij/u kocht
    compró
  730. wij kochten
    compramos
  731. jullie kochten
    comprasteis
  732. zij kochten
    compraron
  733. ik begeleidde
    acompañé
  734. jij begeleidde
    acompañaste
  735. hij/zij/u begeleidde
    acompañó
  736. wij begeleidden
    acompañamos
  737. jullie begeleidden
    acompañasteis
  738. zij begeleidden
    acompañaron
  739. ik verkreeg
    conseguí
  740. jij verkreeg
    conseguiste
  741. hij/zij/u verkreeg
    consiguió
  742. wij verkregen
    conseguimos
  743. jullie verkregen
    conseguisteis
  744. zij verkregen
    consiguieron
  745. ik parkeerde
    aparqué
  746. jij parkeerde
    aparcaste
  747. hij/zij/u parkeerde
    aparcó
  748. wij parkeerden
    aparcamos
  749. jullie parkeerden
    aparcasteis
  750. zij parkeerden
    aparcaron
  751. ik viel
    caí
  752. jij viel
    caíste
  753. hij/zij/u viel
    cayó
  754. wij vielen
    caímos
  755. jullie vielen
    caísteis
  756. zij vielen
    cayeron
  757. ik hoorde
  758. jij hoorde
    oíste
  759. hij/zij/u hoorde
    oyó
  760. wij hoorden
    oímos
  761. jullie hoorden
    oísteis
  762. zij hoorden
    oyeron
  763. ik kende
    conocí
  764. jij kende
    conociste
  765. hij/zij/u kende
    conoció
  766. wij kenden
    conocimos
  767. jullie kenden
    conocisteis
  768. zij kenden
    conocieron
  769. ik leek
    parecí
  770. jij leek
    pareciste
  771. hij/zij/u leek
    pareció
  772. wij leken
    parecimos
  773. jullie leken
    parecisteis
  774. zij leken
    parecieron
  775. ik beveelde aan
    recomendé
  776. jij beveelde aan
    recomendaste
  777. hij/zij/u beveelde aan
    recomendó
  778. wij beveelden aan
    recomendamos
  779. jullie beveelden aan
    recomendasteis
  780. zij beveelden aan
    recomendaron
  781. ik had lief
    amé
  782. jij had lief
    amaste
  783. hij/zij/u had lief
    amó
  784. wij hadden lief
    amamos
  785. jullie hadden lief
    amasteis
  786. zij hadden lief
    amaron
  787. ik groeide
    crecí
  788. jij groeide
    creciste
  789. hij/zij/u groeide
    creció
  790. wij groeiden
    crecimos
  791. jullie groeiden
    crecisteis
  792. zij groeiden
    crecieron
  793. ik hield op
    abandoné
  794. jij hield op
    abandonaste
  795. hij/zij/u hield op
    abandonó
  796. wij hielden op
    abandonamos
  797. jullie hielden op
    abandonasteis
  798. zij hielden op
    abandonaron
  799. ik gaf op
    abandoné
  800. jij gaf op
    abandonaste
  801. hij/zij/u gaf op
    abandonó
  802. wij gaven op
    abandonamos
  803. jullie gaven op
    abandonasteis
  804. zij gaven op
    abandonaron
  805. ik negeerde
    negué
  806. jij negeerde
    negaste
  807. hij/zij/u negeerde
    negó
  808. wij negeerden
    negamos
  809. jullie negeerden
    negasteis
  810. zij negeerden
    negaron
  811. ik ontkende
    negué
  812. jij ontkende
    negaste
  813. hij/zij/u ontkende
    negó
  814. wij ontkenden
    negamos
  815. jullie ontkenden
    negasteis
  816. zij ontkenden
    negaron

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview