AlleTijdenPresente.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
180378
Filename:
AlleTijdenPresente.txt
Updated:
2012-10-28 15:34:51
Tags:
Presente
Folders:

Description:
Presente
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ik spreek
    hablo
  2. jij spreekt
    hablas
  3. hij/zij/u spreekt
    habla
  4. wij spreken
    hablamos
  5. jullie spreken
    habláis
  6. zij spreken
    hablan
  7. ik eet
    como
  8. jij eet
    comes
  9. hij/zij/u eet
    come
  10. wij eten
    comemos
  11. jullie eten
    coméis
  12. zij eten
    comen
  13. ik leef
    vivo
  14. jij leeft
    vives
  15. hij/zij/u leeft
    vive
  16. wij leven
    vivimos
  17. jullie leven
    vivís
  18. zij leven
    viven
  19. ik word geboren
    nazco
  20. jij wordt geboren
    naces
  21. hij/zij/u wordt geboren
    nace
  22. wij worden geboren
    nacemos
  23. jullie worden geboren
    nacéis
  24. zij worden geboren
    nacen
  25. ik ontvang
    recibo
  26. jij ontvangt
    recibes
  27. hij/zij/u ontvangt
    recibe
  28. wij ontvangen
    recibimos
  29. jullie ontvangen
    recibís
  30. zij ontvangen
    reciben
  31. ik studeer
    estudio
  32. jij studeert
    estudias
  33. hij/zij/u studeert
    estudia
  34. wij studeren
    estudiamos
  35. jullie studeren
    estudiáis
  36. zij studeren
    estudian
  37. ik besluit
    decido
  38. jij besluit
    decides
  39. hij/zij/u besluit
    decide
  40. wij besluiten
    decidimos
  41. jullie besluiten
    decidís
  42. zij besluiten
    deciden
  43. ik heb
    tengo
  44. jij hebt
    tienes
  45. hij/zij/u hebt
    tiene
  46. wij hebben
    tenemos
  47. jullie hebben
    tenéis
  48. zij hebben
    tienen
  49. ik ben
    soy
  50. jij bent
    eres
  51. hij/zij/u is
    es
  52. wij zijn
    somos
  53. jullie zijn
    sois
  54. zij zijn
    son
  55. ik beïnvloed
    influyo
  56. jij beïnvloedt
    influyes
  57. hij/zij/u beïnvloedt
    influye
  58. wij beïnvloeden
    influimos
  59. jullie beïnvloeden
    influís
  60. zij beïnvloeden
    influyen
  61. ik laat zien
    manifiesto
  62. jij laat zien
    manifiestas
  63. hij/zij/u laat zien
    manifiesta
  64. wij laten zien
    manifestamos
  65. jullie laten zien
    manifestáis
  66. zij laten zien
    manifiestan
  67. ik doe open
    abro
  68. jij doet open
    abres
  69. hij/zij/u doet open
    abre
  70. wij doen open
    abrimos
  71. jullie doen open
    abrís
  72. zij doen open
    abren
  73. ik verhuis
    me traslado
  74. jij verhuist
    te trasladas
  75. hij/zij/u verhuist
    se traslada
  76. wij verhuizen
    nos trasladamos
  77. jullie verhuizen
    os trasladáis
  78. zij verhuizen
    se trasladan
  79. ik werk
    trabajo
  80. jij werkt
    trabajas
  81. hij/zij/u werkt
    trabaja
  82. wij werken
    trabajamos
  83. jullie werken
    trabajáis
  84. zij werken
    trabajan
  85. ik trouw
    me caso
  86. jij trouwt
    te casas
  87. hij/zij/u trouwt
    se casa
  88. wij trouwen
    nos casamos
  89. jullie trouwen
    os casáis
  90. zij trouwen
    se casan
  91. ik vang aan
    comienzo
  92. jij vangt aan
    comienzas
  93. hij/zij/u vangt aan
    comienza
  94. wij vangen aan
    comenzamos
  95. jullie vangen aan
    comenzáis
  96. zij vangen aan
    comienzan
  97. ik begin
    empiezo
  98. jij begint
    empiezas
  99. hij/zij/u begint
    empieza
  100. wij beginnen
    empezamos
  101. jullie beginnen
    empezáis
  102. zij beginnen
    empiezan
  103. ik stop
    acabo
  104. jij stopt
    acabas
  105. hij/zij/u stopt
    acaba
  106. wij stoppen
    acabamos
  107. jullie stoppen
    acabáis
  108. zij stoppen
    acaban
  109. ik maak af
    acabo
  110. jij maakt af
    acabas
  111. hij/zij/u maakt af
    acaba
  112. wij maken af
    acabamos
  113. jullie maken af
    acabáis
  114. zij maken af
    acaban
  115. ik zie
    veo
  116. jij ziet
    ves
  117. hij/zij/u ziet
    ve
  118. wij zien
    vemos
  119. jullie zien
    veis
  120. zij zien
    ven
  121. ik kom
    vengo
  122. jij komt
    vienes
  123. hij/zij/u komt
    viene
  124. wij komen
    venimos
  125. jullie komen
    venís
  126. zij komen
    vienen
  127. ik ga naar binnen
    entro
  128. jij gaat naar binnen
    entras
  129. hij/zij/u gaat naar binnen
    entra
  130. wij gaan naar binnen
    entramos
  131. jullie gaan naar binnen
    entráis
  132. zij gaan naar binnen
    entran
  133. ik sterf
    muero
  134. jij sterft
    mueres
  135. hij/zij/u sterft
    muere
  136. wij sterven
    morimos
  137. jullie sterven
    morís
  138. zij sterven
    mueren
  139. ik ben
    estoy
  140. jij bent
    estás
  141. hij/zij/u is
    está
  142. wij zijn
    estamos
  143. jullie zijn
    estáis
  144. zij zijn
    están
  145. ik ga
    voy
  146. jij gaat
    vas
  147. hij/zij/u gaat
    va
  148. wij gaan
    vamos
  149. jullie gaan
    vais
  150. zij gaan
    van
  151. ik doe
    hago
  152. jij doet
    haces
  153. hij/zij/u doet
    hace
  154. wij doen
    hacemos
  155. jullie doen
    hacéis
  156. zij doen
    hacen
  157. ik maak
    hago
  158. jij maakt
    haces
  159. hij/zij/u maakt
    hace
  160. wij maken
    hacemos
  161. jullie maken
    hacéis
  162. zij maken
    hacen
  163. ik kan
    puedo
  164. jij kunt
    puedes
  165. hij/zij/u kan
    puede
  166. wij kunnen
    podemos
  167. jullie kunnen
    podéis
  168. zij kunnen
    pueden
  169. ik zet neer
    pongo
  170. jij zet neer
    pones
  171. hij/zij/u zet neer
    pone
  172. wij zetten neer
    ponemos
  173. jullie zetten neer
    ponéis
  174. zij zetten neer
    ponen
  175. ik heb
    tengo
  176. jij hebt
    tienes
  177. hij/zij/u heeft
    tiene
  178. wij hebben
    tenemos
  179. jullie hebben
    tenéis
  180. zij hebben
    tienen
  181. ik zeg
    digo
  182. jij zegt
    dices
  183. hij/zij/u zegt
    dice
  184. wij zeggen
    decimos
  185. jullie zeggen
    decís
  186. zij zeggen
    dicen
  187. ik heb (hulpwerkwoord)
    he
  188. jij hebt (hulpwerkwoord)
    has
  189. hij/zij/u heeft (hulpwerkwoord)
    ha, hay
  190. wij hebben (hulpwerkwoord)
    hemos
  191. jullie hebben (hulpwerkwoord)
    habéis
  192. zij hebben (hulpwerkwoord)
    han
  193. ik weet
  194. jij weet
    sabes
  195. hij/zij/u weet
    sabe
  196. wij weten
    sabemos
  197. jullie weten
    sabéis
  198. zij weten
    saben
  199. ik ga uit
    salgo
  200. jij gaat uit
    sales
  201. hij/zij/u gaat uit
    sale
  202. wij gaan uit
    salimos
  203. jullie gaan uit
    salís
  204. zij gaan uit
    salen
  205. ik vertrek
    salgo
  206. jij vertrekt
    sales
  207. hij/zij/u vertrekt
    sale
  208. wij vertrekken
    salimos
  209. jullie vertrekken
    salís
  210. zij vertrekken
    salen
  211. ik lees
    leo
  212. jij leest
    lees
  213. hij/zij/u leest
    lee
  214. wij lezen
    leemos
  215. jullie lezen
    leéis
  216. zij lezen
    leen
  217. ik schrijf
    escribo
  218. jij schrijft
    escribes
  219. hij/zij/u schrijft
    escribe
  220. wij schrijven
    escribimos
  221. jullie schrijven
    escribís
  222. zij schrijven
    escriben
  223. ik keer terug
    vuelvo
  224. jij keert terug
    vuelves
  225. hij/zij/u keert terug
    vuelve
  226. wij keren terug
    volvemos
  227. jullie keren terug
    volvéis
  228. zij keren terug
    vuelven
  229. ik lach
    río
  230. jij lacht
    ríes
  231. hij/zij/u lacht
    ríe
  232. wij lachen
    reímos
  233. jullie lachen
    reís
  234. zij lachen
    ríen
  235. ik betaal
    pago
  236. jij betaalt
    pagas
  237. hij/zij/u betaalt
    paga
  238. wij betalen
    pagamos
  239. jullie betalen
    pagáis
  240. zij betalen
    pagan
  241. ik dans
    bailo
  242. jij danst
    bailas
  243. hij/zij/u danst
    baila
  244. wij dansen
    bailamos
  245. jullie dansen
    bailáis
  246. zij dansen
    bailan
  247. ik zoek
    busco
  248. jij zoekt
    buscas
  249. hij/zij/u zoekt
    busca
  250. wij zoeken
    buscamos
  251. jullie zoeken
    buscáis
  252. zij zoeken
    buscan
  253. ik haal op
    busco
  254. jij haalt op
    buscas
  255. hij/zij/u haalt op
    busca
  256. wij halen op
    buscamos
  257. jullie halen op
    buscáis
  258. zij halen op
    buscan
  259. ik zing
    canto
  260. jij zingt
    cantas
  261. hij/zij/u zingt
    canta
  262. wij zingen
    cantamos
  263. jullie zingen
    cantáis
  264. zij zingen
    cantan
  265. ik dineer
    ceno
  266. jij dineert
    cenas
  267. hij/zij/u dineert
    cena
  268. wij dineren
    cenamos
  269. jullie dineren
    cenáis
  270. zij dineren
    cenan
  271. ik ontbijt
    desayuno
  272. jij ontbijt
    desayunas
  273. hij/zij/u ontbijt
    desayuna
  274. wij ontbijten
    desayunamos
  275. jullie ontbijten
    desayunáis
  276. zij ontbijten
    desayunan
  277. ik luister
    escucho
  278. jij luistert
    escuchas
  279. hij/zij/u luistert
    escucha
  280. wij luisteren
    escuchamos
  281. jullie luisteren
    escucháis
  282. zij luisteren
    escuchan
  283. ik wacht
    espero
  284. jij wacht
    esperas
  285. hij/zij/u wacht
    espera
  286. wij wachten
    esperamos
  287. jullie wachten
    esperáis
  288. zij wachten
    esperan
  289. ik hoop
    espero
  290. jij hoopt
    esperas
  291. hij/zij/u hoopt
    espera
  292. wij hopen
    esperamos
  293. jullie hopen
    esperáis
  294. zij hopen
    esperan
  295. ik studeer
    estudio
  296. jij studeert
    estudias
  297. hij/zij/u studeert
    estudia
  298. wij studeren
    estudiamos
  299. jullie studeren
    estudiáis
  300. zij studeren
    estudian
  301. ik roep
    llamo
  302. jij roept
    llamas
  303. hij/zij/u roept
    llama
  304. wij roepen
    llamamos
  305. jullie roepen
    llamáis
  306. zij roepen
    llaman
  307. ik bel
    llamo
  308. jij belt
    llamas
  309. hij/zij/u belt
    llama
  310. wij bellen
    llamamos
  311. jullie bellen
    llamáis
  312. zij bellen
    llaman
  313. ik huil
    lloro
  314. jij huit
    lloras
  315. hij/zij/u huit
    llora
  316. wij huilen
    lloramos
  317. jullie huilen
    lloráis
  318. zij huilen
    lloran
  319. ik zwem
    nado
  320. jij zwemt
    nadas
  321. hij/zij/u zwemt
    nada
  322. wij zwemmen
    nadamos
  323. jullie zwemmen
    nadáis
  324. zij zwemmen
    nadan
  325. ik heb nodig
    necesito
  326. jij hebt nodig
    necesitas
  327. hij/zij/u hebt nodig
    necesita
  328. wij hebben nodig
    necesitamos
  329. jullie hebben nodig
    necesitáis
  330. zij hebben nodig
    necesitan
  331. ik beëindig
    termino
  332. jij beëindigt
    terminas
  333. hij/zij/u beëindigt
    termina
  334. wij beëindigen
    terminamos
  335. jullie beëindigen
    termináis
  336. zij beëindigen
    terminan
  337. ik neem
    tomo
  338. jij neemt
    tomas
  339. hij/zij/u neemt
    toma
  340. wij nemen
    tomamos
  341. jullie nemen
    tomáis
  342. zij nemen
    toman
  343. ik werk
    trabajo
  344. jij werkt
    trabajas
  345. hij/zij/u werkt
    trabaja
  346. wij werken
    trabajamos
  347. jullie werken
    trabajáis
  348. zij werken
    trabajan
  349. ik reis
    viajo
  350. jij reist
    viajas
  351. hij/zij/u reist
    viaja
  352. wij reizen
    viajamos
  353. jullie reizen
    viajáis
  354. zij reizen
    viajan
  355. ik leer
    aprendo
  356. jij leert
    aprendes
  357. hij/zij/u leert
    aprende
  358. wij leren
    aprendemos
  359. jullie leren
    aprendéis
  360. zij leren
    aprenden
  361. ik eet
    como
  362. jij eet
    comes
  363. hij/zij/u eet
    come
  364. wij eten
    comemos
  365. jullie eten
    coméis
  366. zij eten
    comen
  367. ik begrijp
    comprendo
  368. jij begrijpt
    comprendes
  369. hij/zij/u begrijpt
    comprende
  370. wij begrijpen
    comprendemos
  371. jullie begrijpen
    comprendéis
  372. zij begrijpen
    comprenden
  373. ik ren
    corro
  374. jij rent
    corres
  375. hij/zij/u rent
    corre
  376. wij rennen
    corremos
  377. jullie rennen
    corréis
  378. zij rennen
    corren
  379. ik geloof
    creo
  380. jij gelooft
    crees
  381. hij/zij/u gelooft
    cree
  382. wij geloven
    creemos
  383. jullie geloven
    creéis
  384. zij geloven
    creen
  385. ik beloof
    prometo
  386. jij belooft
    prometes
  387. hij/zij/u belooft
    promete
  388. wij beloven
    prometemos
  389. jullie beloven
    prometéis
  390. zij beloven
    prometen
  391. ik verkoop
    vendo
  392. jij verkoopt
    vendes
  393. hij/zij/u verkoopt
    vende
  394. wij verkopen
    vendemos
  395. jullie verkopen
    vendéis
  396. zij verkopen
    venden
  397. ik drink
    bebo
  398. jij drinkt
    bebes
  399. hij/zij/u drinkt
    bebe
  400. wij drinken
    bebemos
  401. jullie drinken
    bebéis
  402. zij drinken
    beben
  403. ik doe open
    abro
  404. jij doet open
    abres
  405. hij/zij/u doet open
    abre
  406. wij open doen
    abrimos
  407. jullie open doen
    abrís
  408. zij open doen
    abren
  409. ik ontvang
    recibo
  410. jij ontvangt
    recibes
  411. hij/zij/u ontvangt
    recibe
  412. wij ontvangen
    recibimos
  413. jullie ontvangen
    recibís
  414. zij ontvangen
    reciben
  415. ik stijg
    subo
  416. jij stijgt
    subes
  417. hij/zij/u stijgt
    sube
  418. wij stijgen
    subimos
  419. jullie stijgen
    subís
  420. zij stijgen
    suben
  421. ik daal
    bajo
  422. jij daalt
    bajas
  423. hij/zij/u daalt
    baja
  424. wij dalen
    bajamos
  425. jullie dalen
    bajáis
  426. zij dalen
    bajan
  427. ik wil
    quiero
  428. jij wilt
    quieres
  429. hij/zij/u wilt
    quiere
  430. wij willen
    queremos
  431. jullie willen
    queréis
  432. zij willen
    quieren
  433. ik hou van
    quiero
  434. jij houdt van
    quieres
  435. hij/zij/u houdt van
    quiere
  436. wij houden van
    queremos
  437. jullie houden van
    queréis
  438. zij houden van
    quieren
  439. ik speel
    juego
  440. jij speelt
    juegas
  441. hij/zij/u speelt
    juega
  442. wij spelen
    jugamos
  443. jullie spelen
    jugáis
  444. zij spelen
    juegan
  445. ik doe gewoonlijk
    suelo
  446. jij doet gewoonlijk
    sueles
  447. hij/zij/u doet gewoonlijk
    suele
  448. wij doen gewoonlijk
    solemos
  449. jullie doen gewoonlijk
    soléis
  450. zij doen gewoonlijk
    suelen
  451. ik kijk
    miro
  452. jij kijkt
    miras
  453. hij/zij/u kijkt
    mira
  454. wij kijken
    miramos
  455. jullie kijken
    miráis
  456. zij kijken
    miran
  457. ik kook
    cocino
  458. jij kookt
    cocinas
  459. hij/zij/u kookt
    cocina
  460. wij koken
    cocinamos
  461. jullie koken
    cocináis
  462. zij koken
    cocinan
  463. ik kom aan
    llego
  464. jij komt aan
    llegas
  465. hij/zij/u komt aan
    llega
  466. wij komen aan
    llegamos
  467. jullie komen aan
    llegáis
  468. zij komen aan
    llegan
  469. ik vergeet
    olvido
  470. jij vergeet
    olvidas
  471. hij/zij/u vergeet
    olvida
  472. wij vergeten
    olvidamos
  473. jullie vergeten
    olvidáis
  474. zij vergeten
    olvidan
  475. ik stuur
    mando
  476. jij stuurt
    mandas
  477. hij/zij/u stuurt
    manda
  478. wij sturen
    mandamos
  479. jullie sturen
    mandáis
  480. zij sturen
    mandan
  481. ik leid
    mando
  482. jij leidt
    mandas
  483. hij/zij/u leidt
    manda
  484. wij leiden
    mandamos
  485. jullie leiden
    mandáis
  486. zij leiden
    mandan
  487. ik reserveer
    reservo
  488. jij reserveert
    reservas
  489. hij/zij/u reserveert
    reserva
  490. wij reserveren
    reservamos
  491. jullie reserveren
    reserváis
  492. zij reserveren
    reservan
  493. ik geef
    doy
  494. jij geeft
    das
  495. hij/zij/u geeft
    da
  496. wij geven
    damos
  497. jullie geven
    dais
  498. zij geven
    dan
  499. ik probeer
    intento
  500. jij probeert
    intentas
  501. hij/zij/u probeert
    intenta
  502. wij proberen
    intentamos
  503. jullie proberen
    intentáis
  504. zij proberen
    intentan
  505. ik steel
    robo
  506. jij steelt
    robas
  507. hij/zij/u steelt
    roba
  508. wij stelen
    robamos
  509. jullie stelen
    robáis
  510. zij stelen
    roban
  511. ik huur
    alquilo
  512. jij huurt
    alquilas
  513. hij/zij/u huurt
    alquila
  514. wij huren
    alquilamos
  515. jullie huren
    alquiláis
  516. zij huren
    alquilan
  517. ik maak kapot
    rompo
  518. jij maakt kapot
    rompes
  519. hij/zij/u maakt kapot
    rompe
  520. wij maken kapot
    rompemos
  521. jullie maken kapot
    rompéis
  522. zij maken kapot
    rompen
  523. ik breek
    rompo
  524. jij breekt
    rompes
  525. hij/zij/u breekt
    rompe
  526. wij breken
    rompemos
  527. jullie breken
    rompéis
  528. zij breken
    rompen
  529. ik neem (een afslag)
    cojo
  530. jij neemt (een afslag)
    coges
  531. hij/zij/u neemt (een afslag)
    coge
  532. wij nemen (een afslag)
    cogemos
  533. jullie nemen (een afslag)
    cogéis
  534. zij nemen (een afslag)
    cogen
  535. ik sla af
    giro
  536. jij slaat af
    giras
  537. hij/zij/u slaat af
    gira
  538. wij slaan af
    giramos
  539. jullie slaan af
    giráis
  540. zij slaan af
    giran
  541. ik draai
    giro
  542. jij draait
    giras
  543. hij/zij/u draait
    gira
  544. wij draaien
    giramos
  545. jullie draaien
    giráis
  546. zij draaien
    giran
  547. ik passeer
    paso
  548. jij passeert
    pasas
  549. hij/zij/u passeert
    pasa
  550. wij passeren
    pasamos
  551. jullie passeren
    pasáis
  552. zij passeren
    pasan
  553. ik volg
    sigo
  554. jij volgt
    sigues
  555. hij/zij/u volgt
    sigue
  556. wij volgen
    seguimos
  557. jullie volgen
    seguís
  558. zij volgen
    siguen
  559. ik ga door
    sigo
  560. jij gaat door
    sigues
  561. hij/zij/u gaat door
    sigue
  562. wij gaan door
    seguimos
  563. jullie gaan door
    seguís
  564. zij gaan door
    siguen
  565. ik denk
    pienso
  566. jij denkt
    piensas
  567. hij/zij/u denkt
    piensa
  568. wij denken
    pensamos
  569. jullie denken
    pensáis
  570. zij denken
    piensan
  571. ik reken
    cuento
  572. jij rekent
    cuentas
  573. hij/zij/u rekent
    cuenta
  574. wij rekenen
    contamos
  575. jullie rekenen
    contáis
  576. zij rekenen
    cuentan
  577. ik vertel
    cuento
  578. jij vertelt
    cuentas
  579. hij/zij/u vertelt
    cuenta
  580. wij vertellen
    contamos
  581. jullie vertellen
    contáis
  582. zij vertellen
    cuentan
  583. ik bestel
    pido
  584. jij bestelt
    pides
  585. hij/zij/u bestelt
    pide
  586. wij bestellen
    pedimos
  587. jullie bestellen
    pedís
  588. zij bestellen
    piden
  589. ik verzoek
    pido
  590. jij verzoekt
    pides
  591. hij/zij/u verzoekt
    pide
  592. wij verzoeken
    pedimos
  593. jullie verzoeken
    pedís
  594. zij verzoeken
    piden
  595. ik vraag
    pregunto
  596. jij vraagt
    preguntas
  597. hij/zij/u vraagt
    pregunta
  598. wij vragen
    preguntamos
  599. jullie vragen
    preguntáis
  600. zij vragen
    preguntan
  601. ik spreek af
    quedo
  602. jij spreekt af
    quedas
  603. hij/zij/u spreekt af
    queda
  604. wij spreken af
    quedamos
  605. jullie spreken af
    quedáis
  606. zij spreken af
    quedan
  607. ik blijf
    quedo
  608. jij blijft
    quedas
  609. hij/zij/u blijft
    queda
  610. wij blijven
    quedamos
  611. jullie blijven
    quedáis
  612. zij blijven
    quedan
  613. ik wens
    deseo
  614. jij wenst
    deseas
  615. hij/zij/u wenst
    desea
  616. wij wensen
    deseamos
  617. jullie wensen
    deseáis
  618. zij wensen
    desean
  619. ik slaap
    duermo
  620. jij slaapt
    duermes
  621. hij/zij/u slaapt
    duerme
  622. wij slapen
    dormimos
  623. jullie slapen
    dormís
  624. zij slapen
    duermen
  625. ik groei op
    crezco
  626. jij groeit op
    creces
  627. hij/zij/u groeit op
    crece
  628. wij groeien op
    crecemos
  629. jullie groeien op
    crecéis
  630. zij groeien op
    crecen
  631. ik voel
    siento
  632. jij voelt
    sientes
  633. hij/zij/u voelt
    siente
  634. wij voelen
    sentimos
  635. jullie voelen
    sentís
  636. zij voelen
    sienten
  637. ik val
    siento
  638. jij valt
    sientas
  639. hij/zij/u valt
    sienta
  640. wij vallen
    sentamos
  641. jullie vallen
    sentáis
  642. zij vallen
    sientan
  643. ik zit
    siento
  644. jij zit
    sientas
  645. hij/zij/u zit
    sienta
  646. wij zitten
    sentamos
  647. jullie zitten
    sentáis
  648. zij zitten
    sientan
  649. ik vertaal
    traduzco
  650. jij vertaalt
    traduces
  651. hij/zij/u vertaalt
    traduce
  652. wij vertalen
    traducimos
  653. jullie vertalen
    traducís
  654. zij vertalen
    traducen
  655. ik ruik
    huelo
  656. jij ruikt
    hueles
  657. hij/zij/u ruikt
    huele
  658. wij ruiken
    olemos
  659. jullie ruiken
    oléis
  660. zij ruiken
    huelen
  661. ik neem mee
    traigo
  662. jij neemt mee
    traes
  663. hij/zij/u neemt mee
    trae
  664. wij nemen mee
    traemos
  665. jullie nemen mee
    traéis
  666. zij nemen mee
    traen
  667. ik breng
    traigo
  668. jij brengt
    traes
  669. hij/zij/u brengt
    trae
  670. wij brengen
    traemos
  671. jullie brengen
    traéis
  672. zij brengen
    traen
  673. ik bedek
    cubro
  674. jij bedekt
    cubres
  675. hij/zij/u bedekt
    cubre
  676. wij bedekken
    cubrimos
  677. jullie bedekken
    cubrís
  678. zij bedekken
    cubren
  679. ik beschern
    cubro
  680. jij beschermt
    cubres
  681. hij/zij/u beschermt
    cubre
  682. wij beschermen
    cubrimos
  683. jullie beschermen
    cubrís
  684. zij beschermen
    cubren
  685. ik beschrijf
    describo
  686. jij beschrijft
    describes
  687. hij/zij/u beschrijft
    describe
  688. wij beschrijven
    describimos
  689. jullie beschrijven
    describís
  690. zij beschrijven
    describen
  691. ik heb aan (van kleding)
    visto
  692. jij hebt aan (van kleding)
    vistes
  693. hij/zij/u hebt aan (van kleding)
    viste
  694. wij hebben aan (van kleding)
    vestimos
  695. jullie hebben aan (van kleding)
    vestís
  696. zij hebben aan (van kleding)
    visten
  697. ik verlaat
    dejo
  698. jij verlaat
    dejas
  699. hij/zij/u verlaat
    deja
  700. wij verlaten
    dejamos
  701. jullie verlaten
    dejáis
  702. zij verlaten
    dejan
  703. ik laat achter
    dejo
  704. jij laat achter
    dejas
  705. hij/zij/u laat achter
    deja
  706. wij laten achter
    dejamos
  707. jullie laten achter
    dejáis
  708. zij laten achter
    dejan
  709. ik verberg
    escondo
  710. jij verbergt
    escondes
  711. hij/zij/u verbergt
    esconde
  712. wij verbergen
    escondemos
  713. jullie verbergen
    escondéis
  714. zij verbergen
    esconden
  715. ik vul in (formulier)
    relleno
  716. jij vult in (formulier)
    rellenas
  717. hij/zij/u vult in (formulier)
    rellena
  718. wij vullen in (formulier)
    rellenamos
  719. jullie vullen in (formulier)
    rellenáis
  720. zij vullen in (formulier)
    rellenan
  721. ik spaar
    ahorro
  722. jij spaart
    ahorras
  723. hij/zij/u spaart
    ahorra
  724. wij sparen
    ahorramos
  725. jullie sparen
    ahorráis
  726. zij sparen
    ahorran
  727. ik koop
    compro
  728. jij koopt
    compras
  729. hij/zij/u koopt
    compra
  730. wij kopen
    compramos
  731. jullie kopen
    compráis
  732. zij kopen
    compran
  733. ik begeleid
    acompaño
  734. jij begeleidt
    acompañas
  735. hij/zij/u begeleidt
    acompaña
  736. wij begeleiden
    acompañamos
  737. jullie begeleiden
    acompañáis
  738. zij begeleiden
    acompañan
  739. ik verkrijg
    consigo
  740. jij verkrijgt
    consigues
  741. hij/zij/u verkrijgt
    consigue
  742. wij verkrijgen
    conseguimos
  743. jullie verkrijgen
    conseguís
  744. zij verkrijgen
    consiguen
  745. ik parkeer
    aparco
  746. jij parkeert
    aparcas
  747. hij/zij/u parkeert
    aparca
  748. wij parkeren
    aparcamos
  749. jullie parkeren
    aparcáis
  750. zij parkeren
    aparcan
  751. ik val
    caigo
  752. jij valt
    caes
  753. hij/zij/u valt
    cae
  754. wij vallen
    caemos
  755. jullie vallen
    caéis
  756. zij vallen
    caen
  757. ik hoor
    oigo
  758. jij hoort
    oyes
  759. hij/zij/u hoort
    oye
  760. wij horen
    oímos
  761. jullie horen
    oís
  762. zij horen
    oyen
  763. ik ken
    conozco
  764. jij kent
    conoces
  765. hij/zij/u kent
    conoce
  766. wij kennen
    conocemos
  767. jullie kennen
    conocéis
  768. zij kennen
    conocen
  769. ik lijk
    parezco
  770. jij lijkt
    pareces
  771. hij/zij/u lijkt
    parece
  772. wij lijken
    parecemos
  773. jullie lijken
    parecéis
  774. zij lijken
    parecen
  775. ik beveel aan
    recomiendo
  776. jij beveelt aan
    recomiendas
  777. hij/zij/u beveelt aan
    recomienda
  778. wij bevelen aan
    recomendamos
  779. jullie bevelen aan
    recomendáis
  780. zij bevelen aan
    recomiendan
  781. ik heb lief
    amo
  782. jij hebt lief
    amas
  783. hij/zij/u hebt lief
    ama
  784. wij hebben lief
    amamos
  785. jullie hebben lief
    amáis
  786. zij hebben lief
    aman
  787. ik groei
    crezco
  788. jij groeit
    creces
  789. hij/zij/u groeit
    crece
  790. wij groeien
    crecemos
  791. jullie groeien
    crecéis
  792. zij groeien
    crecen
  793. ik houd op
    abandono
  794. jij houdt op
    abandonas
  795. hij/zij/u houdt op
    abandona
  796. wij houden op
    abandonamos
  797. jullie houden op
    abandonáis
  798. zij houden op
    abandonan
  799. ik geef op
    abandono
  800. jij geeft op
    abandonas
  801. hij/zij/u geeft op
    abandona
  802. wij geven op
    abandonamos
  803. jullie geven op
    abandonáis
  804. zij geven op
    abandonan
  805. ik negeer
    niego
  806. jij negeert
    niegas
  807. hij/zij/u negeert
    niega
  808. wij negeren
    negamos
  809. jullie negeren
    negáis
  810. zij negeren
    niegan
  811. ik ontken
    niego
  812. jij ontkent
    niegas
  813. hij/zij/u ontkent
    niega
  814. wij ontkennen
    negamos
  815. jullie ontkennen
    negáis
  816. zij ontkennen
    niegan

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview