AlleTijdenPerfecto.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
180376
Filename:
AlleTijdenPerfecto.txt
Updated:
2012-10-28 15:33:53
Tags:
Perfecto
Folders:

Description:
Perfecto
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ik heb gesproken
    he hablado
  2. jij hebt gesproken
    has hablado
  3. hij/zij/u heeft gesproken
    ha hablado
  4. wij hebben gesproken
    hemos hablado
  5. jullie hebben gesproken
    habéis hablado
  6. zij hebben gesproken
    han hablado
  7. ik heb gegeten
    he comido
  8. jij hebt gegeten
    has comido
  9. hij/zij/u heeft gegeten
    ha comido
  10. wij hebben gegeten futuro
    hemos comido
  11. jullie hebben gegeten
    habéis comido
  12. zij hebben gegeten
    han comido
  13. ik heb geleefd
    he vivido
  14. jij hebt geleefd
    has vivido
  15. hij/zij/u heeft geleefd
    ha vivido
  16. wij hebben geleefd
    hemos vivido
  17. jullie hebben geleefd
    habéis vivido
  18. zij hebben geleefd
    han vivido
  19. ik ben geboren
    he nacido
  20. jij bent geboren
    has nacido
  21. hij/zij/u is geboren
    ha nacido
  22. wij zijn geboren
    hemos nacido
  23. jullie zijn geboren
    habéis nacido
  24. zij zijn geboren
    han nacido
  25. ik heb ontvangen
    he recibido
  26. jij hebt ontvangen
    has recibido
  27. hij/zij/u heeft ontvangen
    ha recibido
  28. wij hebben ontvangen
    hemos recibido
  29. jullie hebben ontvangen
    habéis recibido
  30. zij hebben ontvangen
    han recibido
  31. ik heb gestudeerd
    he estudiado
  32. jij hebt gestudeerd
    has estudiado
  33. hij/zij/u heeft gestudeerd
    ha estudiado
  34. wij hebben gestudeerd
    hemos estudiado
  35. jullie hebben gestudeerd
    habéis estudiado
  36. zij hebben gestudeerd
    han estudiado
  37. ik heb besloten
    he decidido
  38. jij hebt besloten
    has decidido
  39. hij/zij/u heeft besloten
    ha decidido
  40. wij hebben besloten
    hemos decidido
  41. jullie hebben besloten
    habéis decidido
  42. zij hebben besloten
    han decidido
  43. ik heb gehad
    he tenido
  44. jij hebt gehad
    has tenido
  45. hij/zij/u heeft gehad
    ha tenido
  46. wij hebben gehad
    hemos tenido
  47. jullie hebben gehad
    habéis tenido
  48. zij hebben gehad
    han tenido
  49. ik ben geweest
    he sido
  50. jij bent geweest
    has sido
  51. hij/zij/u is geweest
    ha sido
  52. wij zijn geweest
    hemos sido
  53. jullie zijn geweest
    habéis sido
  54. zij zijn geweest
    han sido
  55. ik heb beïnvloed
    he influido
  56. jij hebt beïnvloed
    has influido
  57. hij/zij/u heeft beïnvloed
    ha influido
  58. wij hebben beïnvloed
    hemos influido
  59. jullie hebben beïnvloed
    habéis influido
  60. zij hebben beïnvloed
    han influido
  61. ik heb laten zien
    he manifestado
  62. jij hebt laten zien
    has manifestado
  63. hij/zij/u heeft laten zien
    ha manifestado
  64. wij hebben laten zien
    hemos manifestado
  65. jullie hebben laten zien
    habéis manifestado
  66. zij hebben laten zien
    han manifestado
  67. ik heb open gedaan
    he abierto
  68. jij hebt open gedaan
    has abierto
  69. hij/zij/u heeft open gedaan
    ha abierto
  70. wij hebben open gedaan
    hemos abierto
  71. jullie hebben open gedaan
    habéis abierto
  72. zij hebben open gedaan
    han abierto
  73. ik ben verhuisd
    he trasladado
  74. jij bent verhuisd
    has trasladado
  75. hij/zij/u is verhuisd
    ha trasladado
  76. wij zijn verhuisd
    hemos trasladado
  77. jullie zijn verhuisd
    habéis trasladado
  78. zij zijn verhuisd
    han trasladado
  79. ik heb gewerkt
    he trabajado
  80. jij hebt gewerkt
    has trabajado
  81. hij/zij/u heeft gewerkt
    ha trabajado
  82. wij hebben gewerkt
    hemos trabajado
  83. jullie hebben gewerkt
    habéis trabajado
  84. zij hebben gewerkt
    han trabajado
  85. ik ben getrouwd geweest
    he casado
  86. jij bent getrouwd geweest
    has casado
  87. hij/zij/u is getrouwd geweest
    ha casado
  88. wij zijn getrouwd geweest
    hemos casado
  89. jullie zijn getrouwd geweest
    habéis casado
  90. zij zijn getrouwd geweest
    han casado
  91. ik heb aangevangen
    he comenzado
  92. jij hebt aangevangen
    has comenzado
  93. hij/zij/u heeft aangevangen
    ha comenzado
  94. wij hebben aangevangen
    hemos comenzado
  95. jullie hebben aangevangen
    habéis comenzado
  96. zij hebben aangevangen
    han comenzado
  97. ik ben begonnen
    he empezado
  98. jij bent begonnen
    has empezado
  99. hij/zij/u is begonnen
    ha empezado
  100. wij zijn begonnen
    hemos empezado
  101. jullie zijn begonnen
    habéis empezado
  102. zij zijn begonnen
    han empezado
  103. ik ben gestopt
    he acabado
  104. jij bent gestopt
    has acabado
  105. hij/zij/u is gestopt
    ha acabado
  106. wij zijn gestopt
    hemos acabado
  107. jullie zijn gestopt
    habéis acabado
  108. zij zijn gestopt
    han acabado
  109. ik heb afgemaakt
    he acabado
  110. jij hebt afgemaakt
    has acabado
  111. hij/zij/u heeft afgemaakt
    ha acabado
  112. wij hebben afgemaakt
    hemos acabado
  113. jullie hebben afgemaakt
    habéis acabado
  114. zij hebben afgemaakt
    han acabado
  115. ik heb gezien
    he visto
  116. jij hebt gezien
    has visto
  117. hij/zij/u heeft gezien
    ha visto
  118. wij hebben gezien
    hemos visto
  119. jullie hebben gezien
    habéis visto
  120. zij hebben gezien
    han visto
  121. ik ben gekomen
    he venido
  122. jij bent gekomen
    has venido
  123. hij/zij/u is gekomen
    ha venido
  124. wij zijn gekomen
    hemos venido
  125. jullie zijn gekomen
    habéis venido
  126. zij zijn gekomen
    han venido
  127. ik ben naar binnen gegaan
    he entrado
  128. jij bent naar binnen gegaan
    has entrado
  129. hij/zij/u is naar binnen gegaan
    ha entrado
  130. wij zijn naar binnen gegaan
    hemos entrado
  131. jullie zijn naar binnen gegaan
    habéis entrado
  132. zij zijn naar binnen gegaan
    han entrado
  133. ik ben gestorven
    he muerto
  134. jij bent gestorven
    has muerto
  135. hij/zij/u is gestorven
    ha muerto
  136. wij zijn gestorven
    hemos muerto
  137. jullie zijn gestorven
    habéis muerto
  138. zij zijn gestorven
    han muerto
  139. ik ben geweest
    he estado
  140. jij bent geweest
    has estado
  141. hij/zij/u is geweest
    ha estado
  142. wij zijn geweest
    hemos estado
  143. jullie zijn geweest
    habéis estado
  144. zij zijn geweest
    han estado
  145. ik ben gegaan
    he ido
  146. jij bent gegaan
    has ido
  147. hij/zij/u is gegaan
    ha ido
  148. wij zijn gegaan
    hemos ido
  149. jullie zijn gegaan
    habéis ido
  150. zij zijn gegaan
    han ido
  151. ik heb gedaan
    he hecho
  152. jij hebt gedaan
    has hecho
  153. hij/zij/u heeft gedaan
    ha hecho
  154. wij hebben gedaan
    hemos hecho
  155. jullie hebben gedaan
    habéis hecho
  156. zij hebben gedaan
    han hecho
  157. ik heb gemaakt
    he hecho
  158. jij hebt gemaakt
    has hecho
  159. hij/zij/u heeft gemaakt
    ha hecho
  160. wij hebben gemaakt
    hemos hecho
  161. jullie hebben gemaakt
    habéis hecho
  162. zij hebben gemaakt
    han hecho
  163. ik heb gekund
    he podido
  164. jij hebt gekund
    has podido
  165. hij/zij/u heeft gekund
    ha podido
  166. wij hebben gekund
    hemos podido
  167. jullie hebben gekund
    habéis podido
  168. zij hebben gekund
    han podido
  169. ik heb neergezet
    he puesto
  170. jij hebt neergezet
    has puesto
  171. hij/zij/u heeft neergezet
    ha puesto
  172. wij hebben neergezet
    hemos puesto
  173. jullie hebben neergezet
    habéis puesto
  174. zij hebben neergezet
    han puesto
  175. ik heb gehad
    he tenido
  176. jij hebt gehad
    has tenido
  177. hij/zij/u heeft gehad
    ha tenido
  178. wij hebben gehad
    hemos tenido
  179. jullie hebben gehad
    habéis tenido
  180. zij hebben gehad
    han tenido
  181. ik heb gezegd
    he dicho
  182. jij hebt gezegd
    has dicho
  183. hij/zij/u heeft gezegd
    ha dicho
  184. wij hebben gezegd
    hemos dicho
  185. jullie hebben gezegd
    habéis dicho
  186. zij hebben gezegd
    han dicho
  187. ik heb gehad
    he habido
  188. jij hebt gehad
    has habido
  189. hij/zij/u heeft gehad
    ha habido
  190. wij hebben gehad
    hemos habido
  191. jullie hebben gehad
    habéis habido
  192. zij hebben gehad
    han habido
  193. ik heb geweten
    he sabido
  194. jij hebt geweten
    has sabido
  195. hij/zij/u heeft geweten
    ha sabido
  196. wij hebben geweten
    hemos sabido
  197. jullie hebben geweten
    habéis sabido
  198. zij hebben geweten
    han sabido
  199. ik ben uitgegaan
    he salido
  200. jij bent uitgegaan
    has salido
  201. hij/zij/u is uitgegaan
    ha salido
  202. wij zijn uitgegaan
    hemos salido
  203. jullie zijn uitgegaan
    habéis salido
  204. zij zijn uitgegaan
    han salido
  205. ik ben vertrokken
    he salido
  206. jij bent vertrokken
    has salido
  207. hij/zij/u is vertrokken
    ha salido
  208. wij zijn vertrokken
    hemos salido
  209. jullie zijn vertrokken
    habéis salido
  210. zij zijn vertrokken
    han salido
  211. ik heb gelezen
    he leído
  212. jij hebt gelezen
    has leído
  213. hij/zij/u heeft gelezen
    ha leído
  214. wij hebben gelezen
    hemos leído
  215. jullie hebben gelezen
    habéis leído
  216. zij hebben gelezen
    han leído
  217. ik heb geschreven
    he escrito
  218. jij hebt geschreven
    has escrito
  219. hij/zij/u heeft geschreven
    ha escrito
  220. wij hebben geschreven
    hemos escrito
  221. jullie hebben geschreven
    habéis escrito
  222. zij hebben geschreven
    han escrito
  223. ik ben teruggekeerd
    he vuelto
  224. jij bent teruggekeerd
    has vuelto
  225. hij/zij/u is teruggekeerd
    ha vuelto
  226. wij zijn teruggekeerd
    hemos vuelto
  227. jullie zijn teruggekeerd
    habéis vuelto
  228. zij zijn teruggekeerd
    han vuelto
  229. ik heb gelachen
    he reído
  230. jij hebt gelachen
    has reído
  231. hij/zij/u heeft gelachen
    ha reído
  232. wij hebben gelachen
    hemos reído
  233. jullie hebben gelachen
    habéis reído
  234. zij hebben gelachen
    han reído
  235. ik heb betaald
    he pagado
  236. jij hebt betaald
    has pagado
  237. hij/zij/u heeft betaald
    ha pagado
  238. wij hebben betaald
    hemos pagado
  239. jullie hebben betaald
    habéis pagado
  240. zij hebben betaald
    han pagado
  241. ik heb gedanst
    he bailado
  242. jij hebt gedanst
    has bailado
  243. hij/zij/u heeft gedanst
    ha bailado
  244. wij hebben gedanst
    hemos bailado
  245. jullie hebben gedanst
    habéis bailado
  246. zij hebben gedanst
    han bailado
  247. ik heb gezocht
    he buscado
  248. jij hebt gezocht
    has buscado
  249. hij/zij/u heeft gezocht
    ha buscado
  250. wij hebben gezocht
    hemos buscado
  251. jullie hebben gezocht
    habéis buscado
  252. zij hebben gezocht
    han buscado
  253. ik heb opgehaald
    he buscado
  254. jij hebt opgehaald
    has buscado
  255. hij/zij/u heeft opgehaald
    ha buscado
  256. wij hebben opgehaald
    hemos buscado
  257. jullie hebben opgehaald
    habéis buscado
  258. zij hebben opgehaald
    han buscado
  259. ik heb gezongen
    he cantado
  260. jij hebt gezongen
    has cantado
  261. hij/zij/u heeft gezongen
    ha cantado
  262. wij hebben gezongen
    hemos cantado
  263. jullie hebben gezongen
    habéis cantado
  264. zij hebben gezongen
    han cantado
  265. ik heb gedineerd
    he cenado
  266. jij hebt gedineerd
    has cenado
  267. hij/zij/u heeft gedineerd
    ha cenado
  268. wij hebben gedineerd
    hemos cenado
  269. jullie hebben gedineerd
    habéis cenado
  270. zij hebben gedineerd
    han cenado
  271. ik heb ontbeten
    he desayunado
  272. jij hebt ontbeten
    has desayunado
  273. hij/zij/u heeft ontbeten
    ha desayunado
  274. wij hebben ontbeten
    hemos desayunado
  275. jullie hebben ontbeten
    habéis desayunado
  276. zij hebben ontbeten
    han desayunado
  277. ik heb geluisterd
    he escuchado
  278. jij hebt geluisterd
    has escuchado
  279. hij/zij/u heeft geluisterd
    ha escuchado
  280. wij hebben geluisterd
    hemos escuchado
  281. jullie hebben geluisterd
    habéis escuchado
  282. zij hebben geluisterd
    han escuchado
  283. ik heb gewacht
    he esperado
  284. jij hebt gewacht
    has esperado
  285. hij/zij/u heeft gewacht
    ha esperado
  286. wij hebben gewacht
    hemos esperado
  287. jullie hebben gewacht
    habéis esperado
  288. zij hebben gewacht
    han esperado
  289. ik heb gehoopt
    he esperado
  290. jij hebt gehoopt
    has esperado
  291. hij/zij/u heeft gehoopt
    ha esperado
  292. wij hebben gehoopt
    hemos esperado
  293. jullie hebben gehoopt
    habéis esperado
  294. zij hebben gehoopt
    han esperado
  295. ik heb gestudeerd
    he estudiado
  296. jij hebt gestudeerd
    has estudiado
  297. hij/zij/u heeft gestudeerd
    ha estudiado
  298. wij hebben gestudeerd
    hemos estudiado
  299. jullie hebben gestudeerd
    habéis estudiado
  300. zij hebben gestudeerd
    han estudiado
  301. ik heb geroepen
    he llamado
  302. jij hebt geroepen
    has llamado
  303. hij/zij/u heeft geroepen
    ha llamado
  304. wij hebben geroepen
    hemos llamado
  305. jullie hebben geroepen
    habéis llamado
  306. zij hebben geroepen
    han llamado
  307. ik heb gebeld
    he llamado
  308. jij hebt gebeld
    has llamado
  309. hij/zij/u heeft gebeld
    ha llamado
  310. wij hebben gebeld
    hemos llamado
  311. jullie hebben gebeld
    habéis llamado
  312. zij hebben gebeld
    han llamado
  313. ik heb gehuild
    he llorado
  314. jij hebt gehuild
    has llorado
  315. hij/zij/u heeft gehuild
    ha llorado
  316. wij hebben gehuild
    hemos llorado
  317. jullie hebben gehuild
    habéis llorado
  318. zij hebben gehuild
    han llorado
  319. ik heb gezwommen
    he nadado
  320. jij hebt gezwommen
    has nadado
  321. hij/zij/u heeft gezwommen
    ha nadado
  322. wij hebben gezwommen
    hemos nadado
  323. jullie hebben gezwommen
    habéis nadado
  324. zij hebben gezwommen
    han nadado
  325. ik heb nodig gehad
    he necesitado
  326. jij hebt nodig gehad
    has necesitado
  327. hij/zij/u heeft nodig gehad
    ha necesitado
  328. wij hebben nodig gehad
    hemos necesitado
  329. jullie hebben nodig gehad
    habéis necesitado
  330. zij hebben nodig gehad
    han necesitado
  331. ik heb beëindigd
    he terminado
  332. jij hebt beëindigd
    has terminado
  333. hij/zij/u heeft beëindigd
    ha terminado
  334. wij hebben beëindigd
    hemos terminado
  335. jullie hebben beëindigd
    habéis terminado
  336. zij hebben beëindigd
    han terminado
  337. ik heb genomen
    he tomado
  338. jij hebt genomen
    has tomado
  339. hij/zij/u heeft genomen
    ha tomado
  340. wij hebben genomen
    hemos tomado
  341. jullie hebben genomen
    habéis tomado
  342. zij hebben genomen
    han tomado
  343. ik heb gewerkt
    he trabajado
  344. jij hebt gewerkt
    has trabajado
  345. hij/zij/u heeft gewerkt
    ha trabajado
  346. wij hebben gewerkt
    hemos trabajado
  347. jullie hebben gewerkt
    habéis trabajado
  348. zij hebben gewerkt
    han trabajado
  349. ik heb gereisd
    he viajado
  350. jij hebt gereisd
    has viajado
  351. hij/zij/u heeft gereisd
    ha viajado
  352. wij hebben gereisd
    hemos viajado
  353. jullie hebben gereisd
    habéis viajado
  354. zij hebben gereisd
    han viajado
  355. ik heb geleerd
    he aprendido
  356. jij hebt geleerd
    has aprendido
  357. hij/zij/u heeft geleerd
    ha aprendido
  358. wij hebben geleerd
    hemos aprendido
  359. jullie hebben geleerd
    habéis aprendido
  360. zij hebben geleerd
    han aprendido
  361. ik heb gegeten
    he comido
  362. jij hebt gegeten
    has comido
  363. hij/zij/u heeft gegeten
    ha comido
  364. wij hebben gegeten
    hemos comido
  365. jullie hebben gegeten
    habéis comido
  366. zij hebben gegeten
    han comido
  367. ik heb begrepen
    he comprendido
  368. jij hebt begrepen
    has comprendido
  369. hij/zij/u heeft begrepen
    ha comprendido
  370. wij hebben begrepen
    hemos comprendido
  371. jullie hebben begrepen
    habéis comprendido
  372. zij hebben begrepen
    han comprendido
  373. ik heb gerend
    he corrido
  374. jij hebt gerend
    has corrido
  375. hij/zij/u heeft gerend
    ha corrido
  376. wij hebben gerend
    hemos corrido
  377. jullie hebben gerend
    habéis corrido
  378. zij hebben gerend
    han corrido
  379. ik heb geloofd
    he creído
  380. jij hebt geloofd
    has creído
  381. hij/zij/u heeft geloofd
    ha creído
  382. wij hebben geloofd
    hemos creído
  383. jullie hebben geloofd
    habéis creído
  384. zij hebben geloofd
    han creído
  385. ik heb beloofd
    he prometido
  386. jij hebt beloofd
    has prometido
  387. hij/zij/u heeft beloofd
    ha prometido
  388. wij hebben beloofd
    hemos prometido
  389. jullie hebben beloofd
    habéis prometido
  390. zij hebben beloofd
    han prometido
  391. ik heb verkocht
    he vendido
  392. jij hebt verkocht
    has vendido
  393. hij/zij/u heeft verkocht
    ha vendido
  394. wij hebben verkocht
    hemos vendido
  395. jullie hebben verkocht
    habéis vendido
  396. zij hebben verkocht
    han vendido
  397. ik heb gedronken
    he bebido
  398. jij hebt gedronken
    has bebido
  399. hij/zij/u heeft gedronken
    ha bebido
  400. wij hebben gedronken
    hemos bebido
  401. jullie hebben gedronken
    habéis bebido
  402. zij hebben gedronken
    han bebido
  403. ik heb open gedaan
    he abierto
  404. jij hebt open gedaan
    has abierto
  405. hij/zij/u heeft open gedaan
    ha abierto
  406. wij hebben open gedaan
    hemos abierto
  407. jullie hebben open gedaan
    habéis abierto
  408. zij hebben open gedaan
    han abierto
  409. ik heb ontvangen
    he recibido
  410. jij hebt ontvangen
    has recibido
  411. hij/zij/u heeft ontvangen
    ha recibido
  412. wij hebben ontvangen
    hemos recibido
  413. jullie hebben ontvangen
    habéis recibido
  414. zij hebben ontvangen
    han recibido
  415. ik ben gestegen
    he subido
  416. jij bent gestegen
    has subido
  417. hij/zij/u is gestegen
    ha subido
  418. wij zijn gestegen
    hemos subido
  419. jullie zijn gestegen
    habéis subido
  420. zij zijn gestegen
    han subido
  421. ik ben gedaald
    he bajado
  422. jij bent gedaald
    has bajado
  423. hij/zij/u is gedaald
    ha bajado
  424. wij zijn gedaald
    hemos bajado
  425. jullie zijn gedaald
    habéis bajado
  426. zij zijn gedaald
    han bajado
  427. ik heb gewild
    he querido
  428. jij hebt gewild
    has querido
  429. hij/zij/u heeft gewild
    ha querido
  430. wij hebben gewild
    hemos querido
  431. jullie hebben gewild
    habéis querido
  432. zij hebben gewild
    han querido
  433. ik heb gehouden van
    he querido
  434. jij hebt gehouden van
    has querido
  435. hij/zij/u heeft gehouden van
    ha querido
  436. wij hebben gehouden van
    hemos querido
  437. jullie hebben gehouden van
    habéis querido
  438. zij hebben gehouden van
    han querido
  439. ik heb gespeeld
    he jugado
  440. jij hebt gespeeld
    has jugado
  441. hij/zij/u heeft gespeeld
    ha jugado
  442. wij hebben gespeeld
    hemos jugado
  443. jullie hebben gespeeld
    habéis jugado
  444. zij hebben gespeeld
    han jugado
  445. ik heb gewoonlijk gedaan
    he solido
  446. jij hebt gewoonlijk gedaan
    has solido
  447. hij/zij/u heeft gewoonlijk gedaan
    ha solido
  448. wij hebben gewoonlijk gedaan
    hemos solido
  449. jullie hebben gewoonlijk gedaan
    habéis solido
  450. zij hebben gewoonlijk gedaan
    han solido
  451. ik heb gekeken
    he mirado
  452. jij hebt gekeken
    has mirado
  453. hij/zij/u heeft gekeken
    ha mirado
  454. wij hebben gekeken
    hemos mirado
  455. jullie hebben gekeken
    habéis mirado
  456. zij hebben gekeken
    han mirado
  457. ik heb gekookt
    he cocinado
  458. jij hebt gekookt
    has cocinado
  459. hij/zij/u heeft gekookt
    ha cocinado
  460. wij hebben gekookt
    hemos cocinado
  461. jullie hebben gekookt
    habéis cocinado
  462. zij hebben gekookt
    han cocinado
  463. ik ben aangekomen
    he llegado
  464. jij bent aangekomen
    has llegado
  465. hij/zij/u is aangekomen
    ha llegado
  466. wij zijn aangekomen
    hemos llegado
  467. jullie zijn aangekomen
    habéis llegado
  468. zij zijn aangekomen
    han llegado
  469. ik ben vergeten
    he olvidado
  470. jij bent vergeten
    has olvidado
  471. hij/zij/u is vergeten
    ha olvidado
  472. wij zijn vergeten
    hemos olvidado
  473. jullie zijn vergeten
    habéis olvidado
  474. zij zijn vergeten
    han olvidado
  475. ik heb gestuurd
    he mandado
  476. jij hebt gestuurd
    has mandado
  477. hij/zij/u heeft gestuurd
    ha mandado
  478. wij hebben gestuurd
    hemos mandado
  479. jullie hebben gestuurd
    habéis mandado
  480. zij hebben gestuurd
    han mandado
  481. ik heb geleid
    he mandado
  482. jij hebt geleid
    has mandado
  483. hij/zij/u heeft geleid
    ha mandado
  484. wij hebben geleid
    hemos mandado
  485. jullie hebben geleid
    habéis mandado
  486. zij hebben geleid
    han mandado
  487. ik heb gereserveerd
    he reservado
  488. jij hebt gereserveerd
    has reservado
  489. hij/zij/u heeft gereserveerd
    ha reservado
  490. wij hebben gereserveerd
    hemos reservado
  491. jullie hebben gereserveerd
    habéis reservado
  492. zij hebben gereserveerd
    han reservado
  493. ik heb gegeven
    he dado
  494. jij hebt gegeven
    has dado
  495. hij/zij/u heeft gegeven
    ha dado
  496. wij hebben gegeven
    hemos dado
  497. jullie hebben gegeven
    habéis dado
  498. zij hebben gegeven
    han dado
  499. ik heb geprobeerd
    he intentado
  500. jij hebt geprobeerd
    has intentado
  501. hij/zij/u heeft geprobeerd
    ha intentado
  502. wij hebben geprobeerd
    hemos intentado
  503. jullie hebben geprobeerd
    habéis intentado
  504. zij hebben geprobeerd
    han intentado
  505. ik heb gestolen
    he robado
  506. jij hebt gestolen
    has robado
  507. hij/zij/u heeft gestolen
    ha robado
  508. wij hebben gestolen
    hemos robado
  509. jullie hebben gestolen
    habéis robado
  510. zij hebben gestolen
    han robado
  511. ik heb gehuurd
    he alquilado
  512. jij hebt gehuurd
    has alquilado
  513. hij/zij/u heeft gehuurd
    ha alquilado
  514. wij hebben gehuurd
    hemos alquilado
  515. jullie hebben gehuurd
    habéis alquilado
  516. zij hebben gehuurd
    han alquilado
  517. ik heb kapot gemaakt
    he roto
  518. jij hebt kapot gemaakt
    has roto
  519. hij/zij/u heeft kapot gemaakt
    ha roto
  520. wij hebben kapot gemaakt
    hemos roto
  521. jullie hebben kapot gemaakt
    habéis roto
  522. zij hebben kapot gemaakt
    han roto
  523. ik heb gebroken
    he roto
  524. jij hebt gebroken
    has roto
  525. hij/zij/u heeft gebroken
    ha roto
  526. wij hebben gebroken
    hemos roto
  527. jullie hebben gebroken
    habéis roto
  528. zij hebben gebroken
    han roto
  529. ik heb genomen (een afslag)
    he cogido
  530. jij hebt genomen (een afslag)
    has cogido
  531. hij/zij/u heeft genomen (een afslag)
    ha cogido
  532. wij hebben genomen (een afslag)
    hemos cogido
  533. jullie hebben genomen (een afslag)
    habéis cogido
  534. zij hebben genomen (een afslag)
    han cogido
  535. ik ben afgeslaan
    he girado
  536. jij bent afgeslaan
    has girado
  537. hij/zij/u is afgeslaan
    ha girado
  538. wij zijn afgeslaan
    hemos girado
  539. jullie zijn afgeslaan
    habéis girado
  540. zij zijn afgeslaan
    han girado
  541. ik ben gedraaid
    he girado
  542. jij bent gedraaid
    has girado
  543. hij/zij/u is gedraaid
    ha girado
  544. wij zijn gedraaid
    hemos girado
  545. jullie zijn gedraaid
    habéis girado
  546. zij zijn gedraaid
    han girado
  547. ik ben gepasseerd
    he pasado
  548. jij bent gepasseerd
    has pasado
  549. hij/zij/u is gepasseerd
    ha pasado
  550. wij zijn gepasseerd
    hemos pasado
  551. jullie zijn gepasseerd
    habéis pasado
  552. zij zijn gepasseerd
    han pasado
  553. ik heb gevolgd
    he seguido
  554. jij hebt gevolgd
    has seguido
  555. hij/zij/u heeft gevolgd
    ha seguido
  556. wij hebben gevolgd
    hemos seguido
  557. jullie hebben gevolgd
    habéis seguido
  558. zij hebben gevolgd
    han seguido
  559. ik ben doorgegaan
    he seguido
  560. jij bent doorgegaan
    has seguido
  561. hij/zij/u is doorgegaan
    ha seguido
  562. wij zijn doorgegaan
    hemos seguido
  563. jullie zijn doorgegaan
    habéis seguido
  564. zij zijn doorgegaan
    han seguido
  565. ik heb gedacht
    he pensado
  566. jij hebt gedacht
    has pensado
  567. hij/zij/u heeft gedacht
    ha pensado
  568. wij hebben gedacht
    hemos pensado
  569. jullie hebben gedacht
    habéis pensado
  570. zij hebben gedacht
    han pensado
  571. ik heb gerekend
    he contado
  572. jij hebt gerekend
    has contado
  573. hij/zij/u heeft gerekend
    ha contado
  574. wij hebben gerekend
    hemos contado
  575. jullie hebben gerekend
    habéis contado
  576. zij hebben gerekend
    han contado
  577. ik heb verteld
    he contado
  578. jij hebt verteld
    has contado
  579. hij/zij/u heeft verteld
    ha contado
  580. wij hebben verteld
    hemos contado
  581. jullie hebben verteld
    habéis contado
  582. zij hebben verteld
    han contado
  583. ik heb besteld
    he pedido
  584. jij hebt besteld
    has pedido
  585. hij/zij/u heeft besteld
    ha pedido
  586. wij hebben besteld
    hemos pedido
  587. jullie hebben besteld
    habéis pedido
  588. zij hebben besteld
    han pedido
  589. ik heb verzocht
    he pedido
  590. jij hebt verzocht
    has pedido
  591. hij/zij/u heeft verzocht
    ha pedido
  592. wij hebben verzocht
    hemos pedido
  593. jullie hebben verzocht
    habéis pedido
  594. zij hebben verzocht
    han pedido
  595. ik heb gevraagd
    he preguntado
  596. jij hebt gevraagd
    has preguntado
  597. hij/zij/u heeft gevraagd
    ha preguntado
  598. wij hebben gevraagd
    hemos preguntado
  599. jullie hebben gevraagd
    habéis preguntado
  600. zij hebben gevraagd
    han preguntado
  601. ik heb afgesproken
    he quedado
  602. jij hebt afgesproken
    has quedado
  603. hij/zij/u heeft afgesproken
    ha quedado
  604. wij hebben afgesproken
    hemos quedado
  605. jullie hebben afgesproken
    habéis quedado
  606. zij hebben afgesproken
    han quedado
  607. ik ben gebleven
    he quedado
  608. jij bent gebleven
    has quedado
  609. hij/zij/u is gebleven
    ha quedado
  610. wij zijn gebleven
    hemos quedado
  611. jullie zijn gebleven
    habéis quedado
  612. zij zijn gebleven
    han quedado
  613. ik heb gewenst
    he deseado
  614. jij hebt gewenst
    has deseado
  615. hij/zij/u heeft gewenst
    ha deseado
  616. wij hebben gewenst
    hemos deseado
  617. jullie hebben gewenst
    habéis deseado
  618. zij hebben gewenst
    han deseado
  619. ik heb geslapen
    he dormido
  620. jij hebt geslapen
    has dormido
  621. hij/zij/u heeft geslapen
    ha dormido
  622. wij hebben geslapen
    hemos dormido
  623. jullie hebben geslapen
    habéis dormido
  624. zij hebben geslapen
    han dormido
  625. ik ben opgegroeid
    he crecido
  626. jij bent opgegroeid
    has crecido
  627. hij/zij/u is opgegroeid
    ha crecido
  628. wij zijn opgegroeid
    hemos crecido
  629. jullie zijn opgegroeid
    habéis crecido
  630. zij zijn opgegroeid
    han crecido
  631. ik heb gevoeld
    he sentido
  632. jij hebt gevoeld
    has sentido
  633. hij/zij/u heeft gevoeld
    ha sentido
  634. wij hebben gevoeld
    hemos sentido
  635. jullie hebben gevoeld
    habéis sentido
  636. zij hebben gevoeld
    han sentido
  637. ik ben gevallen
    he sentado
  638. jij bent gevallen
    has sentado
  639. hij/zij/u is gevallen
    ha sentado
  640. wij zijn gevallen
    hemos sentado
  641. jullie zijn gevallen
    habéis sentado
  642. zij zijn gevallen
    han sentado
  643. ik heb gezeten
    he sentado
  644. jij hebt gezeten
    has sentado
  645. hij/zij/u heeft gezeten
    ha sentado
  646. wij hebben gezeten
    hemos sentado
  647. jullie hebben gezeten
    habéis sentado
  648. zij hebben gezeten
    han sentado
  649. ik heb vertaald
    he traducido
  650. jij hebt vertaald
    has traducido
  651. hij/zij/u heeft vertaald
    ha traducido
  652. wij hebben vertaald
    hemos traducido
  653. jullie hebben vertaald
    habéis traducido
  654. zij hebben vertaald
    han traducido
  655. ik heb geroken
    he olido
  656. jij hebt geroken
    has olido
  657. hij/zij/u heeft geroken
    ha olido
  658. wij hebben geroken
    hemos olido
  659. jullie hebben geroken
    habéis olido
  660. zij hebben geroken
    han olido
  661. ik heb meegenomen
    he traído
  662. jij hebt meegenomen
    has traído
  663. hij/zij/u heeft meegenomen
    ha traído
  664. wij hebben meegenomen
    hemos traído
  665. jullie hebben meegenomen
    habéis traído
  666. zij hebben meegenomen
    han traído
  667. ik heb gebracht
    he traído
  668. jij hebt gebracht
    has traído
  669. hij/zij/u heeft gebracht
    ha traído
  670. wij hebben gebracht
    hemos traído
  671. jullie hebben gebracht
    habéis traído
  672. zij hebben gebracht
    han traído
  673. ik heb bedekt
    he cubierto
  674. jij hebt bedekt
    has cubierto
  675. hij/zij/u heeft bedekt
    ha cubierto
  676. wij hebben bedekt
    hemos cubierto
  677. jullie hebben bedekt
    habéis cubierto
  678. zij hebben bedekt
    han cubierto
  679. ik heb beschermd
    he cubierto
  680. jij hebt beschermd
    has cubierto
  681. hij/zij/u heeft beschermd
    ha cubierto
  682. wij hebben beschermd
    hemos cubierto
  683. jullie hebben beschermd
    habéis cubierto
  684. zij hebben beschermd
    han cubierto
  685. ik heb beschreven
    he descrito
  686. jij hebt beschreven
    has descrito
  687. hij/zij/u heeft beschreven
    ha descrito
  688. wij hebben beschreven
    hemos descrito
  689. jullie hebben beschreven
    habéis descrito
  690. zij hebben beschreven
    han descrito
  691. ik heb aangehad (van kleding)
    he vestido
  692. jij hebt aangehad (van kleding)
    has vestido
  693. hij/zij/u heeft aangehad (van kleding)
    ha vestido
  694. wij hebben aangehad (van kleding)
    hemos vestido
  695. jullie hebben aangehad (van kleding)
    habéis vestido
  696. zij hebben aangehad (van kleding)
    han vestido
  697. ik heb verlaten
    he dejado
  698. jij hebt verlaten
    has dejado
  699. hij/zij/u heeft verlaten
    ha dejado
  700. wij hebben verlaten
    hemos dejado
  701. jullie hebben verlaten
    habéis dejado
  702. zij hebben verlaten
    han dejado
  703. ik heb achtergelaten
    he dejado
  704. jij hebt achtergelaten
    has dejado
  705. hij/zij/u heeft achtergelaten
    ha dejado
  706. wij hebben achtergelaten
    hemos dejado
  707. jullie hebben achtergelaten
    habéis dejado
  708. zij hebben achtergelaten
    han dejado
  709. ik heb verborgen
    he escondido
  710. jij hebt verborgen
    has escondido
  711. hij/zij/u heeft verborgen
    ha escondido
  712. wij hebben verborgen
    hemos escondido
  713. jullie hebben verborgen
    habéis escondido
  714. zij hebben verborgen
    han escondido
  715. ik heb ingevuld (formulier)
    he rellenado
  716. jij hebt ingevuld (formulier)
    has rellenado
  717. hij/zij/u heeft ingevuld (formulier)
    ha rellenado
  718. wij hebben ingevuld (formulier)
    hemos rellenado
  719. jullie hebben ingevuld (formulier)
    habéis rellenado
  720. zij hebben ingevuld (formulier)
    han rellenado
  721. ik heb gespaard
    he ahorrado
  722. jij hebt gespaard
    has ahorrado
  723. hij/zij/u heeft gespaard
    ha ahorrado
  724. wij hebben gespaard
    hemos ahorrado
  725. jullie hebben gespaard
    habéis ahorrado
  726. zij hebben gespaard
    han ahorrado
  727. ik heb gekocht
    he comprado
  728. jij hebt gekocht
    has comprado
  729. hij/zij/u heeft gekocht
    ha comprado
  730. wij hebben gekocht
    hemos comprado
  731. jullie hebben gekocht
    habéis comprado
  732. zij hebben gekocht
    han comprado
  733. ik heb begeleid
    he acompañado
  734. jij hebt begeleid
    has acompañado
  735. hij/zij/u heeft begeleid
    ha acompañado
  736. wij hebben begeleid
    hemos acompañado
  737. jullie hebben begeleid
    habéis acompañado
  738. zij hebben begeleid
    han acompañado
  739. ik heb verkregen
    he conseguido
  740. jij hebt verkregen
    has conseguido
  741. hij/zij/u heeft verkregen
    ha conseguido
  742. wij hebben verkregen
    hemos conseguido
  743. jullie hebben verkregen
    habéis conseguido
  744. zij hebben verkregen
    han conseguido
  745. ik heb geparkeerd
    he aparcado
  746. jij hebt geparkeerd
    has aparcado
  747. hij/zij/u heeft geparkeerd
    ha aparcado
  748. wij hebben geparkeerd
    hemos aparcado
  749. jullie hebben geparkeerd
    habéis aparcado
  750. zij hebben geparkeerd
    han aparcado
  751. ik ben gevallen
    he caído
  752. jij bent gevallen
    has caído
  753. hij/zij/u is gevallen
    ha caído
  754. wij zijn gevallen
    hemos caído
  755. jullie zijn gevallen
    habéis caído
  756. zij zijn gevallen
    han caído
  757. ik heb gehoord
    he oído
  758. jij hebt gehoord
    has oído
  759. hij/zij/u heeft gehoord
    ha oído
  760. wij hebben gehoord
    hemos oído
  761. jullie hebben gehoord
    habéis oído
  762. zij hebben gehoord
    han oído
  763. ik heb gekend
    he conocido
  764. jij hebt gekend
    has conocido
  765. hij/zij/u heeft gekend
    ha conocido
  766. wij hebben gekend
    hemos conocido
  767. jullie hebben gekend
    habéis conocido
  768. zij hebben gekend
    han conocido
  769. ik heb geleken
    he parecido
  770. jij hebt geleken
    has parecido
  771. hij/zij/u heeft geleken
    ha parecido
  772. wij hebben geleken
    hemos parecido
  773. jullie hebben geleken
    habéis parecido
  774. zij hebben geleken
    han parecido
  775. ik heb aanbevolen
    he recomendado
  776. jij hebt aanbevolen
    has recomendado
  777. hij/zij/u heeft aanbevolen
    ha recomendado
  778. wij hebben aanbevolen
    hemos recomendado
  779. jullie hebben aanbevolen
    habéis recomendado
  780. zij hebben aanbevolen
    han recomendado
  781. ik heb lief gehad
    he amado
  782. jij hebt lief gehad
    has amado
  783. hij/zij/u heeft lief gehad
    ha amado
  784. wij hebben lief gehad
    hemos amado
  785. jullie hebben lief gehad
    habéis amado
  786. zij hebben lief gehad
    han amado
  787. ik ben gegroeid
    he crecido
  788. jij bent gegroeid
    has crecido
  789. hij/zij/u is gegroeid
    ha crecido
  790. wij zijn gegroeid
    hemos crecido
  791. jullie zijn gegroeid
    habéis crecido
  792. zij zijn gegroeid
    han crecido
  793. ik ben opgehouden
    he abandonado
  794. jij bent opgehouden
    has abandonado
  795. hij/zij/u is opgehouden
    ha abandonado
  796. wij zijn opgehouden
    hemos abandonado
  797. jullie zijn opgehouden
    habéis abandonado
  798. zij zijn opgehouden
    han abandonado
  799. ik heb opgegeven
    he abandonado
  800. jij hebt opgegeven
    has abandonado
  801. hij/zij/u heeft opgegeven
    ha abandonado
  802. wij hebben opgegeven
    hemos abandonado
  803. jullie hebben opgegeven
    habéis abandonado
  804. zij hebben opgegeven
    han abandonado
  805. ik heb genegeerd
    he negado
  806. jij hebt genegeerd
    has negado
  807. hij/zij/u heeft genegeerd
    ha negado
  808. wij hebben genegeerd
    hemos negado
  809. jullie hebben genegeerd
    habéis negado
  810. zij hebben genegeerd
    han negado
  811. ik heb ontkend
    he negado
  812. jij hebt ontkend
    has negado
  813. hij/zij/u heeft ontkend
    ha negado
  814. wij hebben ontkend
    hemos negado
  815. jullie hebben ontkend
    habéis negado
  816. zij hebben ontkend
    han negado

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview