AlleTijdenTotaal.txt

Card Set Information

Author:
ovdwalle
ID:
180379
Filename:
AlleTijdenTotaal.txt
Updated:
2012-10-28 15:37:04
Tags:
Totaal
Folders:

Description:
Totaal
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ovdwalle on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. ik spreek
    hablo
  2. jij spreekt
    hablas
  3. hij/zij/u spreekt
    habla
  4. wij spreken
    hablamos
  5. jullie spreken
    habláis
  6. zij spreken
    hablan
  7. ik sprak
    hablé
  8. jij sprak
    hablaste
  9. hij/zij/u sprak
    habló
  10. wij spraken
    hablamos
  11. jullie spraken
    hablasteis
  12. zij spraken
    hablaron
  13. ik zal spreken spreken
    hablaré
  14. jij zal spreken
    hablarás
  15. hij/zij/u zal spreken
    hablará
  16. wij zullen spreken
    hablaremos
  17. jullie zullen spreken
    hablaréis
  18. zij zullen spreken
    hablarán
  19. ik ben aan het spreken
    estoy hablando
  20. jij bent aan het spreken
    estás hablando
  21. hij/zij/u is aan het spreken
    está hablando
  22. wij zijn aan het spreken
    estamos hablando
  23. jullie zijn aan het spreken
    estáis hablando
  24. zij zijn aan het spreken
    están hablando
  25. ik heb gesproken
    he hablado
  26. jij hebt gesproken
    has hablado
  27. hij/zij/u heeft gesproken
    ha hablado
  28. wij hebben gesproken
    hemos hablado
  29. jullie hebben gesproken
    habéis hablado
  30. zij hebben gesproken
    han hablado
  31. ik eet
    como
  32. jij eet
    comes
  33. hij/zij/u eet
    come
  34. wij eten
    comemos
  35. jullie eten
    coméis
  36. zij eten
    comen
  37. ik at
    comí
  38. jij at
    comiste
  39. hij/zij/u at
    comió
  40. wij aten
    comimos
  41. jullie aten
    comisteis
  42. zij aten
    comieron
  43. ik zal eten eten
    comeré
  44. jij zal eten
    comerás
  45. hij/zij/u zal eten
    comerá
  46. wij zullen eten presente
    comeremos
  47. jullie zullen eten
    comeréis
  48. zij zullen eten
    comerán
  49. ik ben aan het eten
    estoy comiendo
  50. jij bent aan het eten
    estás comiendo
  51. hij/zij/u is aan het eten
    está comiendo
  52. wij zijn aan het eten
    estamos comiendo
  53. jullie zijn aan het eten
    estáis comiendo
  54. zij zijn aan het eten
    están comiendo
  55. ik heb gegeten
    he comido
  56. jij hebt gegeten
    has comido
  57. hij/zij/u heeft gegeten
    ha comido
  58. wij hebben gegeten futuro
    hemos comido
  59. jullie hebben gegeten
    habéis comido
  60. zij hebben gegeten
    han comido
  61. ik leef
    vivo
  62. jij leeft
    vives
  63. hij/zij/u leeft
    vive
  64. wij leven
    vivimos
  65. jullie leven
    vivís
  66. zij leven
    viven
  67. ik leefde
    viví
  68. jij leefde
    viviste
  69. hij/zij/u leefde
    vivió
  70. wij leefden
    vivimos
  71. jullie leefden
    vivisteis
  72. zij leefden
    vivieron
  73. ik zal leven
    viviré
  74. jij zal leven
    vivirás
  75. hij/zij/u zal leven
    vivirá
  76. wij zullen leven
    viviremos
  77. jullie zullen leven
    viviréis
  78. zij zullen leven
    vivirán
  79. ik ben aan het leven leven
    estoy viviendo
  80. jij bent aan het leven
    estás viviendo
  81. hij/zij/u is aan het leven
    está viviendo
  82. wij zijn aan het leven
    estamos viviendo
  83. jullie zijn aan het leven
    estáis viviendo
  84. zij zijn aan het leven
    están viviendo
  85. ik heb geleefd
    he vivido
  86. jij hebt geleefd
    has vivido
  87. hij/zij/u heeft geleefd
    ha vivido
  88. wij hebben geleefd
    hemos vivido
  89. jullie hebben geleefd
    habéis vivido
  90. zij hebben geleefd
    han vivido
  91. ik word geboren
    nazco
  92. jij wordt geboren
    naces
  93. hij/zij/u wordt geboren
    nace
  94. wij worden geboren
    nacemos
  95. jullie worden geboren
    nacéis
  96. zij worden geboren
    nacen
  97. ik werd geboren
    nací
  98. jij werd geboren
    naciste
  99. hij/zij/u werd geboren
    nació
  100. wij werden geboren
    nacimos
  101. jullie werden geboren
    nacisteis
  102. zij werden geboren
    nacieron
  103. ik zal geboren worden
    naceré
  104. jij zal geboren worden
    nacerás
  105. hij/zij/u zal geboren worden
    nacerá
  106. wij zullen geboren worden
    naceremos
  107. jullie zullen geboren worden
    naceréis
  108. zij zullen geboren worden
    nacerán
  109. ik ben aan het geboren worden
    estoy naciendo
  110. jij bent aan het geboren worden
    estás naciendo
  111. hij/zij/u is aan het geboren worden
    está naciendo
  112. wij zijn aan het geboren worden
    estamos naciendo
  113. jullie zijn aan het geboren worden
    estáis naciendo
  114. zij zijn aan het geboren worden
    están naciendo
  115. ik ben geboren
    he nacido
  116. jij bent geboren
    has nacido
  117. hij/zij/u is geboren
    ha nacido
  118. wij zijn geboren
    hemos nacido
  119. jullie zijn geboren
    habéis nacido
  120. zij zijn geboren
    han nacido
  121. ik ontvang
    recibo
  122. jij ontvangt
    recibes
  123. hij/zij/u ontvangt
    recibe
  124. wij ontvangen
    recibimos
  125. jullie ontvangen
    recibís
  126. zij ontvangen
    reciben
  127. ik ontving
    recibí
  128. jij ontving
    recibiste
  129. hij/zij/u ontving
    recibió
  130. wij ontvingen
    recibimos
  131. jullie ontvingen
    recibisteis
  132. zij ontvingen
    recibieron
  133. ik zal ontvangen
    recibiré
  134. jij zal ontvangen
    recibirás
  135. hij/zij/u zal ontvangen
    recibirá
  136. wij zullen ontvangen
    recibiremos
  137. jullie zullen ontvangen
    recibiréis
  138. zij zullen ontvangen
    recibirán
  139. ik ben aan het ontvangen
    estoy recibiendo
  140. jij bent aan het ontvangen
    estás recibiendo
  141. hij/zij/u is aan het ontvangen
    está recibiendo
  142. wij zijn aan het ontvangen
    estamos recibiendo
  143. jullie zijn aan het ontvangen
    estáis recibiendo
  144. zij zijn aan het ontvangen
    están recibiendo
  145. ik heb ontvangen
    he recibido
  146. jij hebt ontvangen
    has recibido
  147. hij/zij/u heeft ontvangen
    ha recibido
  148. wij hebben ontvangen
    hemos recibido
  149. jullie hebben ontvangen
    habéis recibido
  150. zij hebben ontvangen
    han recibido
  151. ik studeer
    estudio
  152. jij studeert
    estudias
  153. hij/zij/u studeert
    estudia
  154. wij studeren
    estudiamos
  155. jullie studeren
    estudiáis
  156. zij studeren
    estudian
  157. ik studeerde
    estudié
  158. jij studeerde
    estudiaste
  159. hij/zij/u studeerde
    estudió
  160. wij studeerden
    estudiamos
  161. jullie studeerden
    estudiasteis
  162. zij studeerden
    estudiaron
  163. ik zal studeren
    estudiaré
  164. jij zal studeren
    estudiarás
  165. hij/zij/u zal studeren
    estudiará
  166. wij zullen studeren
    estudiaremos
  167. jullie zullen studeren
    estudiaréis
  168. zij zullen studeren
    estudiarán
  169. ik ben aan het studeren
    estoy estudiando
  170. jij bent aan het studeren
    estás estudiando
  171. hij/zij/u is aan het studeren
    está estudiando
  172. wij zijn aan het studeren
    estamos estudiando
  173. jullie zijn aan het studeren
    estáis estudiando
  174. zij zijn aan het studeren
    están estudiando
  175. ik heb gestudeerd
    he estudiado
  176. jij hebt gestudeerd
    has estudiado
  177. hij/zij/u heeft gestudeerd
    ha estudiado
  178. wij hebben gestudeerd
    hemos estudiado
  179. jullie hebben gestudeerd
    habéis estudiado
  180. zij hebben gestudeerd
    han estudiado
  181. ik besluit
    decido
  182. jij besluit
    decides
  183. hij/zij/u besluit
    decide
  184. wij besluiten
    decidimos
  185. jullie besluiten
    decidís
  186. zij besluiten
    deciden
  187. ik besloot
    decidí
  188. jij besloot
    decidiste
  189. hij/zij/u besloot
    decidió
  190. wij besloten
    decidimos
  191. jullie besloten
    decidisteis
  192. zij besloten
    decidieron
  193. ik zal besluiten
    decidiré
  194. jij zal besluiten
    decidirás
  195. hij/zij/u zal besluiten
    decidirá
  196. wij zullen besluiten
    decidiremos
  197. jullie zullen besluiten
    decidiréis
  198. zij zullen besluiten
    decidirán
  199. ik ben aan het besluiten
    estoy decidiendo
  200. jij bent aan het besluiten
    estás decidiendo
  201. hij/zij/u is aan het besluiten
    está decidiendo
  202. wij zijn aan het besluiten
    estamos decidiendo
  203. jullie zijn aan het besluiten
    estáis decidiendo
  204. zij zijn aan het besluiten
    están decidiendo
  205. ik heb besloten
    he decidido
  206. jij hebt besloten
    has decidido
  207. hij/zij/u heeft besloten
    ha decidido
  208. wij hebben besloten
    hemos decidido
  209. jullie hebben besloten
    habéis decidido
  210. zij hebben besloten
    han decidido
  211. ik heb
    tengo
  212. jij hebt
    tienes
  213. hij/zij/u hebt
    tiene
  214. wij hebben
    tenemos
  215. jullie hebben
    tenéis
  216. zij hebben
    tienen
  217. ik had
    tuve
  218. jij had
    tuviste
  219. hij/zij/u had
    tuvo
  220. wij hadden
    tuvimos
  221. jullie hadden
    tuvisteis
  222. zij hadden
    tuvieron
  223. ik zal hebben
    tendré
  224. jij zal hebben
    tendrás
  225. hij/zij/u zal hebben
    tendrá
  226. wij zullen hebben
    tendremos
  227. jullie zullen hebben
    tendréis
  228. zij zullen hebben
    tendrán
  229. ik ben aan het hebben
    estoy teniendo
  230. jij bent aan het hebben
    estás teniendo
  231. hij/zij/u is aan het hebben
    está teniendo
  232. wij zijn aan het hebben
    estamos teniendo
  233. jullie zijn aan het hebben
    estáis teniendo
  234. zij zijn aan het hebben
    están teniendo
  235. ik heb gehad
    he tenido
  236. jij hebt gehad
    has tenido
  237. hij/zij/u heeft gehad
    ha tenido
  238. wij hebben gehad
    hemos tenido
  239. jullie hebben gehad
    habéis tenido
  240. zij hebben gehad
    han tenido
  241. ik ben
    soy
  242. jij bent
    eres
  243. hij/zij/u is
    es
  244. wij zijn
    somos
  245. jullie zijn
    sois
  246. zij zijn
    son
  247. ik was
    fui
  248. jij was
    fuiste
  249. hij/zij/u was
    fue
  250. wij waren
    fuimos
  251. jullie waren
    fuisteis
  252. zij waren
    fueron
  253. ik zal zijn
    seré
  254. jij zal zijn
    serás
  255. hij/zij/u zal zijn
    será
  256. wij zullen zijn
    seremos
  257. jullie zullen zijn
    seréis
  258. zij zullen zijn
    serán
  259. ik ben aan het zijn (ser)
    estoy siendo
  260. jij bent aan het zijn (ser)
    estás siendo
  261. hij/zij/u is aan het zijn (ser)
    está siendo
  262. wij zijn aan het zijn (ser)
    estamos siendo
  263. jullie zijn aan het zijn (ser)
    estáis siendo
  264. zij zijn aan het zijn (ser)
    están siendo
  265. ik ben geweest
    he sido
  266. jij bent geweest
    has sido
  267. hij/zij/u is geweest
    ha sido
  268. wij zijn geweest
    hemos sido
  269. jullie zijn geweest
    habéis sido
  270. zij zijn geweest
    han sido
  271. ik beïnvloed
    influyo
  272. jij beïnvloedt
    influyes
  273. hij/zij/u beïnvloedt
    influye
  274. wij beïnvloeden
    influimos
  275. jullie beïnvloeden
    influís
  276. zij beïnvloeden
    influyen
  277. ik beïnvloedde
    influí
  278. jij beïnvloedde
    influiste
  279. hij/zij/u beïnvloedde
    influyó
  280. wij beïnvloedden
    influimos
  281. jullie beïnvloedden
    influisteis
  282. zij beïnvloedden
    influyeron
  283. ik zal beïnvloeden
    influiré
  284. jij zal beïnvloeden
    influirás
  285. hij/zij/u zal beïnvloeden
    influirá
  286. wij zullen beïnvloeden
    influiremos
  287. jullie zullen beïnvloeden
    influiréis
  288. zij zullen beïnvloeden
    influirán
  289. ik ben aan het beïnvloeden
    estoy influyendo
  290. jij bent aan het beïnvloeden
    estás influyendo
  291. hij/zij/u is aan het beïnvloeden
    está influyendo
  292. wij zijn aan het beïnvloeden
    estamos influyendo
  293. jullie zijn aan het beïnvloeden
    estáis influyendo
  294. zij zijn aan het beïnvloeden
    están influyendo
  295. ik heb beïnvloed
    he influido
  296. jij hebt beïnvloed
    has influido
  297. hij/zij/u heeft beïnvloed
    ha influido
  298. wij hebben beïnvloed
    hemos influido
  299. jullie hebben beïnvloed
    habéis influido
  300. zij hebben beïnvloed
    han influido
  301. ik laat zien
    manifiesto
  302. jij laat zien
    manifiestas
  303. hij/zij/u laat zien
    manifiesta
  304. wij laten zien
    manifestamos
  305. jullie laten zien
    manifestáis
  306. zij laten zien
    manifiestan
  307. ik liet zien
    manifesté
  308. jij liet zien
    manifestaste
  309. hij/zij/u liet zien
    manifestó
  310. wij lieten zien
    manifestamos
  311. jullie lieten zien
    manifestasteis
  312. zij lieten zien
    manifestaron
  313. ik zal laten zien
    manifestaré
  314. jij zal laten zien
    manifestarás
  315. hij/zij/u zal laten zien
    manifestará
  316. wij zullen laten zien
    manifestaremos
  317. jullie zullen laten zien
    manifestaréis
  318. zij zullen laten zien
    manifestarán
  319. ik ben aan het laten zien
    estoy manifestando
  320. jij bent aan het laten zien
    estás manifestando
  321. hij/zij/u is aan het laten zien
    está manifestando
  322. wij zijn aan het laten zien
    estamos manifestando
  323. jullie zijn aan het laten zien
    estáis manifestando
  324. zij zijn aan het laten zien
    están manifestando
  325. ik heb laten zien
    he manifestado
  326. jij hebt laten zien
    has manifestado
  327. hij/zij/u heeft laten zien
    ha manifestado
  328. wij hebben laten zien
    hemos manifestado
  329. jullie hebben laten zien
    habéis manifestado
  330. zij hebben laten zien
    han manifestado
  331. ik doe open
    abro
  332. jij doet open
    abres
  333. hij/zij/u doet open
    abre
  334. wij doen open
    abrimos
  335. jullie doen open
    abrís
  336. zij doen open
    abren
  337. ik deed open
    abrí
  338. jij deed open
    abriste
  339. hij/zij/u deed open
    abrió
  340. wij deden open
    abrimos
  341. jullie deden open
    abristeis
  342. zij deden open
    abrieron
  343. ik zal open doen
    abriré
  344. jij zal open doen
    abrirás
  345. hij/zij/u zal open doen
    abrirá
  346. wij zullen open doen
    abriremos
  347. jullie zullen open doen
    abriréis
  348. zij zullen open doen
    abrirán
  349. ik ben aan het open doen
    estoy abriendo
  350. jij bent aan het open doen
    estás abriendo
  351. hij/zij/u is aan het open doen
    está abriendo
  352. wij zijn aan het open doen
    estamos abriendo
  353. jullie zijn aan het open doen
    estáis abriendo
  354. zij zijn aan het open doen
    están abriendo
  355. ik heb open gedaan
    he abierto
  356. jij hebt open gedaan
    has abierto
  357. hij/zij/u heeft open gedaan
    ha abierto
  358. wij hebben open gedaan
    hemos abierto
  359. jullie hebben open gedaan
    habéis abierto
  360. zij hebben open gedaan
    han abierto
  361. ik verhuis
    me traslado
  362. jij verhuist
    te trasladas
  363. hij/zij/u verhuist
    se traslada
  364. wij verhuizen
    nos trasladamos
  365. jullie verhuizen
    os trasladáis
  366. zij verhuizen
    se trasladan
  367. ik verhuisde
    me trasladé
  368. jij verhuisde
    te trasladaste
  369. hij/zij/u verhuisde
    se trasladó
  370. wij verhuisden
    nos trasladamos
  371. jullie verhuisden
    os trasladasteis
  372. zij verhuisden
    se trasladaron
  373. ik zal verhuizen
    me trasladaré
  374. jij zal verhuizen
    te trasladarás
  375. hij/zij/u zal verhuizen
    se trasladará
  376. wij zullen verhuizen
    nos trasladaremos
  377. jullie zullen verhuizen
    os trasladaréis
  378. zij zullen verhuizen
    se trasladarán
  379. ik ben aan het verhuizen
    estoy trasladándose
  380. jij bent aan het verhuizen
    estás trasladándose
  381. hij/zij/u is aan het verhuizen
    está trasladándose
  382. wij zijn aan het verhuizen
    estamos trasladándose
  383. jullie zijn aan het verhuizen
    estáis trasladándose
  384. zij zijn aan het verhuizen
    están trasladándose
  385. ik ben verhuisd
    he trasladado
  386. jij bent verhuisd
    has trasladado
  387. hij/zij/u is verhuisd
    ha trasladado
  388. wij zijn verhuisd
    hemos trasladado
  389. jullie zijn verhuisd
    habéis trasladado
  390. zij zijn verhuisd
    han trasladado
  391. ik werk
    trabajo
  392. jij werkt
    trabajas
  393. hij/zij/u werkt
    trabaja
  394. wij werken
    trabajamos
  395. jullie werken
    trabajáis
  396. zij werken
    trabajan
  397. ik werkte
    trabajé
  398. jij werkte
    trabajaste
  399. hij/zij/u werkte
    trabajó
  400. wij werkten
    trabajamos
  401. jullie werkten
    trabajasteis
  402. zij werkten
    trabajaron
  403. ik zal werken
    trabajaré
  404. jij zal werken
    trabajarás
  405. hij/zij/u zal werken
    trabajará
  406. wij zullen werken
    trabajaremos
  407. jullie zullen werken
    trabajaréis
  408. zij zullen werken
    trabajarán
  409. ik ben aan het werken
    estoy trabajando
  410. jij bent aan het werken
    estás trabajando
  411. hij/zij/u is aan het werken
    está trabajando
  412. wij zijn aan het werken
    estamos trabajando
  413. jullie zijn aan het werken
    estáis trabajando
  414. zij zijn aan het werken
    están trabajando
  415. ik heb gewerkt
    he trabajado
  416. jij hebt gewerkt
    has trabajado
  417. hij/zij/u heeft gewerkt
    ha trabajado
  418. wij hebben gewerkt
    hemos trabajado
  419. jullie hebben gewerkt
    habéis trabajado
  420. zij hebben gewerkt
    han trabajado
  421. ik trouw
    me caso
  422. jij trouwt
    te casas
  423. hij/zij/u trouwt
    se casa
  424. wij trouwen
    nos casamos
  425. jullie trouwen
    os casáis
  426. zij trouwen
    se casan
  427. ik trouwde
    me casé
  428. jij trouwde
    te casaste
  429. hij/zij/u trouwde
    se casó
  430. wij trouwden
    nos casamos
  431. jullie trouwden
    os casasteis
  432. zij trouwden
    se casaron
  433. ik zal trouwen
    me casaré
  434. jij zal trouwen
    te casarás
  435. hij/zij/u zal trouwen
    se casará
  436. wij zullen trouwen
    nos casaremos
  437. jullie zullen trouwen
    os casaréis
  438. zij zullen trouwen
    se casarán
  439. ik ben aan het trouwen
    estoy casándose
  440. jij bent aan het trouwen
    estás casándose
  441. hij/zij/u is aan het trouwen
    está casándose
  442. wij zijn aan het trouwen
    estamos casándose
  443. jullie zijn aan het trouwen
    estáis casándose
  444. zij zijn aan het trouwen
    están casándose
  445. ik ben getrouwd geweest
    he casado
  446. jij bent getrouwd geweest
    has casado
  447. hij/zij/u is getrouwd geweest
    ha casado
  448. wij zijn getrouwd geweest
    hemos casado
  449. jullie zijn getrouwd geweest
    habéis casado
  450. zij zijn getrouwd geweest
    han casado
  451. ik vang aan
    comienzo
  452. jij vangt aan
    comienzas
  453. hij/zij/u vangt aan
    comienza
  454. wij vangen aan
    comenzamos
  455. jullie vangen aan
    comenzáis
  456. zij vangen aan
    comienzan
  457. ik ving aan
    comencé
  458. jij ving aan
    comenzaste
  459. hij/zij/u ving aan
    comenzó
  460. wij vingen aan
    comenzamos
  461. jullie vingen aan
    comenzasteis
  462. zij vingen aan
    comenzaron
  463. ik zal aanvangen
    comenzaré
  464. jij zal aanvangen
    comenzarás
  465. hij/zij/u zal aanvangen
    comenzará
  466. wij zullen aanvangen
    comenzaremos
  467. jullie zullen aanvangen
    comenzaréis
  468. zij zullen aanvangen
    comenzarán
  469. ik ben aan het aanvangen
    estoy comenzando
  470. jij bent aan het aanvangen
    estás comenzando
  471. hij/zij/u is aan het aanvangen
    está comenzando
  472. wij zijn aan het aanvangen
    estamos comenzando
  473. jullie zijn aan het aanvangen
    estáis comenzando
  474. zij zijn aan het aanvangen
    están comenzando
  475. ik heb aangevangen
    he comenzado
  476. jij hebt aangevangen
    has comenzado
  477. hij/zij/u heeft aangevangen
    ha comenzado
  478. wij hebben aangevangen
    hemos comenzado
  479. jullie hebben aangevangen
    habéis comenzado
  480. zij hebben aangevangen
    han comenzado
  481. ik begin
    empiezo
  482. jij begint
    empiezas
  483. hij/zij/u begint
    empieza
  484. wij beginnen
    empezamos
  485. jullie beginnen
    empezáis
  486. zij beginnen
    empiezan
  487. ik begon
    empecé
  488. jij begon
    empezaste
  489. hij/zij/u begon
    empezó
  490. wij begonnen
    empezamos
  491. jullie begonnen
    empezasteis
  492. zij begonnen
    empezaron
  493. ik zal beginnen
    empezaré
  494. jij zal beginnen
    empezarás
  495. hij/zij/u zal beginnen
    empezará
  496. wij zullen beginnen
    empezaremos
  497. jullie zullen beginnen
    empezaréis
  498. zij zullen beginnen
    empezarán
  499. ik ben aan het beginnen
    estoy empezando
  500. jij bent aan het beginnen
    estás empezando
  501. hij/zij/u is aan het beginnen
    está empezando
  502. wij zijn aan het beginnen
    estamos empezando
  503. jullie zijn aan het beginnen
    estáis empezando
  504. zij zijn aan het beginnen
    están empezando
  505. ik ben begonnen
    he empezado
  506. jij bent begonnen
    has empezado
  507. hij/zij/u is begonnen
    ha empezado
  508. wij zijn begonnen
    hemos empezado
  509. jullie zijn begonnen
    habéis empezado
  510. zij zijn begonnen
    han empezado
  511. ik stop
    acabo
  512. jij stopt
    acabas
  513. hij/zij/u stopt
    acaba
  514. wij stoppen
    acabamos
  515. jullie stoppen
    acabáis
  516. zij stoppen
    acaban
  517. ik stopte
    acabé
  518. jij stopte
    acabaste
  519. hij/zij/u stopte
    acabó
  520. wij stopten
    acabamos
  521. jullie stopten
    acabasteis
  522. zij stopten
    acabaron
  523. ik zal stoppen
    acabaré
  524. jij zal stoppen
    acabarás
  525. hij/zij/u zal stoppen
    acabará
  526. wij zullen stoppen
    acabaremos
  527. jullie zullen stoppen
    acabaréis
  528. zij zullen stoppen
    acabarán
  529. ik ben aan het stoppen
    estoy acabando
  530. jij bent aan het stoppen
    estás acabando
  531. hij/zij/u is aan het stoppen
    está acabando
  532. wij zijn aan het stoppen
    estamos acabando
  533. jullie zijn aan het stoppen
    estáis acabando
  534. zij zijn aan het stoppen
    están acabando
  535. ik ben gestopt
    he acabado
  536. jij bent gestopt
    has acabado
  537. hij/zij/u is gestopt
    ha acabado
  538. wij zijn gestopt
    hemos acabado
  539. jullie zijn gestopt
    habéis acabado
  540. zij zijn gestopt
    han acabado
  541. ik maak af
    acabo
  542. jij maakt af
    acabas
  543. hij/zij/u maakt af
    acaba
  544. wij maken af
    acabamos
  545. jullie maken af
    acabáis
  546. zij maken af
    acaban
  547. ik maakte af
    acabé
  548. jij maakte af
    acabaste
  549. hij/zij/u maakte af
    acabó
  550. wij maakten af
    acabamos
  551. jullie maakten af
    acabasteis
  552. zij maakten af
    acabaron
  553. ik zal afmaken
    acabaré
  554. jij zal afmaken
    acabarás
  555. hij/zij/u zal afmaken
    acabará
  556. wij zullen afmaken
    acabaremos
  557. jullie zullen afmaken
    acabaréis
  558. zij zullen afmaken
    acabarán
  559. ik ben aan het afmaken
    estoy acabando
  560. jij bent aan het afmaken
    estás acabando
  561. hij/zij/u is aan het afmaken
    está acabando
  562. wij zijn aan het afmaken
    estamos acabando
  563. jullie zijn aan het afmaken
    estáis acabando
  564. zij zijn aan het afmaken
    están acabando
  565. ik heb afgemaakt
    he acabado
  566. jij hebt afgemaakt
    has acabado
  567. hij/zij/u heeft afgemaakt
    ha acabado
  568. wij hebben afgemaakt
    hemos acabado
  569. jullie hebben afgemaakt
    habéis acabado
  570. zij hebben afgemaakt
    han acabado
  571. ik zie
    veo
  572. jij ziet
    ves
  573. hij/zij/u ziet
    ve
  574. wij zien
    vemos
  575. jullie zien
    veis
  576. zij zien
    ven
  577. ik zag
    vi
  578. jij zag
    viste
  579. hij/zij/u zag
    vio
  580. wij zagen
    vimos
  581. jullie zagen
    visteis
  582. zij zagen
    vieron
  583. ik zal zien
    veré
  584. jij zal zien
    verás
  585. hij/zij/u zal zien
    verá
  586. wij zullen zien
    veremos
  587. jullie zullen zien
    veréis
  588. zij zullen zien
    verán
  589. ik ben aan het zien
    estoy viendo
  590. jij bent aan het zien
    estás viendo
  591. hij/zij/u is aan het zien
    está viendo
  592. wij zijn aan het zien
    estamos viendo
  593. jullie zijn aan het zien
    estáis viendo
  594. zij zijn aan het zien
    están viendo
  595. ik heb gezien
    he visto
  596. jij hebt gezien
    has visto
  597. hij/zij/u heeft gezien
    ha visto
  598. wij hebben gezien
    hemos visto
  599. jullie hebben gezien
    habéis visto
  600. zij hebben gezien
    han visto
  601. ik kom
    vengo
  602. jij komt
    vienes
  603. hij/zij/u komt
    viene
  604. wij komen
    venimos
  605. jullie komen
    venís
  606. zij komen
    vienen
  607. ik kwam
    vine
  608. jij kwam
    viniste
  609. hij/zij/u kwam
    vino
  610. wij kwamen
    vinimos
  611. jullie kwamen
    vinisteis
  612. zij kwamen
    vinieron
  613. ik zal komen
    vendré
  614. jij zal komen
    vendrás
  615. hij/zij/u zal komen
    vendrá
  616. wij zullen komen
    vendremos
  617. jullie zullen komen
    vendréis
  618. zij zullen komen
    vendrán
  619. ik ben aan het komen
    estoy viniendo
  620. jij bent aan het komen
    estás viniendo
  621. hij/zij/u is aan het komen
    está viniendo
  622. wij zijn aan het komen
    estamos viniendo
  623. jullie zijn aan het komen
    estáis viniendo
  624. zij zijn aan het komen
    están viniendo
  625. ik ben gekomen
    he venido
  626. jij bent gekomen
    has venido
  627. hij/zij/u is gekomen
    ha venido
  628. wij zijn gekomen
    hemos venido
  629. jullie zijn gekomen
    habéis venido
  630. zij zijn gekomen
    han venido
  631. ik ga naar binnen
    entro
  632. jij gaat naar binnen
    entras
  633. hij/zij/u gaat naar binnen
    entra
  634. wij gaan naar binnen
    entramos
  635. jullie gaan naar binnen
    entráis
  636. zij gaan naar binnen
    entran
  637. ik ging naar binnen
    entré
  638. jij ging naar binnen
    entraste
  639. hij/zij/u ging naar binnen
    entró
  640. wij gingen naar binnen
    entramos
  641. jullie gingen naar binnen
    entrasteis
  642. zij gingen naar binnen
    entraron
  643. ik zal naar binnen gaan
    entraré
  644. jij zal naar binnen gaan
    entrarás
  645. hij/zij/u zal naar binnen gaan
    entrará
  646. wij zullen naar binnen gaan
    entraremos
  647. jullie zullen naar binnen gaan
    entraréis
  648. zij zullen naar binnen gaan
    entrarán
  649. ik ben aan het naar binnen gaan
    estoy entrando
  650. jij bent aan het naar binnen gaan
    estás entrando
  651. hij/zij/u is aan het naar binnen gaan
    está entrando
  652. wij zijn aan het naar binnen gaan
    estamos entrando
  653. jullie zijn aan het naar binnen gaan
    estáis entrando
  654. zij zijn aan het naar binnen gaan
    están entrando
  655. ik ben naar binnen gegaan
    he entrado
  656. jij bent naar binnen gegaan
    has entrado
  657. hij/zij/u is naar binnen gegaan
    ha entrado
  658. wij zijn naar binnen gegaan
    hemos entrado
  659. jullie zijn naar binnen gegaan
    habéis entrado
  660. zij zijn naar binnen gegaan
    han entrado
  661. ik sterf
    muero
  662. jij sterft
    mueres
  663. hij/zij/u sterft
    muere
  664. wij sterven
    morimos
  665. jullie sterven
    morís
  666. zij sterven
    mueren
  667. ik stierf
    morí
  668. jij stierf
    moriste
  669. hij/zij/u stierf
    murió
  670. wij stierven
    morimos
  671. jullie stierven
    moristeis
  672. zij stierven
    murieron
  673. ik zal sterven
    moriré
  674. jij zal sterven
    morirás
  675. hij/zij/u zal sterven
    morirá
  676. wij zullen sterven
    moriremos
  677. jullie zullen sterven
    moriréis
  678. zij zullen sterven
    morirán
  679. ik ben aan het sterven
    estoy muriendo
  680. jij bent aan het sterven
    estás muriendo
  681. hij/zij/u is aan het sterven
    está muriendo
  682. wij zijn aan het sterven
    estamos muriendo
  683. jullie zijn aan het sterven
    estáis muriendo
  684. zij zijn aan het sterven
    están muriendo
  685. ik ben gestorven
    he muerto
  686. jij bent gestorven
    has muerto
  687. hij/zij/u is gestorven
    ha muerto
  688. wij zijn gestorven
    hemos muerto
  689. jullie zijn gestorven
    habéis muerto
  690. zij zijn gestorven
    han muerto
  691. ik ben
    estoy
  692. jij bent
    estás
  693. hij/zij/u is
    está
  694. wij zijn
    estamos
  695. jullie zijn
    estáis
  696. zij zijn
    están
  697. ik was
    estuve
  698. jij was
    estuviste
  699. hij/zij/u was
    estuvo
  700. wij waren
    estuvimos
  701. jullie waren
    estuvisteis
  702. zij waren
    estuvieron
  703. ik zal zijn
    estaré
  704. jij zal zijn
    estarás
  705. hij/zij/u zal zijn
    estará
  706. wij zullen zijn
    estaremos
  707. jullie zullen zijn
    estaréis
  708. zij zullen zijn
    estarán
  709. ik ben aan het zijn
    estoy estando
  710. jij bent aan het zijn
    estás estando
  711. hij/zij/u is aan het zijn
    está estando
  712. wij zijn aan het zijn
    estamos estando
  713. jullie zijn aan het zijn
    estáis estando
  714. zij zijn aan het zijn
    están estando
  715. ik ben geweest
    he estado
  716. jij bent geweest
    has estado
  717. hij/zij/u is geweest
    ha estado
  718. wij zijn geweest
    hemos estado
  719. jullie zijn geweest
    habéis estado
  720. zij zijn geweest
    han estado
  721. ik ga
    voy
  722. jij gaat
    vas
  723. hij/zij/u gaat
    va
  724. wij gaan
    vamos
  725. jullie gaan
    vais
  726. zij gaan
    van
  727. ik ging
    fui
  728. jij ging
    fuiste
  729. hij/zij/u ging
    fue
  730. wij gingen
    fuimos
  731. jullie gingen
    fuisteis
  732. zij gingen
    fueron
  733. ik zal gaan
    iré
  734. jij zal gaan
    irás
  735. hij/zij/u zal gaan
    irá
  736. wij zullen gaan
    iremos
  737. jullie zullen gaan
    iréis
  738. zij zullen gaan
    irán
  739. ik ben aan het gaan
    estoy yendo
  740. jij bent aan het gaan
    estás yendo
  741. hij/zij/u is aan het gaan
    está yendo
  742. wij zijn aan het gaan
    estamos yendo
  743. jullie zijn aan het gaan
    estáis yendo
  744. zij zijn aan het gaan
    están yendo
  745. ik ben gegaan
    he ido
  746. jij bent gegaan
    has ido
  747. hij/zij/u is gegaan
    ha ido
  748. wij zijn gegaan
    hemos ido
  749. jullie zijn gegaan
    habéis ido
  750. zij zijn gegaan
    han ido
  751. ik doe
    hago
  752. jij doet
    haces
  753. hij/zij/u doet
    hace
  754. wij doen
    hacemos
  755. jullie doen
    hacéis
  756. zij doen
    hacen
  757. ik deed
    hice
  758. jij deed
    hiciste
  759. hij/zij/u deed
    hizo
  760. wij deden
    hicimos
  761. jullie deden
    hicisteis
  762. zij deden
    hicieron
  763. ik zal doen
    haré
  764. jij zal doen
    harás
  765. hij/zij/u zal doen
    hará
  766. wij zullen doen
    haremos
  767. jullie zullen doen
    haréis
  768. zij zullen doen
    harán
  769. ik ben aan het doen
    estoy haciendo
  770. jij bent aan het doen
    estás haciendo
  771. hij/zij/u is aan het doen
    está haciendo
  772. wij zijn aan het doen
    estamos haciendo
  773. jullie zijn aan het doen
    estáis haciendo
  774. zij zijn aan het doen
    están haciendo
  775. ik heb gedaan
    he hecho
  776. jij hebt gedaan
    has hecho
  777. hij/zij/u heeft gedaan
    ha hecho
  778. wij hebben gedaan
    hemos hecho
  779. jullie hebben gedaan
    habéis hecho
  780. zij hebben gedaan
    han hecho
  781. ik maak
    hago
  782. jij maakt
    haces
  783. hij/zij/u maakt
    hace
  784. wij maken
    hacemos
  785. jullie maken
    hacéis
  786. zij maken
    hacen
  787. ik maakte
    hice
  788. jij maakte
    hiciste
  789. hij/zij/u maakte
    hizo
  790. wij maakten
    hicimos
  791. jullie maakten
    hicisteis
  792. zij maakten
    hicieron
  793. ik zal maken
    haré
  794. jij zal maken
    harás
  795. hij/zij/u zal maken
    hará
  796. wij zullen maken
    haremos
  797. jullie zullen maken
    haréis
  798. zij zullen maken
    harán
  799. ik ben aan het maken
    estoy haciendo
  800. jij bent aan het maken
    estás haciendo
  801. hij/zij/u is aan het maken
    está haciendo
  802. wij zijn aan het maken
    estamos haciendo
  803. jullie zijn aan het maken
    estáis haciendo
  804. zij zijn aan het maken
    están haciendo
  805. ik heb gemaakt
    he hecho
  806. jij hebt gemaakt
    has hecho
  807. hij/zij/u heeft gemaakt
    ha hecho
  808. wij hebben gemaakt
    hemos hecho
  809. jullie hebben gemaakt
    habéis hecho
  810. zij hebben gemaakt
    han hecho
  811. ik kan
    puedo
  812. jij kunt
    puedes
  813. hij/zij/u kan
    puede
  814. wij kunnen
    podemos
  815. jullie kunnen
    podéis
  816. zij kunnen
    pueden
  817. ik kon
    pude
  818. jij kon
    pudiste
  819. hij/zij/u kon
    pudo
  820. wij konden
    pudimos
  821. jullie konden
    pudisteis
  822. zij konden
    pudieron
  823. ik zal kunnen
    podré
  824. jij zal kunnen
    podrás
  825. hij/zij/u zal kunnen
    podrá
  826. wij zullen kunnen
    podremos
  827. jullie zullen kunnen
    podréis
  828. zij zullen kunnen
    podrán
  829. ik ben aan het kunnen
    estoy pudiendo
  830. jij bent aan het kunnen
    estás pudiendo
  831. hij/zij/u is aan het kunnen
    está pudiendo
  832. wij zijn aan het kunnen
    estamos pudiendo
  833. jullie zijn aan het kunnen
    estáis pudiendo
  834. zij zijn aan het kunnen
    están pudiendo
  835. ik heb gekund
    he podido
  836. jij hebt gekund
    has podido
  837. hij/zij/u heeft gekund
    ha podido
  838. wij hebben gekund
    hemos podido
  839. jullie hebben gekund
    habéis podido
  840. zij hebben gekund
    han podido
  841. ik zet neer
    pongo
  842. jij zet neer
    pones
  843. hij/zij/u zet neer
    pone
  844. wij zetten neer
    ponemos
  845. jullie zetten neer
    ponéis
  846. zij zetten neer
    ponen
  847. ik zette neer
    puse
  848. jij zette neer
    pusiste
  849. hij/zij/u zette neer
    puso
  850. wij zetten neer
    pusimos
  851. jullie zetten neer
    pusisteis
  852. zij zetten neer
    pusieron
  853. ik zal neerzetten
    pondré
  854. jij zal neerzetten
    pondrás
  855. hij/zij/u zal neerzetten
    pondrá
  856. wij zullen neerzetten
    pondremos
  857. jullie zullen neerzetten
    pondréis
  858. zij zullen neerzetten
    pondrán
  859. ik ben aan het neerzetten
    estoy poniendo
  860. jij bent aan het neerzetten
    estás poniendo
  861. hij/zij/u is aan het neerzetten
    está poniendo
  862. wij zijn aan het neerzetten
    estamos poniendo
  863. jullie zijn aan het neerzetten
    estáis poniendo
  864. zij zijn aan het neerzetten
    están poniendo
  865. ik heb neergezet
    he puesto
  866. jij hebt neergezet
    has puesto
  867. hij/zij/u heeft neergezet
    ha puesto
  868. wij hebben neergezet
    hemos puesto
  869. jullie hebben neergezet
    habéis puesto
  870. zij hebben neergezet
    han puesto
  871. ik heb
    tengo
  872. jij hebt
    tienes
  873. hij/zij/u heeft
    tiene
  874. wij hebben
    tenemos
  875. jullie hebben
    tenéis
  876. zij hebben
    tienen
  877. ik had
    tuve
  878. jij had
    tuviste
  879. hij/zij/u had
    tuvo
  880. wij hadden
    tuvimos
  881. jullie hadden
    tuvisteis
  882. zij hadden
    tuvieron
  883. ik zal hebben
    tendré
  884. jij zal hebben
    tendrás
  885. hij/zij/u zal hebben
    tendrá
  886. wij zullen hebben
    tendremos
  887. jullie zullen hebben
    tendréis
  888. zij zullen hebben
    tendrán
  889. ik ben aan het hebben
    estoy teniendo
  890. jij bent aan het hebben
    estás teniendo
  891. hij/zij/u is aan het hebben
    está teniendo
  892. wij zijn aan het hebben
    estamos teniendo
  893. jullie zijn aan het hebben
    estáis teniendo
  894. zij zijn aan het hebben
    están teniendo
  895. ik heb gehad
    he tenido
  896. jij hebt gehad
    has tenido
  897. hij/zij/u heeft gehad
    ha tenido
  898. wij hebben gehad
    hemos tenido
  899. jullie hebben gehad
    habéis tenido
  900. zij hebben gehad
    han tenido
  901. ik zeg
    digo
  902. jij zegt
    dices
  903. hij/zij/u zegt
    dice
  904. wij zeggen
    decimos
  905. jullie zeggen
    decís
  906. zij zeggen
    dicen
  907. ik zei
    dije
  908. jij zei
    dijiste
  909. hij/zij/u zei
    dijo
  910. wij zeiden
    dijimos
  911. jullie zeiden
    dijisteis
  912. zij zeiden
    dijeron
  913. ik zal zeggen
    diré
  914. jij zal zeggen
    dirás
  915. hij/zij/u zal zeggen
    dirá
  916. wij zullen zeggen
    diremos
  917. jullie zullen zeggen
    diréis
  918. zij zullen zeggen
    dirán
  919. ik ben aan het zeggen
    estoy diciendo
  920. jij bent aan het zeggen
    estás diciendo
  921. hij/zij/u is aan het zeggen
    está diciendo
  922. wij zijn aan het zeggen
    estamos diciendo
  923. jullie zijn aan het zeggen
    estáis diciendo
  924. zij zijn aan het zeggen
    están diciendo
  925. ik heb gezegd
    he dicho
  926. jij hebt gezegd
    has dicho
  927. hij/zij/u heeft gezegd
    ha dicho
  928. wij hebben gezegd
    hemos dicho
  929. jullie hebben gezegd
    habéis dicho
  930. zij hebben gezegd
    han dicho
  931. ik heb (hulpwerkwoord)
    he
  932. jij hebt (hulpwerkwoord)
    has
  933. hij/zij/u heeft (hulpwerkwoord)
    ha, hay
  934. wij hebben (hulpwerkwoord)
    hemos
  935. jullie hebben (hulpwerkwoord)
    habéis
  936. zij hebben (hulpwerkwoord)
    han
  937. ik had (hulpwerkwoord)
    hube
  938. jij had (hulpwerkwoord)
    hubiste
  939. hij/zij/u had (hulpwerkwoord)
    hubo
  940. wij hadden (hulpwerkwoord)
    hubimos
  941. jullie hadden (hulpwerkwoord)
    hubisteis
  942. zij hadden (hulpwerkwoord)
    hubieron
  943. ik zal hebben (hulpwerkwoord)
    habré
  944. jij zal hebben (hulpwerkwoord)
    habrás
  945. hij/zij/u zal hebben (hulpwerkwoord)
    habrá
  946. wij zullen hebben (hulpwerkwoord)
    habremos
  947. jullie zullen hebben (hulpwerkwoord)
    habréis
  948. zij zullen hebben (hulpwerkwoord)
    habrán
  949. ik ben aan het hebben
    estoy habiendo
  950. jij bent aan het hebben
    estás habiendo
  951. hij/zij/u is aan het hebben
    está habiendo
  952. wij zijn aan het hebben
    estamos habiendo
  953. jullie zijn aan het hebben
    estáis habiendo
  954. zij zijn aan het hebben
    están habiendo
  955. ik heb gehad
    he habido
  956. jij hebt gehad
    has habido
  957. hij/zij/u heeft gehad
    ha habido
  958. wij hebben gehad
    hemos habido
  959. jullie hebben gehad
    habéis habido
  960. zij hebben gehad
    han habido
  961. ik weet
  962. jij weet
    sabes
  963. hij/zij/u weet
    sabe
  964. wij weten
    sabemos
  965. jullie weten
    sabéis
  966. zij weten
    saben
  967. ik wist
    supe
  968. jij wist
    supiste
  969. hij/zij/u wist
    supo
  970. wij wisten
    supimos
  971. jullie wisten
    supisteis
  972. zij wisten
    supieron
  973. ik zal weten
    sabré
  974. jij zal weten
    sabrás
  975. hij/zij/u zal weten
    sabrá
  976. wij zullen weten
    sabremos
  977. jullie zullen weten
    sabréis
  978. zij zullen weten
    sabrán
  979. ik ben aan het weten
    estoy sabiendo
  980. jij bent aan het weten
    estás sabiendo
  981. hij/zij/u is aan het weten
    está sabiendo
  982. wij zijn aan het weten
    estamos sabiendo
  983. jullie zijn aan het weten
    estáis sabiendo
  984. zij zijn aan het weten
    están sabiendo
  985. ik heb geweten
    he sabido
  986. jij hebt geweten
    has sabido
  987. hij/zij/u heeft geweten
    ha sabido
  988. wij hebben geweten
    hemos sabido
  989. jullie hebben geweten
    habéis sabido
  990. zij hebben geweten
    han sabido
  991. ik ga uit
    salgo
  992. jij gaat uit
    sales
  993. hij/zij/u gaat uit
    sale
  994. wij gaan uit
    salimos
  995. jullie gaan uit
    salís
  996. zij gaan uit
    salen
  997. ik ging uit
    salí
  998. jij ging uit
    saliste
  999. hij/zij/u ging uit
    salió
  1000. wij gingen uit
    salimos
  1001. jullie gingen uit
    salisteis
  1002. zij gingen uit
    salieron
  1003. ik zal uitgaan
    saldré
  1004. jij zal uitgaan
    saldrás
  1005. hij/zij/u zal uitgaan
    saldrá
  1006. wij zullen uitgaan
    saldremos
  1007. jullie zullen uitgaan
    saldréis
  1008. zij zullen uitgaan
    saldrán
  1009. ik ben aan het uitgaan
    estoy saliendo
  1010. jij bent aan het uitgaan
    estás saliendo
  1011. hij/zij/u is aan het uitgaan
    está saliendo
  1012. wij zijn aan het uitgaan
    estamos saliendo
  1013. jullie zijn aan het uitgaan
    estáis saliendo
  1014. zij zijn aan het uitgaan
    están saliendo
  1015. ik ben uitgegaan
    he salido
  1016. jij bent uitgegaan
    has salido
  1017. hij/zij/u is uitgegaan
    ha salido
  1018. wij zijn uitgegaan
    hemos salido
  1019. jullie zijn uitgegaan
    habéis salido
  1020. zij zijn uitgegaan
    han salido
  1021. ik vertrek
    salgo
  1022. jij vertrekt
    sales
  1023. hij/zij/u vertrekt
    sale
  1024. wij vertrekken
    salimos
  1025. jullie vertrekken
    salís
  1026. zij vertrekken
    salen
  1027. ik vertrok
    salí
  1028. jij vertrok
    saliste
  1029. hij/zij/u vertrok
    salió
  1030. wij vertrokken
    salimos
  1031. jullie vertrokken
    salisteis
  1032. zij vertrokken
    salieron
  1033. ik zal vertrekken
    saldré
  1034. jij zal vertrekken
    saldrás
  1035. hij/zij/u zal vertrekken
    saldrá
  1036. wij zullen vertrekken
    saldremos
  1037. jullie zullen vertrekken
    saldréis
  1038. zij zullen vertrekken
    saldrán
  1039. ik ben aan het vertrekken
    estoy saliendo
  1040. jij bent aan het vertrekken
    estás saliendo
  1041. hij/zij/u is aan het vertrekken
    está saliendo
  1042. wij zijn aan het vertrekken
    estamos saliendo
  1043. jullie zijn aan het vertrekken
    estáis saliendo
  1044. zij zijn aan het vertrekken
    están saliendo
  1045. ik ben vertrokken
    he salido
  1046. jij bent vertrokken
    has salido
  1047. hij/zij/u is vertrokken
    ha salido
  1048. wij zijn vertrokken
    hemos salido
  1049. jullie zijn vertrokken
    habéis salido
  1050. zij zijn vertrokken
    han salido
  1051. ik lees
    leo
  1052. jij leest
    lees
  1053. hij/zij/u leest
    lee
  1054. wij lezen
    leemos
  1055. jullie lezen
    leéis
  1056. zij lezen
    leen
  1057. ik las
    leí
  1058. jij las
    leíste
  1059. hij/zij/u las
    leyó
  1060. wij lazen
    leímos
  1061. jullie lazen
    leísteis
  1062. zij lazen
    leyeron
  1063. ik zal lezen
    leeré
  1064. jij zal lezen
    leerás
  1065. hij/zij/u zal lezen
    leerá
  1066. wij zullen lezen
    leeremos
  1067. jullie zullen lezen
    leeréis
  1068. zij zullen lezen
    leerán
  1069. ik ben aan het lezen
    estoy leyendo
  1070. jij bent aan het lezen
    estás leyendo
  1071. hij/zij/u is aan het lezen
    está leyendo
  1072. wij zijn aan het lezen
    estamos leyendo
  1073. jullie zijn aan het lezen
    estáis leyendo
  1074. zij zijn aan het lezen
    están leyendo
  1075. ik heb gelezen
    he leído
  1076. jij hebt gelezen
    has leído
  1077. hij/zij/u heeft gelezen
    ha leído
  1078. wij hebben gelezen
    hemos leído
  1079. jullie hebben gelezen
    habéis leído
  1080. zij hebben gelezen
    han leído
  1081. ik schrijf
    escribo
  1082. jij schrijft
    escribes
  1083. hij/zij/u schrijft
    escribe
  1084. wij schrijven
    escribimos
  1085. jullie schrijven
    escribís
  1086. zij schrijven
    escriben
  1087. ik schreef
    escribí
  1088. jij schreef
    escribiste
  1089. hij/zij/u schreef
    escribió
  1090. wij schreven
    escribimos
  1091. jullie schreven
    escribisteis
  1092. zij schreven
    escribieron
  1093. ik zal schrijven
    escribiré
  1094. jij zal schrijven
    escribirás
  1095. hij/zij/u zal schrijven
    escribirá
  1096. wij zullen schrijven
    escribiremos
  1097. jullie zullen schrijven
    escribiréis
  1098. zij zullen schrijven
    escribirán
  1099. ik ben aan het schrijven
    estoy escribiendo
  1100. jij bent aan het schrijven
    estás escribiendo
  1101. hij/zij/u is aan het schrijven
    está escribiendo
  1102. wij zijn aan het schrijven
    estamos escribiendo
  1103. jullie zijn aan het schrijven
    estáis escribiendo
  1104. zij zijn aan het schrijven
    están escribiendo
  1105. ik heb geschreven
    he escrito
  1106. jij hebt geschreven
    has escrito
  1107. hij/zij/u heeft geschreven
    ha escrito
  1108. wij hebben geschreven
    hemos escrito
  1109. jullie hebben geschreven
    habéis escrito
  1110. zij hebben geschreven
    han escrito
  1111. ik keer terug
    vuelvo
  1112. jij keert terug
    vuelves
  1113. hij/zij/u keert terug
    vuelve
  1114. wij keren terug
    volvemos
  1115. jullie keren terug
    volvéis
  1116. zij keren terug
    vuelven
  1117. ik keerde terug
    volví
  1118. jij keerde terug
    volviste
  1119. hij/zij/u keerde terug
    volvió
  1120. wij keerden terug
    volvimos
  1121. jullie keerden terug
    volvisteis
  1122. zij keerden terug
    volvieron
  1123. ik zal terugkeren
    volveré
  1124. jij zal terugkeren
    volverás
  1125. hij/zij/u zal terugkeren
    volverá
  1126. wij zullen terugkeren
    volveremos
  1127. jullie zullen terugkeren
    volveréis
  1128. zij zullen terugkeren
    volverán
  1129. ik ben aan het terugkeren
    estoy volviendo
  1130. jij bent aan het terugkeren
    estás volviendo
  1131. hij/zij/u is aan het terugkeren
    está volviendo
  1132. wij zijn aan het terugkeren
    estamos volviendo
  1133. jullie zijn aan het terugkeren
    estáis volviendo
  1134. zij zijn aan het terugkeren
    están volviendo
  1135. ik ben teruggekeerd
    he vuelto
  1136. jij bent teruggekeerd
    has vuelto
  1137. hij/zij/u is teruggekeerd
    ha vuelto
  1138. wij zijn teruggekeerd
    hemos vuelto
  1139. jullie zijn teruggekeerd
    habéis vuelto
  1140. zij zijn teruggekeerd
    han vuelto
  1141. ik lach
    río
  1142. jij lacht
    ríes
  1143. hij/zij/u lacht
    ríe
  1144. wij lachen
    reímos
  1145. jullie lachen
    reís
  1146. zij lachen
    ríen
  1147. ik lachte
    reí
  1148. jij lachte
    reíste
  1149. hij/zij/u lachte
    rio
  1150. wij lachten
    reímos
  1151. jullie lachten
    reísteis
  1152. zij lachten
    rieron
  1153. ik zal lachen
    reiré
  1154. jij zal lachen
    reirás
  1155. hij/zij/u zal lachen
    reirá
  1156. wij zullen lachen
    reiremos
  1157. jullie zullen lachen
    reiréis
  1158. zij zullen lachen
    reirán
  1159. ik ben aan het lachen
    estoy riendo
  1160. jij bent aan het lachen
    estás riendo
  1161. hij/zij/u is aan het lachen
    está riendo
  1162. wij zijn aan het lachen
    estamos riendo
  1163. jullie zijn aan het lachen
    estáis riendo
  1164. zij zijn aan het lachen
    están riendo
  1165. ik heb gelachen
    he reído
  1166. jij hebt gelachen
    has reído
  1167. hij/zij/u heeft gelachen
    ha reído
  1168. wij hebben gelachen
    hemos reído
  1169. jullie hebben gelachen
    habéis reído
  1170. zij hebben gelachen
    han reído
  1171. ik betaal
    pago
  1172. jij betaalt
    pagas
  1173. hij/zij/u betaalt
    paga
  1174. wij betalen
    pagamos
  1175. jullie betalen
    pagáis
  1176. zij betalen
    pagan
  1177. ik betaalde
    pagué
  1178. jij betaalde
    pagaste
  1179. hij/zij/u betaalde
    pagó
  1180. wij betaalden
    pagamos
  1181. jullie betaalden
    pagasteis
  1182. zij betaalden
    pagaron
  1183. ik zal betalen
    pagaré
  1184. jij zal betalen
    pagarás
  1185. hij/zij/u zal betalen
    pagará
  1186. wij zullen betalen
    pagaremos
  1187. jullie zullen betalen
    pagaréis
  1188. zij zullen betalen
    pagarán
  1189. ik ben aan het betalen
    estoy pagando
  1190. jij bent aan het betalen
    estás pagando
  1191. hij/zij/u is aan het betalen
    está pagando
  1192. wij zijn aan het betalen
    estamos pagando
  1193. jullie zijn aan het betalen
    estáis pagando
  1194. zij zijn aan het betalen
    están pagando
  1195. ik heb betaald
    he pagado
  1196. jij hebt betaald
    has pagado
  1197. hij/zij/u heeft betaald
    ha pagado
  1198. wij hebben betaald
    hemos pagado
  1199. jullie hebben betaald
    habéis pagado
  1200. zij hebben betaald
    han pagado
  1201. ik dans
    bailo
  1202. jij danst
    bailas
  1203. hij/zij/u danst
    baila
  1204. wij dansen
    bailamos
  1205. jullie dansen
    bailáis
  1206. zij dansen
    bailan
  1207. ik danste
    bailé
  1208. jij danste
    bailaste
  1209. hij/zij/u danste
    bailó
  1210. wij dansten
    bailamos
  1211. jullie dansten
    bailasteis
  1212. zij dansten
    bailaron
  1213. ik zal dansen
    bailaré
  1214. jij zal dansen
    bailarás
  1215. hij/zij/u zal dansen
    bailará
  1216. wij zullen dansen
    bailaremos
  1217. jullie zullen dansen
    bailaréis
  1218. zij zullen dansen
    bailarán
  1219. ik ben aan het dansen
    estoy bailando
  1220. jij bent aan het dansen
    estás bailando
  1221. hij/zij/u is aan het dansen
    está bailando
  1222. wij zijn aan het dansen
    estamos bailando
  1223. jullie zijn aan het dansen
    estáis bailando
  1224. zij zijn aan het dansen
    están bailando
  1225. ik heb gedanst
    he bailado
  1226. jij hebt gedanst
    has bailado
  1227. hij/zij/u heeft gedanst
    ha bailado
  1228. wij hebben gedanst
    hemos bailado
  1229. jullie hebben gedanst
    habéis bailado
  1230. zij hebben gedanst
    han bailado
  1231. ik zoek
    busco
  1232. jij zoekt
    buscas
  1233. hij/zij/u zoekt
    busca
  1234. wij zoeken
    buscamos
  1235. jullie zoeken
    buscáis
  1236. zij zoeken
    buscan
  1237. ik zocht
    busqué
  1238. jij zocht
    buscaste
  1239. hij/zij/u zocht
    buscó
  1240. wij zochten
    buscamos
  1241. jullie zochten
    buscasteis
  1242. zij zochten
    buscaron
  1243. ik zal zoeken
    buscaré
  1244. jij zal zoeken
    buscarás
  1245. hij/zij/u zal zoeken
    buscará
  1246. wij zullen zoeken
    buscaremos
  1247. jullie zullen zoeken
    buscaréis
  1248. zij zullen zoeken
    buscarán
  1249. ik ben aan het zoeken
    estoy buscando
  1250. jij bent aan het zoeken
    estás buscando
  1251. hij/zij/u is aan het zoeken
    está buscando
  1252. wij zijn aan het zoeken
    estamos buscando
  1253. jullie zijn aan het zoeken
    estáis buscando
  1254. zij zijn aan het zoeken
    están buscando
  1255. ik heb gezocht
    he buscado
  1256. jij hebt gezocht
    has buscado
  1257. hij/zij/u heeft gezocht
    ha buscado
  1258. wij hebben gezocht
    hemos buscado
  1259. jullie hebben gezocht
    habéis buscado
  1260. zij hebben gezocht
    han buscado
  1261. ik haal op
    busco
  1262. jij haalt op
    buscas
  1263. hij/zij/u haalt op
    busca
  1264. wij halen op
    buscamos
  1265. jullie halen op
    buscáis
  1266. zij halen op
    buscan
  1267. ik haalde op
    busqué
  1268. jij haalde op
    buscaste
  1269. hij/zij/u haalde op
    buscó
  1270. wij haalden op
    buscamos
  1271. jullie haalden op
    buscasteis
  1272. zij haalden op
    buscaron
  1273. ik zal ophalen
    buscaré
  1274. jij zal ophalen
    buscarás
  1275. hij/zij/u zal ophalen
    buscará
  1276. wij zullen ophalen
    buscaremos
  1277. jullie zullen ophalen
    buscaréis
  1278. zij zullen ophalen
    buscarán
  1279. ik ben aan het ophalen
    estoy buscando
  1280. jij bent aan het ophalen
    estás buscando
  1281. hij/zij/u is aan het ophalen
    está buscando
  1282. wij zijn aan het ophalen
    estamos buscando
  1283. jullie zijn aan het ophalen
    estáis buscando
  1284. zij zijn aan het ophalen
    están buscando
  1285. ik heb opgehaald
    he buscado
  1286. jij hebt opgehaald
    has buscado
  1287. hij/zij/u heeft opgehaald
    ha buscado
  1288. wij hebben opgehaald
    hemos buscado
  1289. jullie hebben opgehaald
    habéis buscado
  1290. zij hebben opgehaald
    han buscado
  1291. ik zing
    canto
  1292. jij zingt
    cantas
  1293. hij/zij/u zingt
    canta
  1294. wij zingen
    cantamos
  1295. jullie zingen
    cantáis
  1296. zij zingen
    cantan
  1297. ik zong
    canté
  1298. jij zong
    cantaste
  1299. hij/zij/u zong
    cantó
  1300. wij zongen
    cantamos
  1301. jullie zongen
    cantasteis
  1302. zij zongen
    cantaron
  1303. ik zal zingen
    cantaré
  1304. jij zal zingen
    cantarás
  1305. hij/zij/u zal zingen
    cantará
  1306. wij zullen zingen
    cantaremos
  1307. jullie zullen zingen
    cantaréis
  1308. zij zullen zingen
    cantarán
  1309. ik ben aan het zingen
    estoy cantando
  1310. jij bent aan het zingen
    estás cantando
  1311. hij/zij/u is aan het zingen
    está cantando
  1312. wij zijn aan het zingen
    estamos cantando
  1313. jullie zijn aan het zingen
    estáis cantando
  1314. zij zijn aan het zingen
    están cantando
  1315. ik heb gezongen
    he cantado
  1316. jij hebt gezongen
    has cantado
  1317. hij/zij/u heeft gezongen
    ha cantado
  1318. wij hebben gezongen
    hemos cantado
  1319. jullie hebben gezongen
    habéis cantado
  1320. zij hebben gezongen
    han cantado
  1321. ik dineer
    ceno
  1322. jij dineert
    cenas
  1323. hij/zij/u dineert
    cena
  1324. wij dineren
    cenamos
  1325. jullie dineren
    cenáis
  1326. zij dineren
    cenan
  1327. ik dineerde
    cené
  1328. jij dineerde
    cenaste
  1329. hij/zij/u dineerde
    cenó
  1330. wij dineerden
    cenamos
  1331. jullie dineerden
    cenasteis
  1332. zij dineerden
    cenaron
  1333. ik zal dineren
    cenaré
  1334. jij zal dineren
    cenarás
  1335. hij/zij/u zal dineren
    cenará
  1336. wij zullen dineren
    cenaremos
  1337. jullie zullen dineren
    cenaréis
  1338. zij zullen dineren
    cenarán
  1339. ik ben aan het dineren
    estoy cenando
  1340. jij bent aan het dineren
    estás cenando
  1341. hij/zij/u is aan het dineren
    está cenando
  1342. wij zijn aan het dineren
    estamos cenando
  1343. jullie zijn aan het dineren
    estáis cenando
  1344. zij zijn aan het dineren
    están cenando
  1345. ik heb gedineerd
    he cenado
  1346. jij hebt gedineerd
    has cenado
  1347. hij/zij/u heeft gedineerd
    ha cenado
  1348. wij hebben gedineerd
    hemos cenado
  1349. jullie hebben gedineerd
    habéis cenado
  1350. zij hebben gedineerd
    han cenado
  1351. ik ontbijt
    desayuno
  1352. jij ontbijt
    desayunas
  1353. hij/zij/u ontbijt
    desayuna
  1354. wij ontbijten
    desayunamos
  1355. jullie ontbijten
    desayunáis
  1356. zij ontbijten
    desayunan
  1357. ik ontbeet
    desayuné
  1358. jij ontbeet
    desayunaste
  1359. hij/zij/u ontbeet
    desayunó
  1360. wij ontbeten
    desayunamos
  1361. jullie ontbeten
    desayunasteis
  1362. zij ontbeten
    desayunaron
  1363. ik zal ontbijten
    desayunaré
  1364. jij zal ontbijten
    desayunarás
  1365. hij/zij/u zal ontbijten
    desayunará
  1366. wij zullen ontbijten
    desayunaremos
  1367. jullie zullen ontbijten
    desayunaréis
  1368. zij zullen ontbijten
    desayunarán
  1369. ik ben aan het ontbijten
    estoy desayunando
  1370. jij bent aan het ontbijten
    estás desayunando
  1371. hij/zij/u is aan het ontbijten
    está desayunando
  1372. wij zijn aan het ontbijten
    estamos desayunando
  1373. jullie zijn aan het ontbijten
    estáis desayunando
  1374. zij zijn aan het ontbijten
    están desayunando
  1375. ik heb ontbeten
    he desayunado
  1376. jij hebt ontbeten
    has desayunado
  1377. hij/zij/u heeft ontbeten
    ha desayunado
  1378. wij hebben ontbeten
    hemos desayunado
  1379. jullie hebben ontbeten
    habéis desayunado
  1380. zij hebben ontbeten
    han desayunado
  1381. ik luister
    escucho
  1382. jij luistert
    escuchas
  1383. hij/zij/u luistert
    escucha
  1384. wij luisteren
    escuchamos
  1385. jullie luisteren
    escucháis
  1386. zij luisteren
    escuchan
  1387. ik luisterde
    escuché
  1388. jij luisterde
    escuchaste
  1389. hij/zij/u luisterde
    escuchó
  1390. wij luisterden
    escuchamos
  1391. jullie luisterden
    escuchasteis
  1392. zij luisterden
    escucharon
  1393. ik zal luisteren
    escucharé
  1394. jij zal luisteren
    escucharás
  1395. hij/zij/u zal luisteren
    escuchará
  1396. wij zullen luisteren
    escucharemos
  1397. jullie zullen luisteren
    escucharéis
  1398. zij zullen luisteren
    escucharán
  1399. ik ben aan het luisteren
    estoy escuchando
  1400. jij bent aan het luisteren
    estás escuchando
  1401. hij/zij/u is aan het luisteren
    está escuchando
  1402. wij zijn aan het luisteren
    estamos escuchando
  1403. jullie zijn aan het luisteren
    estáis escuchando
  1404. zij zijn aan het luisteren
    están escuchando
  1405. ik heb geluisterd
    he escuchado
  1406. jij hebt geluisterd
    has escuchado
  1407. hij/zij/u heeft geluisterd
    ha escuchado
  1408. wij hebben geluisterd
    hemos escuchado
  1409. jullie hebben geluisterd
    habéis escuchado
  1410. zij hebben geluisterd
    han escuchado
  1411. ik wacht
    espero
  1412. jij wacht
    esperas
  1413. hij/zij/u wacht
    espera
  1414. wij wachten
    esperamos
  1415. jullie wachten
    esperáis
  1416. zij wachten
    esperan
  1417. ik wachtte
    esperé
  1418. jij wachtte
    esperaste
  1419. hij/zij/u wachtte
    esperó
  1420. wij wachtten
    esperamos
  1421. jullie wachtten
    esperasteis
  1422. zij wachtten
    esperaron
  1423. ik zal wachten
    esperaré
  1424. jij zal wachten
    esperarás
  1425. hij/zij/u zal wachten
    esperará
  1426. wij zullen wachten
    esperaremos
  1427. jullie zullen wachten
    esperaréis
  1428. zij zullen wachten
    esperarán
  1429. ik ben aan het wachten
    estoy esperando
  1430. jij bent aan het wachten
    estás esperando
  1431. hij/zij/u is aan het wachten
    está esperando
  1432. wij zijn aan het wachten
    estamos esperando
  1433. jullie zijn aan het wachten
    estáis esperando
  1434. zij zijn aan het wachten
    están esperando
  1435. ik heb gewacht
    he esperado
  1436. jij hebt gewacht
    has esperado
  1437. hij/zij/u heeft gewacht
    ha esperado
  1438. wij hebben gewacht
    hemos esperado
  1439. jullie hebben gewacht
    habéis esperado
  1440. zij hebben gewacht
    han esperado
  1441. ik hoop
    espero
  1442. jij hoopt
    esperas
  1443. hij/zij/u hoopt
    espera
  1444. wij hopen
    esperamos
  1445. jullie hopen
    esperáis
  1446. zij hopen
    esperan
  1447. ik hoopte
    esperé
  1448. jij hoopte
    esperaste
  1449. hij/zij/u hoopte
    esperó
  1450. wij hoopten
    esperamos
  1451. jullie hoopten
    esperasteis
  1452. zij hoopten
    esperaron
  1453. ik zal hopen
    esperaré
  1454. jij zal hopen
    esperarás
  1455. hij/zij/u zal hopen
    esperará
  1456. wij zullen hopen
    esperaremos
  1457. jullie zullen hopen
    esperaréis
  1458. zij zullen hopen
    esperarán
  1459. ik ben aan het hopen
    estoy esperando
  1460. jij bent aan het hopen
    estás esperando
  1461. hij/zij/u is aan het hopen
    está esperando
  1462. wij zijn aan het hopen
    estamos esperando
  1463. jullie zijn aan het hopen
    estáis esperando
  1464. zij zijn aan het hopen
    están esperando
  1465. ik heb gehoopt
    he esperado
  1466. jij hebt gehoopt
    has esperado
  1467. hij/zij/u heeft gehoopt
    ha esperado
  1468. wij hebben gehoopt
    hemos esperado
  1469. jullie hebben gehoopt
    habéis esperado
  1470. zij hebben gehoopt
    han esperado
  1471. ik studeer
    estudio
  1472. jij studeert
    estudias
  1473. hij/zij/u studeert
    estudia
  1474. wij studeren
    estudiamos
  1475. jullie studeren
    estudiáis
  1476. zij studeren
    estudian
  1477. ik studeerde
    estudié
  1478. jij studeerde
    estudiaste
  1479. hij/zij/u studeerde
    estudió
  1480. wij studeerden
    estudiamos
  1481. jullie studeerden
    estudiasteis
  1482. zij studeerden
    estudiaron
  1483. ik zal studeren
    estudiaré
  1484. jij zal studeren
    estudiarás
  1485. hij/zij/u zal studeren
    estudiará
  1486. wij zullen studeren
    estudiaremos
  1487. jullie zullen studeren
    estudiaréis
  1488. zij zullen studeren
    estudiarán
  1489. ik ben aan het studeren
    estoy estudiando
  1490. jij bent aan het studeren
    estás estudiando
  1491. hij/zij/u is aan het studeren
    está estudiando
  1492. wij zijn aan het studeren
    estamos estudiando
  1493. jullie zijn aan het studeren
    estáis estudiando
  1494. zij zijn aan het studeren
    están estudiando
  1495. ik heb gestudeerd
    he estudiado
  1496. jij hebt gestudeerd
    has estudiado
  1497. hij/zij/u heeft gestudeerd
    ha estudiado
  1498. wij hebben gestudeerd
    hemos estudiado
  1499. jullie hebben gestudeerd
    habéis estudiado
  1500. zij hebben gestudeerd
    han estudiado
  1501. ik roep
    llamo
  1502. jij roept
    llamas
  1503. hij/zij/u roept
    llama
  1504. wij roepen
    llamamos
  1505. jullie roepen
    llamáis
  1506. zij roepen
    llaman
  1507. ik riep
    llamé
  1508. jij riep
    llamaste
  1509. hij/zij/u riep
    llamó
  1510. wij riepen
    llamamos
  1511. jullie riepen
    llamasteis
  1512. zij riepen
    llamaron
  1513. ik zal roepen
    llamaré
  1514. jij zal roepen
    llamarás
  1515. hij/zij/u zal roepen
    llamará
  1516. wij zullen roepen
    llamaremos
  1517. jullie zullen roepen
    llamaréis
  1518. zij zullen roepen
    llamarán
  1519. ik ben aan het roepen
    estoy llamando
  1520. jij bent aan het roepen
    estás llamando
  1521. hij/zij/u is aan het roepen
    está llamando
  1522. wij zijn aan het roepen
    estamos llamando
  1523. jullie zijn aan het roepen
    estáis llamando
  1524. zij zijn aan het roepen
    están llamando
  1525. ik heb geroepen
    he llamado
  1526. jij hebt geroepen
    has llamado
  1527. hij/zij/u heeft geroepen
    ha llamado
  1528. wij hebben geroepen
    hemos llamado
  1529. jullie hebben geroepen
    habéis llamado
  1530. zij hebben geroepen
    han llamado
  1531. ik bel
    llamo
  1532. jij belt
    llamas
  1533. hij/zij/u belt
    llama
  1534. wij bellen
    llamamos
  1535. jullie bellen
    llamáis
  1536. zij bellen
    llaman
  1537. ik belde
    llamé
  1538. jij belde
    llamaste
  1539. hij/zij/u belde
    llamó
  1540. wij belden
    llamamos
  1541. jullie belden
    llamasteis
  1542. zij belden
    llamaron
  1543. ik zal bellen
    llamaré
  1544. jij zal bellen
    llamarás
  1545. hij/zij/u zal bellen
    llamará
  1546. wij zullen bellen
    llamaremos
  1547. jullie zullen bellen
    llamaréis
  1548. zij zullen bellen
    llamarán
  1549. ik ben aan het bellen
    estoy llamando
  1550. jij bent aan het bellen
    estás llamando
  1551. hij/zij/u is aan het bellen
    está llamando
  1552. wij zijn aan het bellen
    estamos llamando
  1553. jullie zijn aan het bellen
    estáis llamando
  1554. zij zijn aan het bellen
    están llamando
  1555. ik heb gebeld
    he llamado
  1556. jij hebt gebeld
    has llamado
  1557. hij/zij/u heeft gebeld
    ha llamado
  1558. wij hebben gebeld
    hemos llamado
  1559. jullie hebben gebeld
    habéis llamado
  1560. zij hebben gebeld
    han llamado
  1561. ik huil
    lloro
  1562. jij huit
    lloras
  1563. hij/zij/u huit
    llora
  1564. wij huilen
    lloramos
  1565. jullie huilen
    lloráis
  1566. zij huilen
    lloran
  1567. ik huilde
    lloré
  1568. jij huilde
    lloraste
  1569. hij/zij/u huilde
    lloró
  1570. wij huilden
    lloramos
  1571. jullie huilden
    llorasteis
  1572. zij huilden
    lloraron
  1573. ik zal huilen
    lloraré
  1574. jij zal huilen
    llorarás
  1575. hij/zij/u zal huilen
    llorará
  1576. wij zullen huilen
    lloraremos
  1577. jullie zullen huilen
    lloraréis
  1578. zij zullen huilen
    llorarán
  1579. ik ben aan het huilen
    estoy llorando
  1580. jij bent aan het huilen
    estás llorando
  1581. hij/zij/u is aan het huilen
    está llorando
  1582. wij zijn aan het huilen
    estamos llorando
  1583. jullie zijn aan het huilen
    estáis llorando
  1584. zij zijn aan het huilen
    están llorando
  1585. ik heb gehuild
    he llorado
  1586. jij hebt gehuild
    has llorado
  1587. hij/zij/u heeft gehuild
    ha llorado
  1588. wij hebben gehuild
    hemos llorado
  1589. jullie hebben gehuild
    habéis llorado
  1590. zij hebben gehuild
    han llorado
  1591. ik zwem
    nado
  1592. jij zwemt
    nadas
  1593. hij/zij/u zwemt
    nada
  1594. wij zwemmen
    nadamos
  1595. jullie zwemmen
    nadáis
  1596. zij zwemmen
    nadan
  1597. ik zwemde
    nadé
  1598. jij zwemde
    nadaste
  1599. hij/zij/u zwemde
    nadó
  1600. wij zwemden
    nadamos
  1601. jullie zwemden
    nadasteis
  1602. zij zwemden
    nadaron
  1603. ik zal zwemmen
    nadaré
  1604. jij zal zwemmen
    nadarás
  1605. hij/zij/u zal zwemmen
    nadará
  1606. wij zullen zwemmen
    nadaremos
  1607. jullie zullen zwemmen
    nadaréis
  1608. zij zullen zwemmen
    nadarán
  1609. ik ben aan het zwemmen
    estoy nadando
  1610. jij bent aan het zwemmen
    estás nadando
  1611. hij/zij/u is aan het zwemmen
    está nadando
  1612. wij zijn aan het zwemmen
    estamos nadando
  1613. jullie zijn aan het zwemmen
    estáis nadando
  1614. zij zijn aan het zwemmen
    están nadando
  1615. ik heb gezwommen
    he nadado
  1616. jij hebt gezwommen
    has nadado
  1617. hij/zij/u heeft gezwommen
    ha nadado
  1618. wij hebben gezwommen
    hemos nadado
  1619. jullie hebben gezwommen
    habéis nadado
  1620. zij hebben gezwommen
    han nadado
  1621. ik heb nodig
    necesito
  1622. jij hebt nodig
    necesitas
  1623. hij/zij/u hebt nodig
    necesita
  1624. wij hebben nodig
    necesitamos
  1625. jullie hebben nodig
    necesitáis
  1626. zij hebben nodig
    necesitan
  1627. ik had nodig
    necesité
  1628. jij had nodig
    necesitaste
  1629. hij/zij/u had nodig
    necesitó
  1630. wij hadden nodig
    necesitamos
  1631. jullie hadden nodig
    necesitasteis
  1632. zij hadden nodig
    necesitaron
  1633. ik zal nodig hebben
    necesitaré
  1634. jij zal nodig hebben
    necesitarás
  1635. hij/zij/u zal nodig hebben
    necesitará
  1636. wij zullen nodig hebben
    necesitaremos
  1637. jullie zullen nodig hebben
    necesitaréis
  1638. zij zullen nodig hebben
    necesitarán
  1639. ik ben aan het nodig hebben
    estoy necesitando
  1640. jij bent aan het nodig hebben
    estás necesitando
  1641. hij/zij/u is aan het nodig hebben
    está necesitando
  1642. wij zijn aan het nodig hebben
    estamos necesitando
  1643. jullie zijn aan het nodig hebben
    estáis necesitando
  1644. zij zijn aan het nodig hebben
    están necesitando
  1645. ik heb nodig gehad
    he necesitado
  1646. jij hebt nodig gehad
    has necesitado
  1647. hij/zij/u heeft nodig gehad
    ha necesitado
  1648. wij hebben nodig gehad
    hemos necesitado
  1649. jullie hebben nodig gehad
    habéis necesitado
  1650. zij hebben nodig gehad
    han necesitado
  1651. ik beëindig
    termino
  1652. jij beëindigt
    terminas
  1653. hij/zij/u beëindigt
    termina
  1654. wij beëindigen
    terminamos
  1655. jullie beëindigen
    termináis
  1656. zij beëindigen
    terminan
  1657. ik beëindigde
    terminé
  1658. jij beëindigde
    terminaste
  1659. hij/zij/u beëindigde
    terminó
  1660. wij beëindigden
    terminamos
  1661. jullie beëindigden
    terminasteis
  1662. zij beëindigden
    terminaron
  1663. ik zal beëindigen
    terminaré
  1664. jij zal beëindigen
    terminarás
  1665. hij/zij/u zal beëindigen
    terminará
  1666. wij zullen beëindigen
    terminaremos
  1667. jullie zullen beëindigen
    terminaréis
  1668. zij zullen beëindigen
    terminarán
  1669. ik ben aan het beëindigen
    estoy terminando
  1670. jij bent aan het beëindigen
    estás terminando
  1671. hij/zij/u is aan het beëindigen
    está terminando
  1672. wij zijn aan het beëindigen
    estamos terminando
  1673. jullie zijn aan het beëindigen
    estáis terminando
  1674. zij zijn aan het beëindigen
    están terminando
  1675. ik heb beëindigd
    he terminado
  1676. jij hebt beëindigd
    has terminado
  1677. hij/zij/u heeft beëindigd
    ha terminado
  1678. wij hebben beëindigd
    hemos terminado
  1679. jullie hebben beëindigd
    habéis terminado
  1680. zij hebben beëindigd
    han terminado
  1681. ik neem
    tomo
  1682. jij neemt
    tomas
  1683. hij/zij/u neemt
    toma
  1684. wij nemen
    tomamos
  1685. jullie nemen
    tomáis
  1686. zij nemen
    toman
  1687. ik nam
    tomé
  1688. jij nam
    tomaste
  1689. hij/zij/u nam
    tomó
  1690. wij namen
    tomamos
  1691. jullie namen
    tomasteis
  1692. zij namen
    tomaron
  1693. ik zal nemen
    tomaré
  1694. jij zal nemen
    tomarás
  1695. hij/zij/u zal nemen
    tomará
  1696. wij zullen nemen
    tomaremos
  1697. jullie zullen nemen
    tomaréis
  1698. zij zullen nemen
    tomarán
  1699. ik ben aan het nemen
    estoy tomando
  1700. jij bent aan het nemen
    estás tomando
  1701. hij/zij/u is aan het nemen
    está tomando
  1702. wij zijn aan het nemen
    estamos tomando
  1703. jullie zijn aan het nemen
    estáis tomando
  1704. zij zijn aan het nemen
    están tomando
  1705. ik heb genomen
    he tomado
  1706. jij hebt genomen
    has tomado
  1707. hij/zij/u heeft genomen
    ha tomado
  1708. wij hebben genomen
    hemos tomado
  1709. jullie hebben genomen
    habéis tomado
  1710. zij hebben genomen
    han tomado
  1711. ik werk
    trabajo
  1712. jij werkt
    trabajas
  1713. hij/zij/u werkt
    trabaja
  1714. wij werken
    trabajamos
  1715. jullie werken
    trabajáis
  1716. zij werken
    trabajan
  1717. ik werkte
    trabajé
  1718. jij werkte
    trabajaste
  1719. hij/zij/u werkte
    trabajó
  1720. wij werkten
    trabajamos
  1721. jullie werkten
    trabajasteis
  1722. zij werkten
    trabajaron
  1723. ik zal werken
    trabajaré
  1724. jij zal werken
    trabajarás
  1725. hij/zij/u zal werken
    trabajará
  1726. wij zullen werken
    trabajaremos
  1727. jullie zullen werken
    trabajaréis
  1728. zij zullen werken
    trabajarán
  1729. ik ben aan het werken
    estoy trabajando
  1730. jij bent aan het werken
    estás trabajando
  1731. hij/zij/u is aan het werken
    está trabajando
  1732. wij zijn aan het werken
    estamos trabajando
  1733. jullie zijn aan het werken
    estáis trabajando
  1734. zij zijn aan het werken
    están trabajando
  1735. ik heb gewerkt
    he trabajado
  1736. jij hebt gewerkt
    has trabajado
  1737. hij/zij/u heeft gewerkt
    ha trabajado
  1738. wij hebben gewerkt
    hemos trabajado
  1739. jullie hebben gewerkt
    habéis trabajado
  1740. zij hebben gewerkt
    han trabajado
  1741. ik reis
    viajo
  1742. jij reist
    viajas
  1743. hij/zij/u reist
    viaja
  1744. wij reizen
    viajamos
  1745. jullie reizen
    viajáis
  1746. zij reizen
    viajan
  1747. ik reisde
    viajé
  1748. jij reisde
    viajaste
  1749. hij/zij/u reisde
    viajó
  1750. wij reisden
    viajamos
  1751. jullie reisden
    viajasteis
  1752. zij reisden
    viajaron
  1753. ik zal reizen
    viajaré
  1754. jij zal reizen
    viajarás
  1755. hij/zij/u zal reizen
    viajará
  1756. wij zullen reizen
    viajaremos
  1757. jullie zullen reizen
    viajaréis
  1758. zij zullen reizen
    viajarán
  1759. ik ben aan het reizen
    estoy viajando
  1760. jij bent aan het reizen
    estás viajando
  1761. hij/zij/u is aan het reizen
    está viajando
  1762. wij zijn aan het reizen
    estamos viajando
  1763. jullie zijn aan het reizen
    estáis viajando
  1764. zij zijn aan het reizen
    están viajando
  1765. ik heb gereisd
    he viajado
  1766. jij hebt gereisd
    has viajado
  1767. hij/zij/u heeft gereisd
    ha viajado
  1768. wij hebben gereisd
    hemos viajado
  1769. jullie hebben gereisd
    habéis viajado
  1770. zij hebben gereisd
    han viajado
  1771. ik leer
    aprendo
  1772. jij leert
    aprendes
  1773. hij/zij/u leert
    aprende
  1774. wij leren
    aprendemos
  1775. jullie leren
    aprendéis
  1776. zij leren
    aprenden
  1777. ik leerde
    aprendí
  1778. jij leerde
    aprendiste
  1779. hij/zij/u leerde
    aprendió
  1780. wij leerden
    aprendimos
  1781. jullie leerden
    aprendisteis
  1782. zij leerden
    aprendieron
  1783. ik zal leren
    aprenderé
  1784. jij zal leren
    aprenderás
  1785. hij/zij/u zal leren
    aprenderá
  1786. wij zullen leren
    aprenderemos
  1787. jullie zullen leren
    aprenderéis
  1788. zij zullen leren
    aprenderán
  1789. ik ben aan het leren
    estoy aprendiendo
  1790. jij bent aan het leren
    estás aprendiendo
  1791. hij/zij/u is aan het leren
    está aprendiendo
  1792. wij zijn aan het leren
    estamos aprendiendo
  1793. jullie zijn aan het leren
    estáis aprendiendo
  1794. zij zijn aan het leren
    están aprendiendo
  1795. ik heb geleerd
    he aprendido
  1796. jij hebt geleerd
    has aprendido
  1797. hij/zij/u heeft geleerd
    ha aprendido
  1798. wij hebben geleerd
    hemos aprendido
  1799. jullie hebben geleerd
    habéis aprendido
  1800. zij hebben geleerd
    han aprendido
  1801. ik eet
    como
  1802. jij eet
    comes
  1803. hij/zij/u eet
    come
  1804. wij eten
    comemos
  1805. jullie eten
    coméis
  1806. zij eten
    comen
  1807. ik at
    comí
  1808. jij at
    comiste
  1809. hij/zij/u at
    comió
  1810. wij aten
    comimos
  1811. jullie aten
    comisteis
  1812. zij aten
    comieron
  1813. ik zal eten
    comeré
  1814. jij zal eten
    comerás
  1815. hij/zij/u zal eten
    comerá
  1816. wij zullen eten
    comeremos
  1817. jullie zullen eten
    comeréis
  1818. zij zullen eten
    comerán
  1819. ik ben aan het eten
    estoy comiendo
  1820. jij bent aan het eten
    estás comiendo
  1821. hij/zij/u is aan het eten
    está comiendo
  1822. wij zijn aan het eten
    estamos comiendo
  1823. jullie zijn aan het eten
    estáis comiendo
  1824. zij zijn aan het eten
    están comiendo
  1825. ik heb gegeten
    he comido
  1826. jij hebt gegeten
    has comido
  1827. hij/zij/u heeft gegeten
    ha comido
  1828. wij hebben gegeten
    hemos comido
  1829. jullie hebben gegeten
    habéis comido
  1830. zij hebben gegeten
    han comido
  1831. ik begrijp
    comprendo
  1832. jij begrijpt
    comprendes
  1833. hij/zij/u begrijpt
    comprende
  1834. wij begrijpen
    comprendemos
  1835. jullie begrijpen
    comprendéis
  1836. zij begrijpen
    comprenden
  1837. ik begreep
    comprendí
  1838. jij begreep
    comprendiste
  1839. hij/zij/u begreep
    comprendió
  1840. wij begrepen
    comprendimos
  1841. jullie begrepen
    comprendisteis
  1842. zij begrepen
    comprendieron
  1843. ik zal begrijpen
    comprenderé
  1844. jij zal begrijpen
    comprenderás
  1845. hij/zij/u zal begrijpen
    comprenderá
  1846. wij zullen begrijpen
    comprenderemos
  1847. jullie zullen begrijpen
    comprenderéis
  1848. zij zullen begrijpen
    comprenderán
  1849. ik ben aan het begrijpen
    estoy comprendiendo
  1850. jij bent aan het begrijpen
    estás comprendiendo
  1851. hij/zij/u is aan het begrijpen
    está comprendiendo
  1852. wij zijn aan het begrijpen
    estamos comprendiendo
  1853. jullie zijn aan het begrijpen
    estáis comprendiendo
  1854. zij zijn aan het begrijpen
    están comprendiendo
  1855. ik heb begrepen
    he comprendido
  1856. jij hebt begrepen
    has comprendido
  1857. hij/zij/u heeft begrepen
    ha comprendido
  1858. wij hebben begrepen
    hemos comprendido
  1859. jullie hebben begrepen
    habéis comprendido
  1860. zij hebben begrepen
    han comprendido
  1861. ik ren
    corro
  1862. jij rent
    corres
  1863. hij/zij/u rent
    corre
  1864. wij rennen
    corremos
  1865. jullie rennen
    corréis
  1866. zij rennen
    corren
  1867. ik rende
    corrí
  1868. jij rende
    corriste
  1869. hij/zij/u rende
    corrió
  1870. wij renden
    corrimos
  1871. jullie renden
    corristeis
  1872. zij renden
    corrieron
  1873. ik zal rennen
    correré
  1874. jij zal rennen
    correrás
  1875. hij/zij/u zal rennen
    correrá
  1876. wij zullen rennen
    correremos
  1877. jullie zullen rennen
    correréis
  1878. zij zullen rennen
    correrán
  1879. ik ben aan het rennen
    estoy corriendo
  1880. jij bent aan het rennen
    estás corriendo
  1881. hij/zij/u is aan het rennen
    está corriendo
  1882. wij zijn aan het rennen
    estamos corriendo
  1883. jullie zijn aan het rennen
    estáis corriendo
  1884. zij zijn aan het rennen
    están corriendo
  1885. ik heb gerend
    he corrido
  1886. jij hebt gerend
    has corrido
  1887. hij/zij/u heeft gerend
    ha corrido
  1888. wij hebben gerend
    hemos corrido
  1889. jullie hebben gerend
    habéis corrido
  1890. zij hebben gerend
    han corrido
  1891. ik geloof
    creo
  1892. jij gelooft
    crees
  1893. hij/zij/u gelooft
    cree
  1894. wij geloven
    creemos
  1895. jullie geloven
    creéis
  1896. zij geloven
    creen
  1897. ik geloofde
    creí
  1898. jij geloofde
    creíste
  1899. hij/zij/u geloofde
    creyó
  1900. wij geloofden
    creímos
  1901. jullie geloofden
    creísteis
  1902. zij geloofden
    creyeron
  1903. ik zal geloven
    creeré
  1904. jij zal geloven
    creerás
  1905. hij/zij/u zal geloven
    creerá
  1906. wij zullen geloven
    creeremos
  1907. jullie zullen geloven
    creeréis
  1908. zij zullen geloven
    creerán
  1909. ik ben aan het geloven
    estoy creyendo
  1910. jij bent aan het geloven
    estás creyendo
  1911. hij/zij/u is aan het geloven
    está creyendo
  1912. wij zijn aan het geloven
    estamos creyendo
  1913. jullie zijn aan het geloven
    estáis creyendo
  1914. zij zijn aan het geloven
    están creyendo
  1915. ik heb geloofd
    he creído
  1916. jij hebt geloofd
    has creído
  1917. hij/zij/u heeft geloofd
    ha creído
  1918. wij hebben geloofd
    hemos creído
  1919. jullie hebben geloofd
    habéis creído
  1920. zij hebben geloofd
    han creído
  1921. ik beloof
    prometo
  1922. jij belooft
    prometes
  1923. hij/zij/u belooft
    promete
  1924. wij beloven
    prometemos
  1925. jullie beloven
    prometéis
  1926. zij beloven
    prometen
  1927. ik beloofde
    prometí
  1928. jij beloofde
    prometiste
  1929. hij/zij/u beloofde
    prometió
  1930. wij beloofden
    prometimos
  1931. jullie beloofden
    prometisteis
  1932. zij beloofden
    prometieron
  1933. ik zal beloven
    prometeré
  1934. jij zal beloven
    prometerás
  1935. hij/zij/u zal beloven
    prometerá
  1936. wij zullen beloven
    prometeremos
  1937. jullie zullen beloven
    prometeréis
  1938. zij zullen beloven
    prometerán
  1939. ik ben aan het beloven
    estoy prometiendo
  1940. jij bent aan het beloven
    estás prometiendo
  1941. hij/zij/u is aan het beloven
    está prometiendo
  1942. wij zijn aan het beloven
    estamos prometiendo
  1943. jullie zijn aan het beloven
    estáis prometiendo
  1944. zij zijn aan het beloven
    están prometiendo
  1945. ik heb beloofd
    he prometido
  1946. jij hebt beloofd
    has prometido
  1947. hij/zij/u heeft beloofd
    ha prometido
  1948. wij hebben beloofd
    hemos prometido
  1949. jullie hebben beloofd
    habéis prometido
  1950. zij hebben beloofd
    han prometido
  1951. ik verkoop
    vendo
  1952. jij verkoopt
    vendes
  1953. hij/zij/u verkoopt
    vende
  1954. wij verkopen
    vendemos
  1955. jullie verkopen
    vendéis
  1956. zij verkopen
    venden
  1957. ik verkocht
    vendí
  1958. jij verkocht
    vendiste
  1959. hij/zij/u verkocht
    vendió
  1960. wij verkochten
    vendimos
  1961. jullie verkochten
    vendisteis
  1962. zij verkochten
    vendieron
  1963. ik zal verkopen
    venderé
  1964. jij zal verkopen
    venderás
  1965. hij/zij/u zal verkopen
    venderá
  1966. wij zullen verkopen
    venderemos
  1967. jullie zullen verkopen
    venderéis
  1968. zij zullen verkopen
    venderán
  1969. ik ben aan het verkopen
    estoy vendiendo
  1970. jij bent aan het verkopen
    estás vendiendo
  1971. hij/zij/u is aan het verkopen
    está vendiendo
  1972. wij zijn aan het verkopen
    estamos vendiendo
  1973. jullie zijn aan het verkopen
    estáis vendiendo
  1974. zij zijn aan het verkopen
    están vendiendo
  1975. ik heb verkocht
    he vendido
  1976. jij hebt verkocht
    has vendido
  1977. hij/zij/u heeft verkocht
    ha vendido
  1978. wij hebben verkocht
    hemos vendido
  1979. jullie hebben verkocht
    habéis vendido
  1980. zij hebben verkocht
    han vendido
  1981. ik drink
    bebo
  1982. jij drinkt
    bebes
  1983. hij/zij/u drinkt
    bebe
  1984. wij drinken
    bebemos
  1985. jullie drinken
    bebéis
  1986. zij drinken
    beben
  1987. ik dronk
    bebí
  1988. jij dronk
    bebiste
  1989. hij/zij/u dronk
    bebió
  1990. wij dronken
    bebimos
  1991. jullie dronken
    bebisteis
  1992. zij dronken
    bebieron
  1993. ik zal drinken
    beberé
  1994. jij zal drinken
    beberás
  1995. hij/zij/u zal drinken
    beberá
  1996. wij zullen drinken
    beberemos
  1997. jullie zullen drinken
    beberéis
  1998. zij zullen drinken
    beberán
  1999. ik ben aan het drinken
    estoy bebiendo
  2000. jij bent aan het drinken
    estás bebiendo
  2001. hij/zij/u is aan het drinken
    está bebiendo
  2002. wij zijn aan het drinken
    estamos bebiendo
  2003. jullie zijn aan het drinken
    estáis bebiendo
  2004. zij zijn aan het drinken
    están bebiendo
  2005. ik heb gedronken
    he bebido
  2006. jij hebt gedronken
    has bebido
  2007. hij/zij/u heeft gedronken
    ha bebido
  2008. wij hebben gedronken
    hemos bebido
  2009. jullie hebben gedronken
    habéis bebido
  2010. zij hebben gedronken
    han bebido
  2011. ik doe open
    abro
  2012. jij doet open
    abres
  2013. hij/zij/u doet open
    abre
  2014. wij open doen
    abrimos
  2015. jullie open doen
    abrís
  2016. zij open doen
    abren
  2017. ik deed open
    abrí
  2018. jij deed open
    abriste
  2019. hij/zij/u deed open
    abrió
  2020. wij deden open
    abrimos
  2021. jullie deden open
    abristeis
  2022. zij deden open
    abrieron
  2023. ik zal open doen
    abriré
  2024. jij zal open doen
    abrirás
  2025. hij/zij/u zal open doen
    abrirá
  2026. wij zullen open doen
    abriremos
  2027. jullie zullen open doen
    abriréis
  2028. zij zullen open doen
    abrirán
  2029. ik ben aan het open doen
    estoy abriendo
  2030. jij bent aan het open doen
    estás abriendo
  2031. hij/zij/u is aan het open doen
    está abriendo
  2032. wij zijn aan het open doen
    estamos abriendo
  2033. jullie zijn aan het open doen
    estáis abriendo
  2034. zij zijn aan het open doen
    están abriendo
  2035. ik heb open gedaan
    he abierto
  2036. jij hebt open gedaan
    has abierto
  2037. hij/zij/u heeft open gedaan
    ha abierto
  2038. wij hebben open gedaan
    hemos abierto
  2039. jullie hebben open gedaan
    habéis abierto
  2040. zij hebben open gedaan
    han abierto
  2041. ik ontvang
    recibo
  2042. jij ontvangt
    recibes
  2043. hij/zij/u ontvangt
    recibe
  2044. wij ontvangen
    recibimos
  2045. jullie ontvangen
    recibís
  2046. zij ontvangen
    reciben
  2047. ik ontving
    recibí
  2048. jij ontving
    recibiste
  2049. hij/zij/u ontving
    recibió
  2050. wij ontvingen
    recibimos
  2051. jullie ontvingen
    recibisteis
  2052. zij ontvingen
    recibieron
  2053. ik zal ontvangen
    recibiré
  2054. jij zal ontvangen
    recibirás
  2055. hij/zij/u zal ontvangen
    recibirá
  2056. wij zullen ontvangen
    recibiremos
  2057. jullie zullen ontvangen
    recibiréis
  2058. zij zullen ontvangen
    recibirán
  2059. ik ben aan het ontvangen
    estoy recibiendo
  2060. jij bent aan het ontvangen
    estás recibiendo
  2061. hij/zij/u is aan het ontvangen
    está recibiendo
  2062. wij zijn aan het ontvangen
    estamos recibiendo
  2063. jullie zijn aan het ontvangen
    estáis recibiendo
  2064. zij zijn aan het ontvangen
    están recibiendo
  2065. ik heb ontvangen
    he recibido
  2066. jij hebt ontvangen
    has recibido
  2067. hij/zij/u heeft ontvangen
    ha recibido
  2068. wij hebben ontvangen
    hemos recibido
  2069. jullie hebben ontvangen
    habéis recibido
  2070. zij hebben ontvangen
    han recibido
  2071. ik stijg
    subo
  2072. jij stijgt
    subes
  2073. hij/zij/u stijgt
    sube
  2074. wij stijgen
    subimos
  2075. jullie stijgen
    subís
  2076. zij stijgen
    suben
  2077. ik steeg
    subí
  2078. jij steeg
    subiste
  2079. hij/zij/u steeg
    subió
  2080. wij stegen
    subimos
  2081. jullie stegen
    subisteis
  2082. zij stegen
    subieron
  2083. ik zal stijgen
    subiré
  2084. jij zal stijgen
    subirás
  2085. hij/zij/u zal stijgen
    subirá
  2086. wij zullen stijgen
    subiremos
  2087. jullie zullen stijgen
    subiréis
  2088. zij zullen stijgen
    subirán
  2089. ik ben aan het stijgen
    estoy subiendo
  2090. jij bent aan het stijgen
    estás subiendo
  2091. hij/zij/u is aan het stijgen
    está subiendo
  2092. wij zijn aan het stijgen
    estamos subiendo
  2093. jullie zijn aan het stijgen
    estáis subiendo
  2094. zij zijn aan het stijgen
    están subiendo
  2095. ik ben gestegen
    he subido
  2096. jij bent gestegen
    has subido
  2097. hij/zij/u is gestegen
    ha subido
  2098. wij zijn gestegen
    hemos subido
  2099. jullie zijn gestegen
    habéis subido
  2100. zij zijn gestegen
    han subido
  2101. ik daal
    bajo
  2102. jij daalt
    bajas
  2103. hij/zij/u daalt
    baja
  2104. wij dalen
    bajamos
  2105. jullie dalen
    bajáis
  2106. zij dalen
    bajan
  2107. ik daalde
    bajé
  2108. jij daalde
    bajaste
  2109. hij/zij/u daalde
    bajó
  2110. wij daalden
    bajamos
  2111. jullie daalden
    bajasteis
  2112. zij daalden
    bajaron
  2113. ik zal dalen
    bajaré
  2114. jij zal dalen
    bajarás
  2115. hij/zij/u zal dalen
    bajará
  2116. wij zullen dalen
    bajaremos
  2117. jullie zullen dalen
    bajaréis
  2118. zij zullen dalen
    bajarán
  2119. ik ben aan het dalen
    estoy bajando
  2120. jij bent aan het dalen
    estás bajando
  2121. hij/zij/u is aan het dalen
    está bajando
  2122. wij zijn aan het dalen
    estamos bajando
  2123. jullie zijn aan het dalen
    estáis bajando
  2124. zij zijn aan het dalen
    están bajando
  2125. ik ben gedaald
    he bajado
  2126. jij bent gedaald
    has bajado
  2127. hij/zij/u is gedaald
    ha bajado
  2128. wij zijn gedaald
    hemos bajado
  2129. jullie zijn gedaald
    habéis bajado
  2130. zij zijn gedaald
    han bajado
  2131. ik wil
    quiero
  2132. jij wilt
    quieres
  2133. hij/zij/u wilt
    quiere
  2134. wij willen
    queremos
  2135. jullie willen
    queréis
  2136. zij willen
    quieren
  2137. ik wilde
    quise
  2138. jij wilde
    quisiste
  2139. hij/zij/u wilde
    quiso
  2140. wij wilden
    quisimos
  2141. jullie wilden
    quisisteis
  2142. zij wilden
    quisieron
  2143. ik zal willen
    querré
  2144. jij zal willen
    querrás
  2145. hij/zij/u zal willen
    querrá
  2146. wij zullen willen
    querremos
  2147. jullie zullen willen
    querréis
  2148. zij zullen willen
    querrán
  2149. ik ben aan het willen
    estoy queriendo
  2150. jij bent aan het willen
    estás queriendo
  2151. hij/zij/u is aan het willen
    está queriendo
  2152. wij zijn aan het willen
    estamos queriendo
  2153. jullie zijn aan het willen
    estáis queriendo
  2154. zij zijn aan het willen
    están queriendo
  2155. ik heb gewild
    he querido
  2156. jij hebt gewild
    has querido
  2157. hij/zij/u heeft gewild
    ha querido
  2158. wij hebben gewild
    hemos querido
  2159. jullie hebben gewild
    habéis querido
  2160. zij hebben gewild
    han querido
  2161. ik hou van
    quiero
  2162. jij houdt van
    quieres
  2163. hij/zij/u houdt van
    quiere
  2164. wij houden van
    queremos
  2165. jullie houden van
    queréis
  2166. zij houden van
    quieren
  2167. ik hield van
    quise
  2168. jij hield van
    quisiste
  2169. hij/zij/u hield van
    quiso
  2170. wij hielden van
    quisimos
  2171. jullie hielden van
    quisisteis
  2172. zij hielden van
    quisieron
  2173. ik zal houden van
    querré
  2174. jij zal houden van
    querrás
  2175. hij/zij/u zal houden van
    querrá
  2176. wij zullen houden van
    querremos
  2177. jullie zullen houden van
    querréis
  2178. zij zullen houden van
    querrán
  2179. ik ben aan het houden van
    estoy queriendo
  2180. jij bent aan het houden van
    estás queriendo
  2181. hij/zij/u is aan het houden van
    está queriendo
  2182. wij zijn aan het houden van
    estamos queriendo
  2183. jullie zijn aan het houden van
    estáis queriendo
  2184. zij zijn aan het houden van
    están queriendo
  2185. ik heb gehouden van
    he querido
  2186. jij hebt gehouden van
    has querido
  2187. hij/zij/u heeft gehouden van
    ha querido
  2188. wij hebben gehouden van
    hemos querido
  2189. jullie hebben gehouden van
    habéis querido
  2190. zij hebben gehouden van
    han querido
  2191. ik speel
    juego
  2192. jij speelt
    juegas
  2193. hij/zij/u speelt
    juega
  2194. wij spelen
    jugamos
  2195. jullie spelen
    jugáis
  2196. zij spelen
    juegan
  2197. ik speelde
    jugué
  2198. jij speelde
    jugaste
  2199. hij/zij/u speelde
    jugó
  2200. wij speelden
    jugamos
  2201. jullie speelden
    jugasteis
  2202. zij speelden
    jugaron
  2203. ik zal spelen
    jugaré
  2204. jij zal spelen
    jugarás
  2205. hij/zij/u zal spelen
    jugará
  2206. wij zullen spelen
    jugaremos
  2207. jullie zullen spelen
    jugaréis
  2208. zij zullen spelen
    jugarán
  2209. ik ben aan het spelen
    estoy jugando
  2210. jij bent aan het spelen
    estás jugando
  2211. hij/zij/u is aan het spelen
    está jugando
  2212. wij zijn aan het spelen
    estamos jugando
  2213. jullie zijn aan het spelen
    estáis jugando
  2214. zij zijn aan het spelen
    están jugando
  2215. ik heb gespeeld
    he jugado
  2216. jij hebt gespeeld
    has jugado
  2217. hij/zij/u heeft gespeeld
    ha jugado
  2218. wij hebben gespeeld
    hemos jugado
  2219. jullie hebben gespeeld
    habéis jugado
  2220. zij hebben gespeeld
    han jugado
  2221. ik doe gewoonlijk
    suelo
  2222. jij doet gewoonlijk
    sueles
  2223. hij/zij/u doet gewoonlijk
    suele
  2224. wij doen gewoonlijk
    solemos
  2225. jullie doen gewoonlijk
    soléis
  2226. zij doen gewoonlijk
    suelen
  2227. ik deed gewoonlijk
    solí
  2228. jij deed gewoonlijk
    soliste
  2229. hij/zij/u deed gewoonlijk
    solió
  2230. wij deden gewoonlijk
    solimos
  2231. jullie deden gewoonlijk
    solisteis
  2232. zij deden gewoonlijk
    solieron
  2233. ik zal gewoonlijk doen
    soleré
  2234. jij zal gewoonlijk doen
    solerás
  2235. hij/zij/u zal gewoonlijk doen
    solerá
  2236. wij zullen gewoonlijk doen
    soleremos
  2237. jullie zullen gewoonlijk doen
    soleréis
  2238. zij zullen gewoonlijk doen
    solerán
  2239. ik ben aan het gewoonlijk doen
    estoy soliendo
  2240. jij bent aan het gewoonlijk doen
    estás soliendo
  2241. hij/zij/u is aan het gewoonlijk doen
    está soliendo
  2242. wij zijn aan het gewoonlijk doen
    estamos soliendo
  2243. jullie zijn aan het gewoonlijk doen
    estáis soliendo
  2244. zij zijn aan het gewoonlijk doen
    están soliendo
  2245. ik heb gewoonlijk gedaan
    he solido
  2246. jij hebt gewoonlijk gedaan
    has solido
  2247. hij/zij/u heeft gewoonlijk gedaan
    ha solido
  2248. wij hebben gewoonlijk gedaan
    hemos solido
  2249. jullie hebben gewoonlijk gedaan
    habéis solido
  2250. zij hebben gewoonlijk gedaan
    han solido
  2251. ik kijk
    miro
  2252. jij kijkt
    miras
  2253. hij/zij/u kijkt
    mira
  2254. wij kijken
    miramos
  2255. jullie kijken
    miráis
  2256. zij kijken
    miran
  2257. ik keek
    miré
  2258. jij keek
    miraste
  2259. hij/zij/u keek
    miró
  2260. wij keken
    miramos
  2261. jullie keken
    mirasteis
  2262. zij keken
    miraron
  2263. ik zal kijken
    miraré
  2264. jij zal kijken
    mirarás
  2265. hij/zij/u zal kijken
    mirará
  2266. wij zullen kijken
    miraremos
  2267. jullie zullen kijken
    miraréis
  2268. zij zullen kijken
    mirarán
  2269. ik ben aan het kijken
    estoy mirando
  2270. jij bent aan het kijken
    estás mirando
  2271. hij/zij/u is aan het kijken
    está mirando
  2272. wij zijn aan het kijken
    estamos mirando
  2273. jullie zijn aan het kijken
    estáis mirando
  2274. zij zijn aan het kijken
    están mirando
  2275. ik heb gekeken
    he mirado
  2276. jij hebt gekeken
    has mirado
  2277. hij/zij/u heeft gekeken
    ha mirado
  2278. wij hebben gekeken
    hemos mirado
  2279. jullie hebben gekeken
    habéis mirado
  2280. zij hebben gekeken
    han mirado
  2281. ik kook
    cocino
  2282. jij kookt
    cocinas
  2283. hij/zij/u kookt
    cocina
  2284. wij koken
    cocinamos
  2285. jullie koken
    cocináis
  2286. zij koken
    cocinan
  2287. ik kookte
    cociné
  2288. jij kookte
    cocinaste
  2289. hij/zij/u kookte
    cocinó
  2290. wij kookten
    cocinamos
  2291. jullie kookten
    cocinasteis
  2292. zij kookten
    cocinaron
  2293. ik zal koken
    cocinaré
  2294. jij zal koken
    cocinarás
  2295. hij/zij/u zal koken
    cocinará
  2296. wij zullen koken
    cocinaremos
  2297. jullie zullen koken
    cocinaréis
  2298. zij zullen koken
    cocinarán
  2299. ik ben aan het koken
    estoy cocinando
  2300. jij bent aan het koken
    estás cocinando
  2301. hij/zij/u is aan het koken
    está cocinando
  2302. wij zijn aan het koken
    estamos cocinando
  2303. jullie zijn aan het koken
    estáis cocinando
  2304. zij zijn aan het koken
    están cocinando
  2305. ik heb gekookt
    he cocinado
  2306. jij hebt gekookt
    has cocinado
  2307. hij/zij/u heeft gekookt
    ha cocinado
  2308. wij hebben gekookt
    hemos cocinado
  2309. jullie hebben gekookt
    habéis cocinado
  2310. zij hebben gekookt
    han cocinado
  2311. ik kom aan
    llego
  2312. jij komt aan
    llegas
  2313. hij/zij/u komt aan
    llega
  2314. wij komen aan
    llegamos
  2315. jullie komen aan
    llegáis
  2316. zij komen aan
    llegan
  2317. ik kwam aan
    llegué
  2318. jij kwam aan
    llegaste
  2319. hij/zij/u kwam aan
    llegó
  2320. wij kwamen aan
    llegamos
  2321. jullie kwamen aan
    llegasteis
  2322. zij kwamen aan
    llegaron
  2323. ik zal aankomen
    llegaré
  2324. jij zal aankomen
    llegarás
  2325. hij/zij/u zal aankomen
    llegará
  2326. wij zullen aankomen
    llegaremos
  2327. jullie zullen aankomen
    llegaréis
  2328. zij zullen aankomen
    llegarán
  2329. ik ben aan het aankomen
    estoy llegando
  2330. jij bent aan het aankomen
    estás llegando
  2331. hij/zij/u is aan het aankomen
    está llegando
  2332. wij zijn aan het aankomen
    estamos llegando
  2333. jullie zijn aan het aankomen
    estáis llegando
  2334. zij zijn aan het aankomen
    están llegando
  2335. ik ben aangekomen
    he llegado
  2336. jij bent aangekomen
    has llegado
  2337. hij/zij/u is aangekomen
    ha llegado
  2338. wij zijn aangekomen
    hemos llegado
  2339. jullie zijn aangekomen
    habéis llegado
  2340. zij zijn aangekomen
    han llegado
  2341. ik vergeet
    olvido
  2342. jij vergeet
    olvidas
  2343. hij/zij/u vergeet
    olvida
  2344. wij vergeten
    olvidamos
  2345. jullie vergeten
    olvidáis
  2346. zij vergeten
    olvidan
  2347. ik vergat
    olvidé
  2348. jij vergat
    olvidaste
  2349. hij/zij/u vergat
    olvidó
  2350. wij vergaten
    olvidamos
  2351. jullie vergaten
    olvidasteis
  2352. zij vergaten
    olvidaron
  2353. ik zal vergeten
    olvidaré
  2354. jij zal vergeten
    olvidarás
  2355. hij/zij/u zal vergeten
    olvidará
  2356. wij zullen vergeten
    olvidaremos
  2357. jullie zullen vergeten
    olvidaréis
  2358. zij zullen vergeten
    olvidarán
  2359. ik ben aan het vergeten
    estoy olvidando
  2360. jij bent aan het vergeten
    estás olvidando
  2361. hij/zij/u is aan het vergeten
    está olvidando
  2362. wij zijn aan het vergeten
    estamos olvidando
  2363. jullie zijn aan het vergeten
    estáis olvidando
  2364. zij zijn aan het vergeten
    están olvidando
  2365. ik ben vergeten
    he olvidado
  2366. jij bent vergeten
    has olvidado
  2367. hij/zij/u is vergeten
    ha olvidado
  2368. wij zijn vergeten
    hemos olvidado
  2369. jullie zijn vergeten
    habéis olvidado
  2370. zij zijn vergeten
    han olvidado
  2371. ik stuur
    mando
  2372. jij stuurt
    mandas
  2373. hij/zij/u stuurt
    manda
  2374. wij sturen
    mandamos
  2375. jullie sturen
    mandáis
  2376. zij sturen
    mandan
  2377. ik stuurde
    mandé
  2378. jij stuurde
    mandaste
  2379. hij/zij/u stuurde
    mandó
  2380. wij stuurden
    mandamos
  2381. jullie stuurden
    mandasteis
  2382. zij stuurden
    mandaron
  2383. ik zal sturen
    mandaré
  2384. jij zal sturen
    mandarás
  2385. hij/zij/u zal sturen
    mandará
  2386. wij zullen sturen
    mandaremos
  2387. jullie zullen sturen
    mandaréis
  2388. zij zullen sturen
    mandarán
  2389. ik ben aan het sturen
    estoy mandando
  2390. jij bent aan het sturen
    estás mandando
  2391. hij/zij/u is aan het sturen
    está mandando
  2392. wij zijn aan het sturen
    estamos mandando
  2393. jullie zijn aan het sturen
    estáis mandando
  2394. zij zijn aan het sturen
    están mandando
  2395. ik heb gestuurd
    he mandado
  2396. jij hebt gestuurd
    has mandado
  2397. hij/zij/u heeft gestuurd
    ha mandado
  2398. wij hebben gestuurd
    hemos mandado
  2399. jullie hebben gestuurd
    habéis mandado
  2400. zij hebben gestuurd
    han mandado
  2401. ik leid
    mando
  2402. jij leidt
    mandas
  2403. hij/zij/u leidt
    manda
  2404. wij leiden
    mandamos
  2405. jullie leiden
    mandáis
  2406. zij leiden
    mandan
  2407. ik leidde
    mandé
  2408. jij leidde
    mandaste
  2409. hij/zij/u leidde
    mandó
  2410. wij leidden
    mandamos
  2411. jullie leidden
    mandasteis
  2412. zij leidden
    mandaron
  2413. ik zal leiden
    mandaré
  2414. jij zal leiden
    mandarás
  2415. hij/zij/u zal leiden
    mandará
  2416. wij zullen leiden
    mandaremos
  2417. jullie zullen leiden
    mandaréis
  2418. zij zullen leiden
    mandarán
  2419. ik ben aan het leiden
    estoy mandando
  2420. jij bent aan het leiden
    estás mandando
  2421. hij/zij/u is aan het leiden
    está mandando
  2422. wij zijn aan het leiden
    estamos mandando
  2423. jullie zijn aan het leiden
    estáis mandando
  2424. zij zijn aan het leiden
    están mandando
  2425. ik heb geleid
    he mandado
  2426. jij hebt geleid
    has mandado
  2427. hij/zij/u heeft geleid
    ha mandado
  2428. wij hebben geleid
    hemos mandado
  2429. jullie hebben geleid
    habéis mandado
  2430. zij hebben geleid
    han mandado
  2431. ik reserveer
    reservo
  2432. jij reserveert
    reservas
  2433. hij/zij/u reserveert
    reserva
  2434. wij reserveren
    reservamos
  2435. jullie reserveren
    reserváis
  2436. zij reserveren
    reservan
  2437. ik reserveerde
    reservé
  2438. jij reserveerde
    reservaste
  2439. hij/zij/u reserveerde
    reservó
  2440. wij reserveerden
    reservamos
  2441. jullie reserveerden
    reservasteis
  2442. zij reserveerden
    reservaron
  2443. ik zal reserveren
    reservaré
  2444. jij zal reserveren
    reservarás
  2445. hij/zij/u zal reserveren
    reservará
  2446. wij zullen reserveren
    reservaremos
  2447. jullie zullen reserveren
    reservaréis
  2448. zij zullen reserveren
    reservarán
  2449. ik ben aan het reserveren
    estoy reservando
  2450. jij bent aan het reserveren
    estás reservando
  2451. hij/zij/u is aan het reserveren
    está reservando
  2452. wij zijn aan het reserveren
    estamos reservando
  2453. jullie zijn aan het reserveren
    estáis reservando
  2454. zij zijn aan het reserveren
    están reservando
  2455. ik heb gereserveerd
    he reservado
  2456. jij hebt gereserveerd
    has reservado
  2457. hij/zij/u heeft gereserveerd
    ha reservado
  2458. wij hebben gereserveerd
    hemos reservado
  2459. jullie hebben gereserveerd
    habéis reservado
  2460. zij hebben gereserveerd
    han reservado
  2461. ik geef
    doy
  2462. jij geeft
    das
  2463. hij/zij/u geeft
    da
  2464. wij geven
    damos
  2465. jullie geven
    dais
  2466. zij geven
    dan
  2467. ik gaf
    di
  2468. jij gaf
    diste
  2469. hij/zij/u gaf
    dio
  2470. wij gaven
    dimos
  2471. jullie gaven
    disteis
  2472. zij gaven
    dieron
  2473. ik zal geven
    daré
  2474. jij zal geven
    darás
  2475. hij/zij/u zal geven
    dará
  2476. wij zullen geven
    daremos
  2477. jullie zullen geven
    daréis
  2478. zij zullen geven
    darán
  2479. ik ben aan het geven
    estoy dando
  2480. jij bent aan het geven
    estás dando
  2481. hij/zij/u is aan het geven
    está dando
  2482. wij zijn aan het geven
    estamos dando
  2483. jullie zijn aan het geven
    estáis dando
  2484. zij zijn aan het geven
    están dando
  2485. ik heb gegeven
    he dado
  2486. jij hebt gegeven
    has dado
  2487. hij/zij/u heeft gegeven
    ha dado
  2488. wij hebben gegeven
    hemos dado
  2489. jullie hebben gegeven
    habéis dado
  2490. zij hebben gegeven
    han dado
  2491. ik probeer
    intento
  2492. jij probeert
    intentas
  2493. hij/zij/u probeert
    intenta
  2494. wij proberen
    intentamos
  2495. jullie proberen
    intentáis
  2496. zij proberen
    intentan
  2497. ik probeerde
    intenté
  2498. jij probeerde
    intentaste
  2499. hij/zij/u probeerde
    intentó
  2500. wij probeerden
    intentamos
  2501. jullie probeerden
    intentasteis
  2502. zij probeerden
    intentaron
  2503. ik zal proberen
    intentaré
  2504. jij zal proberen
    intentarás
  2505. hij/zij/u zal proberen
    intentará
  2506. wij zullen proberen
    intentaremos
  2507. jullie zullen proberen
    intentaréis
  2508. zij zullen proberen
    intentarán
  2509. ik ben aan het proberen
    estoy intentando
  2510. jij bent aan het proberen
    estás intentando
  2511. hij/zij/u is aan het proberen
    está intentando
  2512. wij zijn aan het proberen
    estamos intentando
  2513. jullie zijn aan het proberen
    estáis intentando
  2514. zij zijn aan het proberen
    están intentando
  2515. ik heb geprobeerd
    he intentado
  2516. jij hebt geprobeerd
    has intentado
  2517. hij/zij/u heeft geprobeerd
    ha intentado
  2518. wij hebben geprobeerd
    hemos intentado
  2519. jullie hebben geprobeerd
    habéis intentado
  2520. zij hebben geprobeerd
    han intentado
  2521. ik steel
    robo
  2522. jij steelt
    robas
  2523. hij/zij/u steelt
    roba
  2524. wij stelen
    robamos
  2525. jullie stelen
    robáis
  2526. zij stelen
    roban
  2527. ik steelde
    robé
  2528. jij steelde
    robaste
  2529. hij/zij/u steelde
    robó
  2530. wij steelden
    robamos
  2531. jullie steelden
    robasteis
  2532. zij steelden
    robaron
  2533. ik zal stelen
    robaré
  2534. jij zal stelen
    robarás
  2535. hij/zij/u zal stelen
    robará
  2536. wij zullen stelen
    robaremos
  2537. jullie zullen stelen
    robaréis
  2538. zij zullen stelen
    robarán
  2539. ik ben aan het stelen
    estoy robando
  2540. jij bent aan het stelen
    estás robando
  2541. hij/zij/u is aan het stelen
    está robando
  2542. wij zijn aan het stelen
    estamos robando
  2543. jullie zijn aan het stelen
    estáis robando
  2544. zij zijn aan het stelen
    están robando
  2545. ik heb gestolen
    he robado
  2546. jij hebt gestolen
    has robado
  2547. hij/zij/u heeft gestolen
    ha robado
  2548. wij hebben gestolen
    hemos robado
  2549. jullie hebben gestolen
    habéis robado
  2550. zij hebben gestolen
    han robado
  2551. ik huur
    alquilo
  2552. jij huurt
    alquilas
  2553. hij/zij/u huurt
    alquila
  2554. wij huren
    alquilamos
  2555. jullie huren
    alquiláis
  2556. zij huren
    alquilan
  2557. ik huurde
    alquilé
  2558. jij huurde
    alquilaste
  2559. hij/zij/u huurde
    alquiló
  2560. wij huurden
    alquilamos
  2561. jullie huurden
    alquilasteis
  2562. zij huurden
    alquilaron
  2563. ik zal huren
    alquilaré
  2564. jij zal huren
    alquilarás
  2565. hij/zij/u zal huren
    alquilará
  2566. wij zullen huren
    alquilaremos
  2567. jullie zullen huren
    alquilaréis
  2568. zij zullen huren
    alquilarán
  2569. ik ben aan het huren
    estoy alquilando
  2570. jij bent aan het huren
    estás alquilando
  2571. hij/zij/u is aan het huren
    está alquilando
  2572. wij zijn aan het huren
    estamos alquilando
  2573. jullie zijn aan het huren
    estáis alquilando
  2574. zij zijn aan het huren
    están alquilando
  2575. ik heb gehuurd
    he alquilado
  2576. jij hebt gehuurd
    has alquilado
  2577. hij/zij/u heeft gehuurd
    ha alquilado
  2578. wij hebben gehuurd
    hemos alquilado
  2579. jullie hebben gehuurd
    habéis alquilado
  2580. zij hebben gehuurd
    han alquilado
  2581. ik maak kapot
    rompo
  2582. jij maakt kapot
    rompes
  2583. hij/zij/u maakt kapot
    rompe
  2584. wij maken kapot
    rompemos
  2585. jullie maken kapot
    rompéis
  2586. zij maken kapot
    rompen
  2587. ik maakte kapot
    rompí
  2588. jij maakte kapot
    rompiste
  2589. hij/zij/u maakte kapot
    rompió
  2590. wij maakten kapot
    rompimos
  2591. jullie maakten kapot
    rompisteis
  2592. zij maakten kapot
    rompieron
  2593. ik zal kapot maken
    romperé
  2594. jij zal kapot maken
    romperás
  2595. hij/zij/u zal kapot maken
    romperá
  2596. wij zullen kapot maken
    romperemos
  2597. jullie zullen kapot maken
    romperéis
  2598. zij zullen kapot maken
    romperán
  2599. ik ben aan het kapot maken
    estoy rompiendo
  2600. jij bent aan het kapot maken
    estás rompiendo
  2601. hij/zij/u is aan het kapot maken
    está rompiendo
  2602. wij zijn aan het kapot maken
    estamos rompiendo
  2603. jullie zijn aan het kapot maken
    estáis rompiendo
  2604. zij zijn aan het kapot maken
    están rompiendo
  2605. ik heb kapot gemaakt
    he roto
  2606. jij hebt kapot gemaakt
    has roto
  2607. hij/zij/u heeft kapot gemaakt
    ha roto
  2608. wij hebben kapot gemaakt
    hemos roto
  2609. jullie hebben kapot gemaakt
    habéis roto
  2610. zij hebben kapot gemaakt
    han roto
  2611. ik breek
    rompo
  2612. jij breekt
    rompes
  2613. hij/zij/u breekt
    rompe
  2614. wij breken
    rompemos
  2615. jullie breken
    rompéis
  2616. zij breken
    rompen
  2617. ik brak
    rompí
  2618. jij brak
    rompiste
  2619. hij/zij/u brak
    rompió
  2620. wij braken
    rompimos
  2621. jullie braken
    rompisteis
  2622. zij braken
    rompieron
  2623. ik zal breken
    romperé
  2624. jij zal breken
    romperás
  2625. hij/zij/u zal breken
    romperá
  2626. wij zullen breken
    romperemos
  2627. jullie zullen breken
    romperéis
  2628. zij zullen breken
    romperán
  2629. ik ben aan het breken
    estoy rompiendo
  2630. jij bent aan het breken
    estás rompiendo
  2631. hij/zij/u is aan het breken
    está rompiendo
  2632. wij zijn aan het breken
    estamos rompiendo
  2633. jullie zijn aan het breken
    estáis rompiendo
  2634. zij zijn aan het breken
    están rompiendo
  2635. ik heb gebroken
    he roto
  2636. jij hebt gebroken
    has roto
  2637. hij/zij/u heeft gebroken
    ha roto
  2638. wij hebben gebroken
    hemos roto
  2639. jullie hebben gebroken
    habéis roto
  2640. zij hebben gebroken
    han roto
  2641. ik neem (een afslag)
    cojo
  2642. jij neemt (een afslag)
    coges
  2643. hij/zij/u neemt (een afslag)
    coge
  2644. wij nemen (een afslag)
    cogemos
  2645. jullie nemen (een afslag)
    cogéis
  2646. zij nemen (een afslag)
    cogen
  2647. ik nam (een afslag)
    cogí
  2648. jij nam (een afslag)
    cogiste
  2649. hij/zij/u nam (een afslag)
    cogió
  2650. wij namen (een afslag)
    cogimos
  2651. jullie namen (een afslag)
    cogisteis
  2652. zij namen (een afslag)
    cogieron
  2653. ik zal nemen (een afslag)
    cogeré
  2654. jij zal nemen (een afslag)
    cogerás
  2655. hij/zij/u zal nemen (een afslag)
    cogerá
  2656. wij zullen nemen (een afslag)
    cogeremos
  2657. jullie zullen nemen (een afslag)
    cogeréis
  2658. zij zullen nemen (een afslag)
    cogerán
  2659. ik ben aan het nemen (een afslag)
    estoy cogiendo
  2660. jij bent aan het nemen (een afslag)
    estás cogiendo
  2661. hij/zij/u is aan het nemen (een afslag)
    está cogiendo
  2662. wij zijn aan het nemen (een afslag)
    estamos cogiendo
  2663. jullie zijn aan het nemen (een afslag)
    estáis cogiendo
  2664. zij zijn aan het nemen (een afslag)
    están cogiendo
  2665. ik heb genomen (een afslag)
    he cogido
  2666. jij hebt genomen (een afslag)
    has cogido
  2667. hij/zij/u heeft genomen (een afslag)
    ha cogido
  2668. wij hebben genomen (een afslag)
    hemos cogido
  2669. jullie hebben genomen (een afslag)
    habéis cogido
  2670. zij hebben genomen (een afslag)
    han cogido
  2671. ik sla af
    giro
  2672. jij slaat af
    giras
  2673. hij/zij/u slaat af
    gira
  2674. wij slaan af
    giramos
  2675. jullie slaan af
    giráis
  2676. zij slaan af
    giran
  2677. ik sloeg af
    giré
  2678. jij sloeg af
    giraste
  2679. hij/zij/u sloeg af
    giró
  2680. wij sloegen af
    giramos
  2681. jullie sloegen af
    girasteis
  2682. zij sloegen af
    giraron
  2683. ik zal afslaan
    giraré
  2684. jij zal afslaan
    girarás
  2685. hij/zij/u zal afslaan
    girará
  2686. wij zullen afslaan
    giraremos
  2687. jullie zullen afslaan
    giraréis
  2688. zij zullen afslaan
    girarán
  2689. ik ben aan het afslaan
    estoy girando
  2690. jij bent aan het afslaan
    estás girando
  2691. hij/zij/u is aan het afslaan
    está girando
  2692. wij zijn aan het afslaan
    estamos girando
  2693. jullie zijn aan het afslaan
    estáis girando
  2694. zij zijn aan het afslaan
    están girando
  2695. ik ben afgeslaan
    he girado
  2696. jij bent afgeslaan
    has girado
  2697. hij/zij/u is afgeslaan
    ha girado
  2698. wij zijn afgeslaan
    hemos girado
  2699. jullie zijn afgeslaan
    habéis girado
  2700. zij zijn afgeslaan
    han girado
  2701. ik draai
    giro
  2702. jij draait
    giras
  2703. hij/zij/u draait
    gira
  2704. wij draaien
    giramos
  2705. jullie draaien
    giráis
  2706. zij draaien
    giran
  2707. ik draaide
    giré
  2708. jij draaide
    giraste
  2709. hij/zij/u draaide
    giró
  2710. wij draaiden
    giramos
  2711. jullie draaiden
    girasteis
  2712. zij draaiden
    giraron
  2713. ik zal draaien
    giraré
  2714. jij zal draaien
    girarás
  2715. hij/zij/u zal draaien
    girará
  2716. wij zullen draaien
    giraremos
  2717. jullie zullen draaien
    giraréis
  2718. zij zullen draaien
    girarán
  2719. ik ben aan het draaien
    estoy girando
  2720. jij bent aan het draaien
    estás girando
  2721. hij/zij/u is aan het draaien
    está girando
  2722. wij zijn aan het draaien
    estamos girando
  2723. jullie zijn aan het draaien
    estáis girando
  2724. zij zijn aan het draaien
    están girando
  2725. ik ben gedraaid
    he girado
  2726. jij bent gedraaid
    has girado
  2727. hij/zij/u is gedraaid
    ha girado
  2728. wij zijn gedraaid
    hemos girado
  2729. jullie zijn gedraaid
    habéis girado
  2730. zij zijn gedraaid
    han girado
  2731. ik passeer
    paso
  2732. jij passeert
    pasas
  2733. hij/zij/u passeert
    pasa
  2734. wij passeren
    pasamos
  2735. jullie passeren
    pasáis
  2736. zij passeren
    pasan
  2737. ik passeerde
    pasé
  2738. jij passeerde
    pasaste
  2739. hij/zij/u passeerde
    pasó
  2740. wij passeerden
    pasamos
  2741. jullie passeerden
    pasasteis
  2742. zij passeerden
    pasaron
  2743. ik zal passeren
    pasaré
  2744. jij zal passeren
    pasarás
  2745. hij/zij/u zal passeren
    pasará
  2746. wij zullen passeren
    pasaremos
  2747. jullie zullen passeren
    pasaréis
  2748. zij zullen passeren
    pasarán
  2749. ik ben aan het passeren
    estoy pasando
  2750. jij bent aan het passeren
    estás pasando
  2751. hij/zij/u is aan het passeren
    está pasando
  2752. wij zijn aan het passeren
    estamos pasando
  2753. jullie zijn aan het passeren
    estáis pasando
  2754. zij zijn aan het passeren
    están pasando
  2755. ik ben gepasseerd
    he pasado
  2756. jij bent gepasseerd
    has pasado
  2757. hij/zij/u is gepasseerd
    ha pasado
  2758. wij zijn gepasseerd
    hemos pasado
  2759. jullie zijn gepasseerd
    habéis pasado
  2760. zij zijn gepasseerd
    han pasado
  2761. ik volg
    sigo
  2762. jij volgt
    sigues
  2763. hij/zij/u volgt
    sigue
  2764. wij volgen
    seguimos
  2765. jullie volgen
    seguís
  2766. zij volgen
    siguen
  2767. ik volgde
    seguí
  2768. jij volgde
    seguiste
  2769. hij/zij/u volgde
    siguió
  2770. wij volgden
    seguimos
  2771. jullie volgden
    seguisteis
  2772. zij volgden
    siguieron
  2773. ik zal volgen
    seguiré
  2774. jij zal volgen
    seguirás
  2775. hij/zij/u zal volgen
    seguirá
  2776. wij zullen volgen
    seguiremos
  2777. jullie zullen volgen
    seguiréis
  2778. zij zullen volgen
    seguirán
  2779. ik ben aan het volgen
    estoy siguiendo
  2780. jij bent aan het volgen
    estás siguiendo
  2781. hij/zij/u is aan het volgen
    está siguiendo
  2782. wij zijn aan het volgen
    estamos siguiendo
  2783. jullie zijn aan het volgen
    estáis siguiendo
  2784. zij zijn aan het volgen
    están siguiendo
  2785. ik heb gevolgd
    he seguido
  2786. jij hebt gevolgd
    has seguido
  2787. hij/zij/u heeft gevolgd
    ha seguido
  2788. wij hebben gevolgd
    hemos seguido
  2789. jullie hebben gevolgd
    habéis seguido
  2790. zij hebben gevolgd
    han seguido
  2791. ik ga door
    sigo
  2792. jij gaat door
    sigues
  2793. hij/zij/u gaat door
    sigue
  2794. wij gaan door
    seguimos
  2795. jullie gaan door
    seguís
  2796. zij gaan door
    siguen
  2797. ik ging door
    seguí
  2798. jij ging door
    seguiste
  2799. hij/zij/u ging door
    siguió
  2800. wij gingen door
    seguimos
  2801. jullie gingen door
    seguisteis
  2802. zij gingen door
    siguieron
  2803. ik zal doorgaan
    seguiré
  2804. jij zal doorgaan
    seguirás
  2805. hij/zij/u zal doorgaan
    seguirá
  2806. wij zullen doorgaan
    seguiremos
  2807. jullie zullen doorgaan
    seguiréis
  2808. zij zullen doorgaan
    seguirán
  2809. ik ben aan het doorgaan
    estoy siguiendo
  2810. jij bent aan het doorgaan
    estás siguiendo
  2811. hij/zij/u is aan het doorgaan
    está siguiendo
  2812. wij zijn aan het doorgaan
    estamos siguiendo
  2813. jullie zijn aan het doorgaan
    estáis siguiendo
  2814. zij zijn aan het doorgaan
    están siguiendo
  2815. ik ben doorgegaan
    he seguido
  2816. jij bent doorgegaan
    has seguido
  2817. hij/zij/u is doorgegaan
    ha seguido
  2818. wij zijn doorgegaan
    hemos seguido
  2819. jullie zijn doorgegaan
    habéis seguido
  2820. zij zijn doorgegaan
    han seguido
  2821. ik denk
    pienso
  2822. jij denkt
    piensas
  2823. hij/zij/u denkt
    piensa
  2824. wij denken
    pensamos
  2825. jullie denken
    pensáis
  2826. zij denken
    piensan
  2827. ik dacht
    pensé
  2828. jij dacht
    pensaste
  2829. hij/zij/u dacht
    pensó
  2830. wij dachten
    pensamos
  2831. jullie dachten
    pensasteis
  2832. zij dachten
    pensaron
  2833. ik zal denken
    pensaré
  2834. jij zal denken
    pensarás
  2835. hij/zij/u zal denken
    pensará
  2836. wij zullen denken
    pensaremos
  2837. jullie zullen denken
    pensaréis
  2838. zij zullen denken
    pensarán
  2839. ik ben aan het denken
    estoy pensando
  2840. jij bent aan het denken
    estás pensando
  2841. hij/zij/u is aan het denken
    está pensando
  2842. wij zijn aan het denken
    estamos pensando
  2843. jullie zijn aan het denken
    estáis pensando
  2844. zij zijn aan het denken
    están pensando
  2845. ik heb gedacht
    he pensado
  2846. jij hebt gedacht
    has pensado
  2847. hij/zij/u heeft gedacht
    ha pensado
  2848. wij hebben gedacht
    hemos pensado
  2849. jullie hebben gedacht
    habéis pensado
  2850. zij hebben gedacht
    han pensado
  2851. ik reken
    cuento
  2852. jij rekent
    cuentas
  2853. hij/zij/u rekent
    cuenta
  2854. wij rekenen
    contamos
  2855. jullie rekenen
    contáis
  2856. zij rekenen
    cuentan
  2857. ik rekende
    conté
  2858. jij rekende
    contaste
  2859. hij/zij/u rekende
    contó
  2860. wij rekenden
    contamos
  2861. jullie rekenden
    contasteis
  2862. zij rekenden
    contaron
  2863. ik zal rekenen
    contaré
  2864. jij zal rekenen
    contarás
  2865. hij/zij/u zal rekenen
    contará
  2866. wij zullen rekenen
    contaremos
  2867. jullie zullen rekenen
    contaréis
  2868. zij zullen rekenen
    contarán
  2869. ik ben aan het rekenen
    estoy contando
  2870. jij bent aan het rekenen
    estás contando
  2871. hij/zij/u is aan het rekenen
    está contando
  2872. wij zijn aan het rekenen
    estamos contando
  2873. jullie zijn aan het rekenen
    estáis contando
  2874. zij zijn aan het rekenen
    están contando
  2875. ik heb gerekend
    he contado
  2876. jij hebt gerekend
    has contado
  2877. hij/zij/u heeft gerekend
    ha contado
  2878. wij hebben gerekend
    hemos contado
  2879. jullie hebben gerekend
    habéis contado
  2880. zij hebben gerekend
    han contado
  2881. ik vertel
    cuento
  2882. jij vertelt
    cuentas
  2883. hij/zij/u vertelt
    cuenta
  2884. wij vertellen
    contamos
  2885. jullie vertellen
    contáis
  2886. zij vertellen
    cuentan
  2887. ik vertelde
    conté
  2888. jij vertelde
    contaste
  2889. hij/zij/u vertelde
    contó
  2890. wij vertelden
    contamos
  2891. jullie vertelden
    contasteis
  2892. zij vertelden
    contaron
  2893. ik zal vertellen
    contaré
  2894. jij zal vertellen
    contarás
  2895. hij/zij/u zal vertellen
    contará
  2896. wij zullen vertellen
    contaremos
  2897. jullie zullen vertellen
    contaréis
  2898. zij zullen vertellen
    contarán
  2899. ik ben aan het vertellen
    estoy contando
  2900. jij bent aan het vertellen
    estás contando
  2901. hij/zij/u is aan het vertellen
    está contando
  2902. wij zijn aan het vertellen
    estamos contando
  2903. jullie zijn aan het vertellen
    estáis contando
  2904. zij zijn aan het vertellen
    están contando
  2905. ik heb verteld
    he contado
  2906. jij hebt verteld
    has contado
  2907. hij/zij/u heeft verteld
    ha contado
  2908. wij hebben verteld
    hemos contado
  2909. jullie hebben verteld
    habéis contado
  2910. zij hebben verteld
    han contado
  2911. ik bestel
    pido
  2912. jij bestelt
    pides
  2913. hij/zij/u bestelt
    pide
  2914. wij bestellen
    pedimos
  2915. jullie bestellen
    pedís
  2916. zij bestellen
    piden
  2917. ik bestelde
    pedí
  2918. jij bestelde
    pediste
  2919. hij/zij/u bestelde
    pidió
  2920. wij bestelden
    pedimos
  2921. jullie bestelden
    pedisteis
  2922. zij bestelden
    pidieron
  2923. ik zal bestellen
    pediré
  2924. jij zal bestellen
    pedirás
  2925. hij/zij/u zal bestellen
    pedirá
  2926. wij zullen bestellen
    pediremos
  2927. jullie zullen bestellen
    pediréis
  2928. zij zullen bestellen
    pedirán
  2929. ik ben aan het bestellen
    estoy pidiendo
  2930. jij bent aan het bestellen
    estás pidiendo
  2931. hij/zij/u is aan het bestellen
    está pidiendo
  2932. wij zijn aan het bestellen
    estamos pidiendo
  2933. jullie zijn aan het bestellen
    estáis pidiendo
  2934. zij zijn aan het bestellen
    están pidiendo
  2935. ik heb besteld
    he pedido
  2936. jij hebt besteld
    has pedido
  2937. hij/zij/u heeft besteld
    ha pedido
  2938. wij hebben besteld
    hemos pedido
  2939. jullie hebben besteld
    habéis pedido
  2940. zij hebben besteld
    han pedido
  2941. ik verzoek
    pido
  2942. jij verzoekt
    pides
  2943. hij/zij/u verzoekt
    pide
  2944. wij verzoeken
    pedimos
  2945. jullie verzoeken
    pedís
  2946. zij verzoeken
    piden
  2947. ik verzocht
    pedí
  2948. jij verzocht
    pediste
  2949. hij/zij/u verzocht
    pidió
  2950. wij verzochten
    pedimos
  2951. jullie verzochten
    pedisteis
  2952. zij verzochten
    pidieron
  2953. ik zal verzoeken
    pediré
  2954. jij zal verzoeken
    pedirás
  2955. hij/zij/u zal verzoeken
    pedirá
  2956. wij zullen verzoeken
    pediremos
  2957. jullie zullen verzoeken
    pediréis
  2958. zij zullen verzoeken
    pedirán
  2959. ik ben aan het verzoeken
    estoy pidiendo
  2960. jij bent aan het verzoeken
    estás pidiendo
  2961. hij/zij/u is aan het verzoeken
    está pidiendo
  2962. wij zijn aan het verzoeken
    estamos pidiendo
  2963. jullie zijn aan het verzoeken
    estáis pidiendo
  2964. zij zijn aan het verzoeken
    están pidiendo
  2965. ik heb verzocht
    he pedido
  2966. jij hebt verzocht
    has pedido
  2967. hij/zij/u heeft verzocht
    ha pedido
  2968. wij hebben verzocht
    hemos pedido
  2969. jullie hebben verzocht
    habéis pedido
  2970. zij hebben verzocht
    han pedido
  2971. ik vraag
    pregunto
  2972. jij vraagt
    preguntas
  2973. hij/zij/u vraagt
    pregunta
  2974. wij vragen
    preguntamos
  2975. jullie vragen
    preguntáis
  2976. zij vragen
    preguntan
  2977. ik vroeg
    pregunté
  2978. jij vroeg
    preguntaste
  2979. hij/zij/u vroeg
    preguntó
  2980. wij vroegen
    preguntamos
  2981. jullie vroegen
    preguntasteis
  2982. zij vroegen
    preguntaron
  2983. ik zal vragen
    preguntaré
  2984. jij zal vragen
    preguntarás
  2985. hij/zij/u zal vragen
    preguntará
  2986. wij zullen vragen
    preguntaremos
  2987. jullie zullen vragen
    preguntaréis
  2988. zij zullen vragen
    preguntarán
  2989. ik ben aan het vragen
    estoy preguntando
  2990. jij bent aan het vragen
    estás preguntando
  2991. hij/zij/u is aan het vragen
    está preguntando
  2992. wij zijn aan het vragen
    estamos preguntando
  2993. jullie zijn aan het vragen
    estáis preguntando
  2994. zij zijn aan het vragen
    están preguntando
  2995. ik heb gevraagd
    he preguntado
  2996. jij hebt gevraagd
    has preguntado
  2997. hij/zij/u heeft gevraagd
    ha preguntado
  2998. wij hebben gevraagd
    hemos preguntado
  2999. jullie hebben gevraagd
    habéis preguntado
  3000. zij hebben gevraagd
    han preguntado
  3001. ik spreek af
    quedo
  3002. jij spreekt af
    quedas
  3003. hij/zij/u spreekt af
    queda
  3004. wij spreken af
    quedamos
  3005. jullie spreken af
    quedáis
  3006. zij spreken af
    quedan
  3007. ik sprak af
    quedé
  3008. jij sprak af
    quedaste
  3009. hij/zij/u sprak af
    quedó
  3010. wij spraken af
    quedamos
  3011. jullie spraken af
    quedasteis
  3012. zij spraken af
    quedaron
  3013. ik zal afspreken
    quedaré
  3014. jij zal afspreken
    quedarás
  3015. hij/zij/u zal afspreken
    quedará
  3016. wij zullen afspreken
    quedaremos
  3017. jullie zullen afspreken
    quedaréis
  3018. zij zullen afspreken
    quedarán
  3019. ik ben aan het afspreken
    estoy quedando
  3020. jij bent aan het afspreken
    estás quedando
  3021. hij/zij/u is aan het afspreken
    está quedando
  3022. wij zijn aan het afspreken
    estamos quedando
  3023. jullie zijn aan het afspreken
    estáis quedando
  3024. zij zijn aan het afspreken
    están quedando
  3025. ik heb afgesproken
    he quedado
  3026. jij hebt afgesproken
    has quedado
  3027. hij/zij/u heeft afgesproken
    ha quedado
  3028. wij hebben afgesproken
    hemos quedado
  3029. jullie hebben afgesproken
    habéis quedado
  3030. zij hebben afgesproken
    han quedado
  3031. ik blijf
    quedo
  3032. jij blijft
    quedas
  3033. hij/zij/u blijft
    queda
  3034. wij blijven
    quedamos
  3035. jullie blijven
    quedáis
  3036. zij blijven
    quedan
  3037. ik bleef
    quedé
  3038. jij bleef
    quedaste
  3039. hij/zij/u bleef
    quedó
  3040. wij bleven
    quedamos
  3041. jullie bleven
    quedasteis
  3042. zij bleven
    quedaron
  3043. ik zal blijven
    quedaré
  3044. jij zal blijven
    quedarás
  3045. hij/zij/u zal blijven
    quedará
  3046. wij zullen blijven
    quedaremos
  3047. jullie zullen blijven
    quedaréis
  3048. zij zullen blijven
    quedarán
  3049. ik ben aan het blijven
    estoy quedando
  3050. jij bent aan het blijven
    estás quedando
  3051. hij/zij/u is aan het blijven
    está quedando
  3052. wij zijn aan het blijven
    estamos quedando
  3053. jullie zijn aan het blijven
    estáis quedando
  3054. zij zijn aan het blijven
    están quedando
  3055. ik ben gebleven
    he quedado
  3056. jij bent gebleven
    has quedado
  3057. hij/zij/u is gebleven
    ha quedado
  3058. wij zijn gebleven
    hemos quedado
  3059. jullie zijn gebleven
    habéis quedado
  3060. zij zijn gebleven
    han quedado
  3061. ik wens
    deseo
  3062. jij wenst
    deseas
  3063. hij/zij/u wenst
    desea
  3064. wij wensen
    deseamos
  3065. jullie wensen
    deseáis
  3066. zij wensen
    desean
  3067. ik wenste
    deseé
  3068. jij wenste
    deseaste
  3069. hij/zij/u wenste
    deseó
  3070. wij wensten
    deseamos
  3071. jullie wensten
    deseasteis
  3072. zij wensten
    desearon
  3073. ik zal wensen
    desearé
  3074. jij zal wensen
    desearás
  3075. hij/zij/u zal wensen
    deseará
  3076. wij zullen wensen
    desearemos
  3077. jullie zullen wensen
    desearéis
  3078. zij zullen wensen
    desearán
  3079. ik ben aan het wensen
    estoy deseando
  3080. jij bent aan het wensen
    estás deseando
  3081. hij/zij/u is aan het wensen
    está deseando
  3082. wij zijn aan het wensen
    estamos deseando
  3083. jullie zijn aan het wensen
    estáis deseando
  3084. zij zijn aan het wensen
    están deseando
  3085. ik heb gewenst
    he deseado
  3086. jij hebt gewenst
    has deseado
  3087. hij/zij/u heeft gewenst
    ha deseado
  3088. wij hebben gewenst
    hemos deseado
  3089. jullie hebben gewenst
    habéis deseado
  3090. zij hebben gewenst
    han deseado
  3091. ik slaap
    duermo
  3092. jij slaapt
    duermes
  3093. hij/zij/u slaapt
    duerme
  3094. wij slapen
    dormimos
  3095. jullie slapen
    dormís
  3096. zij slapen
    duermen
  3097. ik sliep
    dormí
  3098. jij sliep
    dormiste
  3099. hij/zij/u sliep
    durmió
  3100. wij sliepen
    dormimos
  3101. jullie sliepen
    dormisteis
  3102. zij sliepen
    durmieron
  3103. ik zal slapen
    dormiré
  3104. jij zal slapen
    dormirás
  3105. hij/zij/u zal slapen
    dormirá
  3106. wij zullen slapen
    dormiremos
  3107. jullie zullen slapen
    dormiréis
  3108. zij zullen slapen
    dormirán
  3109. ik ben aan het slapen
    estoy durmiendo
  3110. jij bent aan het slapen
    estás durmiendo
  3111. hij/zij/u is aan het slapen
    está durmiendo
  3112. wij zijn aan het slapen
    estamos durmiendo
  3113. jullie zijn aan het slapen
    estáis durmiendo
  3114. zij zijn aan het slapen
    están durmiendo
  3115. ik heb geslapen
    he dormido
  3116. jij hebt geslapen
    has dormido
  3117. hij/zij/u heeft geslapen
    ha dormido
  3118. wij hebben geslapen
    hemos dormido
  3119. jullie hebben geslapen
    habéis dormido
  3120. zij hebben geslapen
    han dormido
  3121. ik groei op
    crezco
  3122. jij groeit op
    creces
  3123. hij/zij/u groeit op
    crece
  3124. wij groeien op
    crecemos
  3125. jullie groeien op
    crecéis
  3126. zij groeien op
    crecen
  3127. ik groeide op
    crecí
  3128. jij groeide op
    creciste
  3129. hij/zij/u groeide op
    creció
  3130. wij groeiden op
    crecimos
  3131. jullie groeiden op
    crecisteis
  3132. zij groeiden op
    crecieron
  3133. ik zal opgroeien
    creceré
  3134. jij zal opgroeien
    crecerás
  3135. hij/zij/u zal opgroeien
    crecerá
  3136. wij zullen opgroeien
    creceremos
  3137. jullie zullen opgroeien
    creceréis
  3138. zij zullen opgroeien
    crecerán
  3139. ik ben aan het opgroeien
    estoy creciendo
  3140. jij bent aan het opgroeien
    estás creciendo
  3141. hij/zij/u is aan het opgroeien
    está creciendo
  3142. wij zijn aan het opgroeien
    estamos creciendo
  3143. jullie zijn aan het opgroeien
    estáis creciendo
  3144. zij zijn aan het opgroeien
    están creciendo
  3145. ik ben opgegroeid
    he crecido
  3146. jij bent opgegroeid
    has crecido
  3147. hij/zij/u is opgegroeid
    ha crecido
  3148. wij zijn opgegroeid
    hemos crecido
  3149. jullie zijn opgegroeid
    habéis crecido
  3150. zij zijn opgegroeid
    han crecido
  3151. ik voel
    siento
  3152. jij voelt
    sientes
  3153. hij/zij/u voelt
    siente
  3154. wij voelen
    sentimos
  3155. jullie voelen
    sentís
  3156. zij voelen
    sienten
  3157. ik voelde
    sentí
  3158. jij voelde
    sentiste
  3159. hij/zij/u voelde
    sintió
  3160. wij voelden
    sentimos
  3161. jullie voelden
    sentisteis
  3162. zij voelden
    sintieron
  3163. ik zal voelen
    sentiré
  3164. jij zal voelen
    sentirás
  3165. hij/zij/u zal voelen
    sentirá
  3166. wij zullen voelen
    sentiremos
  3167. jullie zullen voelen
    sentiréis
  3168. zij zullen voelen
    sentirán
  3169. ik ben aan het voelen
    estoy sintiendo
  3170. jij bent aan het voelen
    estás sintiendo
  3171. hij/zij/u is aan het voelen
    está sintiendo
  3172. wij zijn aan het voelen
    estamos sintiendo
  3173. jullie zijn aan het voelen
    estáis sintiendo
  3174. zij zijn aan het voelen
    están sintiendo
  3175. ik heb gevoeld
    he sentido
  3176. jij hebt gevoeld
    has sentido
  3177. hij/zij/u heeft gevoeld
    ha sentido
  3178. wij hebben gevoeld
    hemos sentido
  3179. jullie hebben gevoeld
    habéis sentido
  3180. zij hebben gevoeld
    han sentido
  3181. ik val
    siento
  3182. jij valt
    sientas
  3183. hij/zij/u valt
    sienta
  3184. wij vallen
    sentamos
  3185. jullie vallen
    sentáis
  3186. zij vallen
    sientan
  3187. ik viel
    senté
  3188. jij viel
    sentaste
  3189. hij/zij/u viel
    sentó
  3190. wij vielen
    sentamos
  3191. jullie vielen
    sentasteis
  3192. zij vielen
    sentaron
  3193. ik zal vallen
    sentaré
  3194. jij zal vallen
    sentarás
  3195. hij/zij/u zal vallen
    sentará
  3196. wij zullen vallen
    sentaremos
  3197. jullie zullen vallen
    sentaréis
  3198. zij zullen vallen
    sentarán
  3199. ik ben aan het vallen
    estoy sentando
  3200. jij bent aan het vallen
    estás sentando
  3201. hij/zij/u is aan het vallen
    está sentando
  3202. wij zijn aan het vallen
    estamos sentando
  3203. jullie zijn aan het vallen
    estáis sentando
  3204. zij zijn aan het vallen
    están sentando
  3205. ik ben gevallen
    he sentado
  3206. jij bent gevallen
    has sentado
  3207. hij/zij/u is gevallen
    ha sentado
  3208. wij zijn gevallen
    hemos sentado
  3209. jullie zijn gevallen
    habéis sentado
  3210. zij zijn gevallen
    han sentado
  3211. ik zit
    siento
  3212. jij zit
    sientas
  3213. hij/zij/u zit
    sienta
  3214. wij zitten
    sentamos
  3215. jullie zitten
    sentáis
  3216. zij zitten
    sientan
  3217. ik zat
    senté
  3218. jij zat
    sentaste
  3219. hij/zij/u zat
    sentó
  3220. wij zaten
    sentamos
  3221. jullie zaten
    sentasteis
  3222. zij zaten
    sentaron
  3223. ik zal zitten
    sentaré
  3224. jij zal zitten
    sentarás
  3225. hij/zij/u zal zitten
    sentará
  3226. wij zullen zitten
    sentaremos
  3227. jullie zullen zitten
    sentaréis
  3228. zij zullen zitten
    sentarán
  3229. ik ben aan het zitten
    estoy sentando
  3230. jij bent aan het zitten
    estás sentando
  3231. hij/zij/u is aan het zitten
    está sentando
  3232. wij zijn aan het zitten
    estamos sentando
  3233. jullie zijn aan het zitten
    estáis sentando
  3234. zij zijn aan het zitten
    están sentando
  3235. ik heb gezeten
    he sentado
  3236. jij hebt gezeten
    has sentado
  3237. hij/zij/u heeft gezeten
    ha sentado
  3238. wij hebben gezeten
    hemos sentado
  3239. jullie hebben gezeten
    habéis sentado
  3240. zij hebben gezeten
    han sentado
  3241. ik vertaal
    traduzco
  3242. jij vertaalt
    traduces
  3243. hij/zij/u vertaalt
    traduce
  3244. wij vertalen
    traducimos
  3245. jullie vertalen
    traducís
  3246. zij vertalen
    traducen
  3247. ik vertaalde
    traduje
  3248. jij vertaalde
    tradujiste
  3249. hij/zij/u vertaalde
    tradujo
  3250. wij vertaalden
    tradujimos
  3251. jullie vertaalden
    tradujisteis
  3252. zij vertaalden
    tradujeron
  3253. ik zal vertalen
    traduciré
  3254. jij zal vertalen
    traducirás
  3255. hij/zij/u zal vertalen
    traducirá
  3256. wij zullen vertalen
    traduciremos
  3257. jullie zullen vertalen
    traduciréis
  3258. zij zullen vertalen
    traducirán
  3259. ik ben aan het vertalen
    estoy traduciendo
  3260. jij bent aan het vertalen
    estás traduciendo
  3261. hij/zij/u is aan het vertalen
    está traduciendo
  3262. wij zijn aan het vertalen
    estamos traduciendo
  3263. jullie zijn aan het vertalen
    estáis traduciendo
  3264. zij zijn aan het vertalen
    están traduciendo
  3265. ik heb vertaald
    he traducido
  3266. jij hebt vertaald
    has traducido
  3267. hij/zij/u heeft vertaald
    ha traducido
  3268. wij hebben vertaald
    hemos traducido
  3269. jullie hebben vertaald
    habéis traducido
  3270. zij hebben vertaald
    han traducido
  3271. ik ruik
    huelo
  3272. jij ruikt
    hueles
  3273. hij/zij/u ruikt
    huele
  3274. wij ruiken
    olemos
  3275. jullie ruiken
    oléis
  3276. zij ruiken
    huelen
  3277. ik rook
    olí
  3278. jij rook
    oliste
  3279. hij/zij/u rook
    olió
  3280. wij roken
    olimos
  3281. jullie roken
    olisteis
  3282. zij roken
    olieron
  3283. ik zal ruiken
    oleré
  3284. jij zal ruiken
    olerás
  3285. hij/zij/u zal ruiken
    olerá
  3286. wij zullen ruiken
    oleremos
  3287. jullie zullen ruiken
    oleréis
  3288. zij zullen ruiken
    olerán
  3289. ik ben aan het ruiken
    estoy oliendo
  3290. jij bent aan het ruiken
    estás oliendo
  3291. hij/zij/u is aan het ruiken
    está oliendo
  3292. wij zijn aan het ruiken
    estamos oliendo
  3293. jullie zijn aan het ruiken
    estáis oliendo
  3294. zij zijn aan het ruiken
    están oliendo
  3295. ik heb geroken
    he olido
  3296. jij hebt geroken
    has olido
  3297. hij/zij/u heeft geroken
    ha olido
  3298. wij hebben geroken
    hemos olido
  3299. jullie hebben geroken
    habéis olido
  3300. zij hebben geroken
    han olido
  3301. ik neem mee
    traigo
  3302. jij neemt mee
    traes
  3303. hij/zij/u neemt mee
    trae
  3304. wij nemen mee
    traemos
  3305. jullie nemen mee
    traéis
  3306. zij nemen mee
    traen
  3307. ik nam mee
    traje
  3308. jij nam mee
    trajiste
  3309. hij/zij/u nam mee
    trajo
  3310. wij namen mee
    trajimos
  3311. jullie namen mee
    trajisteis
  3312. zij namen mee
    trajeron
  3313. ik zal meenemen
    traeré
  3314. jij zal meenemen
    traerás
  3315. hij/zij/u zal meenemen
    traerá
  3316. wij zullen meenemen
    traeremos
  3317. jullie zullen meenemen
    traeréis
  3318. zij zullen meenemen
    traerán
  3319. ik ben aan het meenemen
    estoy trayendo
  3320. jij bent aan het meenemen
    estás trayendo
  3321. hij/zij/u is aan het meenemen
    está trayendo
  3322. wij zijn aan het meenemen
    estamos trayendo
  3323. jullie zijn aan het meenemen
    estáis trayendo
  3324. zij zijn aan het meenemen
    están trayendo
  3325. ik heb meegenomen
    he traído
  3326. jij hebt meegenomen
    has traído
  3327. hij/zij/u heeft meegenomen
    ha traído
  3328. wij hebben meegenomen
    hemos traído
  3329. jullie hebben meegenomen
    habéis traído
  3330. zij hebben meegenomen
    han traído
  3331. ik breng
    traigo
  3332. jij brengt
    traes
  3333. hij/zij/u brengt
    trae
  3334. wij brengen
    traemos
  3335. jullie brengen
    traéis
  3336. zij brengen
    traen
  3337. ik bracht
    traje
  3338. jij bracht
    trajiste
  3339. hij/zij/u bracht
    trajo
  3340. wij brachten
    trajimos
  3341. jullie brachten
    trajisteis
  3342. zij brachten
    trajeron
  3343. ik zal brengen
    traeré
  3344. jij zal brengen
    traerás
  3345. hij/zij/u zal brengen
    traerá
  3346. wij zullen brengen
    traeremos
  3347. jullie zullen brengen
    traeréis
  3348. zij zullen brengen
    traerán
  3349. ik ben aan het brengen
    estoy trayendo
  3350. jij bent aan het brengen
    estás trayendo
  3351. hij/zij/u is aan het brengen
    está trayendo
  3352. wij zijn aan het brengen
    estamos trayendo
  3353. jullie zijn aan het brengen
    estáis trayendo
  3354. zij zijn aan het brengen
    están trayendo
  3355. ik heb gebracht
    he traído
  3356. jij hebt gebracht
    has traído
  3357. hij/zij/u heeft gebracht
    ha traído
  3358. wij hebben gebracht
    hemos traído
  3359. jullie hebben gebracht
    habéis traído
  3360. zij hebben gebracht
    han traído
  3361. ik bedek
    cubro
  3362. jij bedekt
    cubres
  3363. hij/zij/u bedekt
    cubre
  3364. wij bedekken
    cubrimos
  3365. jullie bedekken
    cubrís
  3366. zij bedekken
    cubren
  3367. ik bedekte
    cubrí
  3368. jij bedekte
    cubriste
  3369. hij/zij/u bedekte
    cubrió
  3370. wij bedekten
    cubrimos
  3371. jullie bedekten
    cubristeis
  3372. zij bedekten
    cubrieron
  3373. ik zal bedekken
    cubriré
  3374. jij zal bedekken
    cubrirás
  3375. hij/zij/u zal bedekken
    cubrirá
  3376. wij zullen bedekken
    cubriremos
  3377. jullie zullen bedekken
    cubriréis
  3378. zij zullen bedekken
    cubrirán
  3379. ik ben aan het bedekken
    estoy cubriendo
  3380. jij bent aan het bedekken
    estás cubriendo
  3381. hij/zij/u is aan het bedekken
    está cubriendo
  3382. wij zijn aan het bedekken
    estamos cubriendo
  3383. jullie zijn aan het bedekken
    estáis cubriendo
  3384. zij zijn aan het bedekken
    están cubriendo
  3385. ik heb bedekt
    he cubierto
  3386. jij hebt bedekt
    has cubierto
  3387. hij/zij/u heeft bedekt
    ha cubierto
  3388. wij hebben bedekt
    hemos cubierto
  3389. jullie hebben bedekt
    habéis cubierto
  3390. zij hebben bedekt
    han cubierto
  3391. ik beschern
    cubro
  3392. jij beschermt
    cubres
  3393. hij/zij/u beschermt
    cubre
  3394. wij beschermen
    cubrimos
  3395. jullie beschermen
    cubrís
  3396. zij beschermen
    cubren
  3397. ik beschermde
    cubrí
  3398. jij beschermde
    cubriste
  3399. hij/zij/u beschermde
    cubrió
  3400. wij beschermden
    cubrimos
  3401. jullie beschermden
    cubristeis
  3402. zij beschermden
    cubrieron
  3403. ik zal beschermen
    cubriré
  3404. jij zal beschermen
    cubrirás
  3405. hij/zij/u zal beschermen
    cubrirá
  3406. wij zullen beschermen
    cubriremos
  3407. jullie zullen beschermen
    cubriréis
  3408. zij zullen beschermen
    cubrirán
  3409. ik ben aan het beschermen
    estoy cubriendo
  3410. jij bent aan het beschermen
    estás cubriendo
  3411. hij/zij/u is aan het beschermen
    está cubriendo
  3412. wij zijn aan het beschermen
    estamos cubriendo
  3413. jullie zijn aan het beschermen
    estáis cubriendo
  3414. zij zijn aan het beschermen
    están cubriendo
  3415. ik heb beschermd
    he cubierto
  3416. jij hebt beschermd
    has cubierto
  3417. hij/zij/u heeft beschermd
    ha cubierto
  3418. wij hebben beschermd
    hemos cubierto
  3419. jullie hebben beschermd
    habéis cubierto
  3420. zij hebben beschermd
    han cubierto
  3421. ik beschrijf
    describo
  3422. jij beschrijft
    describes
  3423. hij/zij/u beschrijft
    describe
  3424. wij beschrijven
    describimos
  3425. jullie beschrijven
    describís
  3426. zij beschrijven
    describen
  3427. ik beschreef
    describí
  3428. jij beschreef
    describiste
  3429. hij/zij/u beschreef
    describió
  3430. wij beschreven
    describimos
  3431. jullie beschreven
    describisteis
  3432. zij beschreven
    describieron
  3433. ik zal beschrijven
    describiré
  3434. jij zal beschrijven
    describirás
  3435. hij/zij/u zal beschrijven
    describirá
  3436. wij zullen beschrijven
    describiremos
  3437. jullie zullen beschrijven
    describiréis
  3438. zij zullen beschrijven
    describirán
  3439. ik ben aan het beschrijven
    estoy describiendo
  3440. jij bent aan het beschrijven
    estás describiendo
  3441. hij/zij/u is aan het beschrijven
    está describiendo
  3442. wij zijn aan het beschrijven
    estamos describiendo
  3443. jullie zijn aan het beschrijven
    estáis describiendo
  3444. zij zijn aan het beschrijven
    están describiendo
  3445. ik heb beschreven
    he descrito
  3446. jij hebt beschreven
    has descrito
  3447. hij/zij/u heeft beschreven
    ha descrito
  3448. wij hebben beschreven
    hemos descrito
  3449. jullie hebben beschreven
    habéis descrito
  3450. zij hebben beschreven
    han descrito
  3451. ik heb aan (van kleding)
    visto
  3452. jij hebt aan (van kleding)
    vistes
  3453. hij/zij/u hebt aan (van kleding)
    viste
  3454. wij hebben aan (van kleding)
    vestimos
  3455. jullie hebben aan (van kleding)
    vestís
  3456. zij hebben aan (van kleding)
    visten
  3457. ik had aan (van kleding)
    vestí
  3458. jij had aan (van kleding)
    vestiste
  3459. hij/zij/u had aan (van kleding)
    vistió
  3460. wij hadden aan (van kleding)
    vestimos
  3461. jullie hadden aan (van kleding)
    vestisteis
  3462. zij hadden aan (van kleding)
    vistieron
  3463. ik zal aan hebben (van kleding)
    vestiré
  3464. jij zal aan hebben (van kleding)
    vestirás
  3465. hij/zij/u zal aan hebben (van kleding)
    vestirá
  3466. wij zullen aan hebben (van kleding)
    vestiremos
  3467. jullie zullen aan hebben (van kleding)
    vestiréis
  3468. zij zullen aan hebben (van kleding)
    vestirán
  3469. ik ben aan het aan hebben (van kleding)
    estoy vistiendo
  3470. jij bent aan het aan hebben (van kleding)
    estás vistiendo
  3471. hij/zij/u is aan het aan hebben (van kleding)
    está vistiendo
  3472. wij zijn aan het aan hebben (van kleding)
    estamos vistiendo
  3473. jullie zijn aan het aan hebben (van kleding)
    estáis vistiendo
  3474. zij zijn aan het aan hebben (van kleding)
    están vistiendo
  3475. ik heb aangehad (van kleding)
    he vestido
  3476. jij hebt aangehad (van kleding)
    has vestido
  3477. hij/zij/u heeft aangehad (van kleding)
    ha vestido
  3478. wij hebben aangehad (van kleding)
    hemos vestido
  3479. jullie hebben aangehad (van kleding)
    habéis vestido
  3480. zij hebben aangehad (van kleding)
    han vestido
  3481. ik verlaat
    dejo
  3482. jij verlaat
    dejas
  3483. hij/zij/u verlaat
    deja
  3484. wij verlaten
    dejamos
  3485. jullie verlaten
    dejáis
  3486. zij verlaten
    dejan
  3487. ik verliet
    dejé
  3488. jij verliet
    dejaste
  3489. hij/zij/u verliet
    dejó
  3490. wij verlieten
    dejamos
  3491. jullie verlieten
    dejasteis
  3492. zij verlieten
    dejaron
  3493. ik zal verlaten
    dejaré
  3494. jij zal verlaten
    dejarás
  3495. hij/zij/u zal verlaten
    dejará
  3496. wij zullen verlaten
    dejaremos
  3497. jullie zullen verlaten
    dejaréis
  3498. zij zullen verlaten
    dejarán
  3499. ik ben aan het verlaten
    estoy dejando
  3500. jij bent aan het verlaten
    estás dejando
  3501. hij/zij/u is aan het verlaten
    está dejando
  3502. wij zijn aan het verlaten
    estamos dejando
  3503. jullie zijn aan het verlaten
    estáis dejando
  3504. zij zijn aan het verlaten
    están dejando
  3505. ik heb verlaten
    he dejado
  3506. jij hebt verlaten
    has dejado
  3507. hij/zij/u heeft verlaten
    ha dejado
  3508. wij hebben verlaten
    hemos dejado
  3509. jullie hebben verlaten
    habéis dejado
  3510. zij hebben verlaten
    han dejado
  3511. ik laat achter
    dejo
  3512. jij laat achter
    dejas
  3513. hij/zij/u laat achter
    deja
  3514. wij laten achter
    dejamos
  3515. jullie laten achter
    dejáis
  3516. zij laten achter
    dejan
  3517. ik liet achter
    dejé
  3518. jij liet achter
    dejaste
  3519. hij/zij/u liet achter
    dejó
  3520. wij lieten achter
    dejamos
  3521. jullie lieten achter
    dejasteis
  3522. zij lieten achter
    dejaron
  3523. ik zal achterlaten
    dejaré
  3524. jij zal achterlaten
    dejarás
  3525. hij/zij/u zal achterlaten
    dejará
  3526. wij zullen achterlaten
    dejaremos
  3527. jullie zullen achterlaten
    dejaréis
  3528. zij zullen achterlaten
    dejarán
  3529. ik ben aan het achterlaten
    estoy dejando
  3530. jij bent aan het achterlaten
    estás dejando
  3531. hij/zij/u is aan het achterlaten
    está dejando
  3532. wij zijn aan het achterlaten
    estamos dejando
  3533. jullie zijn aan het achterlaten
    estáis dejando
  3534. zij zijn aan het achterlaten
    están dejando
  3535. ik heb achtergelaten
    he dejado
  3536. jij hebt achtergelaten
    has dejado
  3537. hij/zij/u heeft achtergelaten
    ha dejado
  3538. wij hebben achtergelaten
    hemos dejado
  3539. jullie hebben achtergelaten
    habéis dejado
  3540. zij hebben achtergelaten
    han dejado
  3541. ik verberg
    escondo
  3542. jij verbergt
    escondes
  3543. hij/zij/u verbergt
    esconde
  3544. wij verbergen
    escondemos
  3545. jullie verbergen
    escondéis
  3546. zij verbergen
    esconden
  3547. ik verborg
    escondí
  3548. jij verborg
    escondiste
  3549. hij/zij/u verborg
    escondió
  3550. wij verborgen
    escondimos
  3551. jullie verborgen
    escondisteis
  3552. zij verborgen
    escondieron
  3553. ik zal verbergen
    esconderé
  3554. jij zal verbergen
    esconderás
  3555. hij/zij/u zal verbergen
    esconderá
  3556. wij zullen verbergen
    esconderemos
  3557. jullie zullen verbergen
    esconderéis
  3558. zij zullen verbergen
    esconderán
  3559. ik ben aan het verbergen
    estoy escondiendo
  3560. jij bent aan het verbergen
    estás escondiendo
  3561. hij/zij/u is aan het verbergen
    está escondiendo
  3562. wij zijn aan het verbergen
    estamos escondiendo
  3563. jullie zijn aan het verbergen
    estáis escondiendo
  3564. zij zijn aan het verbergen
    están escondiendo
  3565. ik heb verborgen
    he escondido
  3566. jij hebt verborgen
    has escondido
  3567. hij/zij/u heeft verborgen
    ha escondido
  3568. wij hebben verborgen
    hemos escondido
  3569. jullie hebben verborgen
    habéis escondido
  3570. zij hebben verborgen
    han escondido
  3571. ik vul in (formulier)
    relleno
  3572. jij vult in (formulier)
    rellenas
  3573. hij/zij/u vult in (formulier)
    rellena
  3574. wij vullen in (formulier)
    rellenamos
  3575. jullie vullen in (formulier)
    rellenáis
  3576. zij vullen in (formulier)
    rellenan
  3577. ik vulde in (formulier)
    rellené
  3578. jij vulde in (formulier)
    rellenaste
  3579. hij/zij/u vulde in (formulier)
    rellenó
  3580. wij vulden in (formulier)
    rellenamos
  3581. jullie vulden in (formulier)
    rellenasteis
  3582. zij vulden in (formulier)
    rellenaron
  3583. ik zal invullen (formulier)
    rellenaré
  3584. jij zal invullen (formulier)
    rellenarás
  3585. hij/zij/u zal invullen (formulier)
    rellenará
  3586. wij zullen invullen (formulier)
    rellenaremos
  3587. jullie zullen invullen (formulier)
    rellenaréis
  3588. zij zullen invullen (formulier)
    rellenarán
  3589. ik ben aan het invullen (formulier)
    estoy rellenando
  3590. jij bent aan het invullen (formulier)
    estás rellenando
  3591. hij/zij/u is aan het invullen (formulier)
    está rellenando
  3592. wij zijn aan het invullen (formulier)
    estamos rellenando
  3593. jullie zijn aan het invullen (formulier)
    estáis rellenando
  3594. zij zijn aan het invullen (formulier)
    están rellenando
  3595. ik heb ingevuld (formulier)
    he rellenado
  3596. jij hebt ingevuld (formulier)
    has rellenado
  3597. hij/zij/u heeft ingevuld (formulier)
    ha rellenado
  3598. wij hebben ingevuld (formulier)
    hemos rellenado
  3599. jullie hebben ingevuld (formulier)
    habéis rellenado
  3600. zij hebben ingevuld (formulier)
    han rellenado
  3601. ik spaar
    ahorro
  3602. jij spaart
    ahorras
  3603. hij/zij/u spaart
    ahorra
  3604. wij sparen
    ahorramos
  3605. jullie sparen
    ahorráis
  3606. zij sparen
    ahorran
  3607. ik spaarde
    ahorré
  3608. jij spaarde
    ahorraste
  3609. hij/zij/u spaarde
    ahorró
  3610. wij spaarden
    ahorramos
  3611. jullie spaarden
    ahorrasteis
  3612. zij spaarden
    ahorraron
  3613. ik zal sparen
    ahorraré
  3614. jij zal sparen
    ahorrarás
  3615. hij/zij/u zal sparen
    ahorrará
  3616. wij zullen sparen
    ahorraremos
  3617. jullie zullen sparen
    ahorraréis
  3618. zij zullen sparen
    ahorrarán
  3619. ik ben aan het sparen
    estoy ahorrando
  3620. jij bent aan het sparen
    estás ahorrando
  3621. hij/zij/u is aan het sparen
    está ahorrando
  3622. wij zijn aan het sparen
    estamos ahorrando
  3623. jullie zijn aan het sparen
    estáis ahorrando
  3624. zij zijn aan het sparen
    están ahorrando
  3625. ik heb gespaard
    he ahorrado
  3626. jij hebt gespaard
    has ahorrado
  3627. hij/zij/u heeft gespaard
    ha ahorrado
  3628. wij hebben gespaard
    hemos ahorrado
  3629. jullie hebben gespaard
    habéis ahorrado
  3630. zij hebben gespaard
    han ahorrado
  3631. ik koop
    compro
  3632. jij koopt
    compras
  3633. hij/zij/u koopt
    compra
  3634. wij kopen
    compramos
  3635. jullie kopen
    compráis
  3636. zij kopen
    compran
  3637. ik kocht
    compré
  3638. jij kocht
    compraste
  3639. hij/zij/u kocht
    compró
  3640. wij kochten
    compramos
  3641. jullie kochten
    comprasteis
  3642. zij kochten
    compraron
  3643. ik zal kopen
    compraré
  3644. jij zal kopen
    comprarás
  3645. hij/zij/u zal kopen
    comprará
  3646. wij zullen kopen
    compraremos
  3647. jullie zullen kopen
    compraréis
  3648. zij zullen kopen
    comprarán
  3649. ik ben aan het kopen
    estoy comprando
  3650. jij bent aan het kopen
    estás comprando
  3651. hij/zij/u is aan het kopen
    está comprando
  3652. wij zijn aan het kopen
    estamos comprando
  3653. jullie zijn aan het kopen
    estáis comprando
  3654. zij zijn aan het kopen
    están comprando
  3655. ik heb gekocht
    he comprado
  3656. jij hebt gekocht
    has comprado
  3657. hij/zij/u heeft gekocht
    ha comprado
  3658. wij hebben gekocht
    hemos comprado
  3659. jullie hebben gekocht
    habéis comprado
  3660. zij hebben gekocht
    han comprado
  3661. ik begeleid
    acompaño
  3662. jij begeleidt
    acompañas
  3663. hij/zij/u begeleidt
    acompaña
  3664. wij begeleiden
    acompañamos
  3665. jullie begeleiden
    acompañáis
  3666. zij begeleiden
    acompañan
  3667. ik begeleidde
    acompañé
  3668. jij begeleidde
    acompañaste
  3669. hij/zij/u begeleidde
    acompañó
  3670. wij begeleidden
    acompañamos
  3671. jullie begeleidden
    acompañasteis
  3672. zij begeleidden
    acompañaron
  3673. ik zal begeleiden
    acompañaré
  3674. jij zal begeleiden
    acompañarás
  3675. hij/zij/u zal begeleiden
    acompañará
  3676. wij zullen begeleiden
    acompañaremos
  3677. jullie zullen begeleiden
    acompañaréis
  3678. zij zullen begeleiden
    acompañarán
  3679. ik ben aan het begeleiden
    estoy acompañando
  3680. jij bent aan het begeleiden
    estás acompañando
  3681. hij/zij/u is aan het begeleiden
    está acompañando
  3682. wij zijn aan het begeleiden
    estamos acompañando
  3683. jullie zijn aan het begeleiden
    estáis acompañando
  3684. zij zijn aan het begeleiden
    están acompañando
  3685. ik heb begeleid
    he acompañado
  3686. jij hebt begeleid
    has acompañado
  3687. hij/zij/u heeft begeleid
    ha acompañado
  3688. wij hebben begeleid
    hemos acompañado
  3689. jullie hebben begeleid
    habéis acompañado
  3690. zij hebben begeleid
    han acompañado
  3691. ik verkrijg
    consigo
  3692. jij verkrijgt
    consigues
  3693. hij/zij/u verkrijgt
    consigue
  3694. wij verkrijgen
    conseguimos
  3695. jullie verkrijgen
    conseguís
  3696. zij verkrijgen
    consiguen
  3697. ik verkreeg
    conseguí
  3698. jij verkreeg
    conseguiste
  3699. hij/zij/u verkreeg
    consiguió
  3700. wij verkregen
    conseguimos
  3701. jullie verkregen
    conseguisteis
  3702. zij verkregen
    consiguieron
  3703. ik zal verkrijgen
    conseguiré
  3704. jij zal verkrijgen
    conseguirás
  3705. hij/zij/u zal verkrijgen
    conseguirá
  3706. wij zullen verkrijgen
    conseguiremos
  3707. jullie zullen verkrijgen
    conseguiréis
  3708. zij zullen verkrijgen
    conseguirán
  3709. ik ben aan het verkrijgen
    estoy consiguiendo
  3710. jij bent aan het verkrijgen
    estás consiguiendo
  3711. hij/zij/u is aan het verkrijgen
    está consiguiendo
  3712. wij zijn aan het verkrijgen
    estamos consiguiendo
  3713. jullie zijn aan het verkrijgen
    estáis consiguiendo
  3714. zij zijn aan het verkrijgen
    están consiguiendo
  3715. ik heb verkregen
    he conseguido
  3716. jij hebt verkregen
    has conseguido
  3717. hij/zij/u heeft verkregen
    ha conseguido
  3718. wij hebben verkregen
    hemos conseguido
  3719. jullie hebben verkregen
    habéis conseguido
  3720. zij hebben verkregen
    han conseguido
  3721. ik parkeer
    aparco
  3722. jij parkeert
    aparcas
  3723. hij/zij/u parkeert
    aparca
  3724. wij parkeren
    aparcamos
  3725. jullie parkeren
    aparcáis
  3726. zij parkeren
    aparcan
  3727. ik parkeerde
    aparqué
  3728. jij parkeerde
    aparcaste
  3729. hij/zij/u parkeerde
    aparcó
  3730. wij parkeerden
    aparcamos
  3731. jullie parkeerden
    aparcasteis
  3732. zij parkeerden
    aparcaron
  3733. ik zal parkeren
    aparcaré
  3734. jij zal parkeren
    aparcarás
  3735. hij/zij/u zal parkeren
    aparcará
  3736. wij zullen parkeren
    aparcaremos
  3737. jullie zullen parkeren
    aparcaréis
  3738. zij zullen parkeren
    aparcarán
  3739. ik ben aan het parkeren
    estoy aparcando
  3740. jij bent aan het parkeren
    estás aparcando
  3741. hij/zij/u is aan het parkeren
    está aparcando
  3742. wij zijn aan het parkeren
    estamos aparcando
  3743. jullie zijn aan het parkeren
    estáis aparcando
  3744. zij zijn aan het parkeren
    están aparcando
  3745. ik heb geparkeerd
    he aparcado
  3746. jij hebt geparkeerd
    has aparcado
  3747. hij/zij/u heeft geparkeerd
    ha aparcado
  3748. wij hebben geparkeerd
    hemos aparcado
  3749. jullie hebben geparkeerd
    habéis aparcado
  3750. zij hebben geparkeerd
    han aparcado
  3751. ik val
    caigo
  3752. jij valt
    caes
  3753. hij/zij/u valt
    cae
  3754. wij vallen
    caemos
  3755. jullie vallen
    caéis
  3756. zij vallen
    caen
  3757. ik viel
    caí
  3758. jij viel
    caíste
  3759. hij/zij/u viel
    cayó
  3760. wij vielen
    caímos
  3761. jullie vielen
    caísteis
  3762. zij vielen
    cayeron
  3763. ik zal vallen
    caeré
  3764. jij zal vallen
    caerás
  3765. hij/zij/u zal vallen
    caerá
  3766. wij zullen vallen
    caeremos
  3767. jullie zullen vallen
    caeréis
  3768. zij zullen vallen
    caerán
  3769. ik ben aan het vallen
    estoy cayendo
  3770. jij bent aan het vallen
    estás cayendo
  3771. hij/zij/u is aan het vallen
    está cayendo
  3772. wij zijn aan het vallen
    estamos cayendo
  3773. jullie zijn aan het vallen
    estáis cayendo
  3774. zij zijn aan het vallen
    están cayendo
  3775. ik ben gevallen
    he caído
  3776. jij bent gevallen
    has caído
  3777. hij/zij/u is gevallen
    ha caído
  3778. wij zijn gevallen
    hemos caído
  3779. jullie zijn gevallen
    habéis caído
  3780. zij zijn gevallen
    han caído
  3781. ik hoor
    oigo
  3782. jij hoort
    oyes
  3783. hij/zij/u hoort
    oye
  3784. wij horen
    oímos
  3785. jullie horen
    oís
  3786. zij horen
    oyen
  3787. ik hoorde
  3788. jij hoorde
    oíste
  3789. hij/zij/u hoorde
    oyó
  3790. wij hoorden
    oímos
  3791. jullie hoorden
    oísteis
  3792. zij hoorden
    oyeron
  3793. ik zal horen
    oiré
  3794. jij zal horen
    oirás
  3795. hij/zij/u zal horen
    oirá
  3796. wij zullen horen
    oiremos
  3797. jullie zullen horen
    oiréis
  3798. zij zullen horen
    oirán
  3799. ik ben aan het horen
    estoy oyendo
  3800. jij bent aan het horen
    estás oyendo
  3801. hij/zij/u is aan het horen
    está oyendo
  3802. wij zijn aan het horen
    estamos oyendo
  3803. jullie zijn aan het horen
    estáis oyendo
  3804. zij zijn aan het horen
    están oyendo
  3805. ik heb gehoord
    he oído
  3806. jij hebt gehoord
    has oído
  3807. hij/zij/u heeft gehoord
    ha oído
  3808. wij hebben gehoord
    hemos oído
  3809. jullie hebben gehoord
    habéis oído
  3810. zij hebben gehoord
    han oído
  3811. ik ken
    conozco
  3812. jij kent
    conoces
  3813. hij/zij/u kent
    conoce
  3814. wij kennen
    conocemos
  3815. jullie kennen
    conocéis
  3816. zij kennen
    conocen
  3817. ik kende
    conocí
  3818. jij kende
    conociste
  3819. hij/zij/u kende
    conoció
  3820. wij kenden
    conocimos
  3821. jullie kenden
    conocisteis
  3822. zij kenden
    conocieron
  3823. ik zal kennen
    conoceré
  3824. jij zal kennen
    conocerás
  3825. hij/zij/u zal kennen
    conocerá
  3826. wij zullen kennen
    conoceremos
  3827. jullie zullen kennen
    conoceréis
  3828. zij zullen kennen
    conocerán
  3829. ik ben aan het kennen
    estoy conociendo
  3830. jij bent aan het kennen
    estás conociendo
  3831. hij/zij/u is aan het kennen
    está conociendo
  3832. wij zijn aan het kennen
    estamos conociendo
  3833. jullie zijn aan het kennen
    estáis conociendo
  3834. zij zijn aan het kennen
    están conociendo
  3835. ik heb gekend
    he conocido
  3836. jij hebt gekend
    has conocido
  3837. hij/zij/u heeft gekend
    ha conocido
  3838. wij hebben gekend
    hemos conocido
  3839. jullie hebben gekend
    habéis conocido
  3840. zij hebben gekend
    han conocido
  3841. ik lijk
    parezco
  3842. jij lijkt
    pareces
  3843. hij/zij/u lijkt
    parece
  3844. wij lijken
    parecemos
  3845. jullie lijken
    parecéis
  3846. zij lijken
    parecen
  3847. ik leek
    parecí
  3848. jij leek
    pareciste
  3849. hij/zij/u leek
    pareció
  3850. wij leken
    parecimos
  3851. jullie leken
    parecisteis
  3852. zij leken
    parecieron
  3853. ik zal lijken
    pareceré
  3854. jij zal lijken
    parecerás
  3855. hij/zij/u zal lijken
    parecerá
  3856. wij zullen lijken
    pareceremos
  3857. jullie zullen lijken
    pareceréis
  3858. zij zullen lijken
    parecerán
  3859. ik ben aan het lijken
    estoy pareciendo
  3860. jij bent aan het lijken
    estás pareciendo
  3861. hij/zij/u is aan het lijken
    está pareciendo
  3862. wij zijn aan het lijken
    estamos pareciendo
  3863. jullie zijn aan het lijken
    estáis pareciendo
  3864. zij zijn aan het lijken
    están pareciendo
  3865. ik heb geleken
    he parecido
  3866. jij hebt geleken
    has parecido
  3867. hij/zij/u heeft geleken
    ha parecido
  3868. wij hebben geleken
    hemos parecido
  3869. jullie hebben geleken
    habéis parecido
  3870. zij hebben geleken
    han parecido
  3871. ik beveel aan
    recomiendo
  3872. jij beveelt aan
    recomiendas
  3873. hij/zij/u beveelt aan
    recomienda
  3874. wij bevelen aan
    recomendamos
  3875. jullie bevelen aan
    recomendáis
  3876. zij bevelen aan
    recomiendan
  3877. ik beveelde aan
    recomendé
  3878. jij beveelde aan
    recomendaste
  3879. hij/zij/u beveelde aan
    recomendó
  3880. wij beveelden aan
    recomendamos
  3881. jullie beveelden aan
    recomendasteis
  3882. zij beveelden aan
    recomendaron
  3883. ik zal aanbevelen
    recomendaré
  3884. jij zal aanbevelen
    recomendarás
  3885. hij/zij/u zal aanbevelen
    recomendará
  3886. wij zullen aanbevelen
    recomendaremos
  3887. jullie zullen aanbevelen
    recomendaréis
  3888. zij zullen aanbevelen
    recomendarán
  3889. ik ben aan het aanbevelen
    estoy recomendando
  3890. jij bent aan het aanbevelen
    estás recomendando
  3891. hij/zij/u is aan het aanbevelen
    está recomendando
  3892. wij zijn aan het aanbevelen
    estamos recomendando
  3893. jullie zijn aan het aanbevelen
    estáis recomendando
  3894. zij zijn aan het aanbevelen
    están recomendando
  3895. ik heb aanbevolen
    he recomendado
  3896. jij hebt aanbevolen
    has recomendado
  3897. hij/zij/u heeft aanbevolen
    ha recomendado
  3898. wij hebben aanbevolen
    hemos recomendado
  3899. jullie hebben aanbevolen
    habéis recomendado
  3900. zij hebben aanbevolen
    han recomendado
  3901. ik heb lief
    amo
  3902. jij hebt lief
    amas
  3903. hij/zij/u hebt lief
    ama
  3904. wij hebben lief
    amamos
  3905. jullie hebben lief
    amáis
  3906. zij hebben lief
    aman
  3907. ik had lief
    amé
  3908. jij had lief
    amaste
  3909. hij/zij/u had lief
    amó
  3910. wij hadden lief
    amamos
  3911. jullie hadden lief
    amasteis
  3912. zij hadden lief
    amaron
  3913. ik zal liefhebben
    amaré
  3914. jij zal liefhebben
    amarás
  3915. hij/zij/u zal liefhebben
    amará
  3916. wij zullen liefhebben
    amaremos
  3917. jullie zullen liefhebben
    amaréis
  3918. zij zullen liefhebben
    amarán
  3919. ik ben aan het liefhebben
    estoy amando
  3920. jij bent aan het liefhebben
    estás amando
  3921. hij/zij/u is aan het liefhebben
    está amando
  3922. wij zijn aan het liefhebben
    estamos amando
  3923. jullie zijn aan het liefhebben
    estáis amando
  3924. zij zijn aan het liefhebben
    están amando
  3925. ik heb lief gehad
    he amado
  3926. jij hebt lief gehad
    has amado
  3927. hij/zij/u heeft lief gehad
    ha amado
  3928. wij hebben lief gehad
    hemos amado
  3929. jullie hebben lief gehad
    habéis amado
  3930. zij hebben lief gehad
    han amado
  3931. ik groei
    crezco
  3932. jij groeit
    creces
  3933. hij/zij/u groeit
    crece
  3934. wij groeien
    crecemos
  3935. jullie groeien
    crecéis
  3936. zij groeien
    crecen
  3937. ik groeide
    crecí
  3938. jij groeide
    creciste
  3939. hij/zij/u groeide
    creció
  3940. wij groeiden
    crecimos
  3941. jullie groeiden
    crecisteis
  3942. zij groeiden
    crecieron
  3943. ik zal groeien
    creceré
  3944. jij zal groeien
    crecerás
  3945. hij/zij/u zal groeien
    crecerá
  3946. wij zullen groeien
    creceremos
  3947. jullie zullen groeien
    creceréis
  3948. zij zullen groeien
    crecerán
  3949. ik ben aan het groeien
    estoy creciendo
  3950. jij bent aan het groeien
    estás creciendo
  3951. hij/zij/u is aan het groeien
    está creciendo
  3952. wij zijn aan het groeien
    estamos creciendo
  3953. jullie zijn aan het groeien
    estáis creciendo
  3954. zij zijn aan het groeien
    están creciendo
  3955. ik ben gegroeid
    he crecido
  3956. jij bent gegroeid
    has crecido
  3957. hij/zij/u is gegroeid
    ha crecido
  3958. wij zijn gegroeid
    hemos crecido
  3959. jullie zijn gegroeid
    habéis crecido
  3960. zij zijn gegroeid
    han crecido
  3961. ik houd op
    abandono
  3962. jij houdt op
    abandonas
  3963. hij/zij/u houdt op
    abandona
  3964. wij houden op
    abandonamos
  3965. jullie houden op
    abandonáis
  3966. zij houden op
    abandonan
  3967. ik hield op
    abandoné
  3968. jij hield op
    abandonaste
  3969. hij/zij/u hield op
    abandonó
  3970. wij hielden op
    abandonamos
  3971. jullie hielden op
    abandonasteis
  3972. zij hielden op
    abandonaron
  3973. ik zal ophouden
    abandonaré
  3974. jij zal ophouden
    abandonarás
  3975. hij/zij/u zal ophouden
    abandonará
  3976. wij zullen ophouden
    abandonaremos
  3977. jullie zullen ophouden
    abandonaréis
  3978. zij zullen ophouden
    abandonarán
  3979. ik ben aan het ophouden
    estoy abandonando
  3980. jij bent aan het ophouden
    estás abandonando
  3981. hij/zij/u is aan het ophouden
    está abandonando
  3982. wij zijn aan het ophouden
    estamos abandonando
  3983. jullie zijn aan het ophouden
    estáis abandonando
  3984. zij zijn aan het ophouden
    están abandonando
  3985. ik ben opgehouden
    he abandonado
  3986. jij bent opgehouden
    has abandonado
  3987. hij/zij/u is opgehouden
    ha abandonado
  3988. wij zijn opgehouden
    hemos abandonado
  3989. jullie zijn opgehouden
    habéis abandonado
  3990. zij zijn opgehouden
    han abandonado
  3991. ik geef op
    abandono
  3992. jij geeft op
    abandonas
  3993. hij/zij/u geeft op
    abandona
  3994. wij geven op
    abandonamos
  3995. jullie geven op
    abandonáis
  3996. zij geven op
    abandonan
  3997. ik gaf op
    abandoné
  3998. jij gaf op
    abandonaste
  3999. hij/zij/u gaf op
    abandonó
  4000. wij gaven op
    abandonamos
  4001. jullie gaven op
    abandonasteis
  4002. zij gaven op
    abandonaron
  4003. ik zal opgeven
    abandonaré
  4004. jij zal opgeven
    abandonarás
  4005. hij/zij/u zal opgeven
    abandonará
  4006. wij zullen opgeven
    abandonaremos
  4007. jullie zullen opgeven
    abandonaréis
  4008. zij zullen opgeven
    abandonarán
  4009. ik ben aan het opgeven
    estoy abandonando
  4010. jij bent aan het opgeven
    estás abandonando
  4011. hij/zij/u is aan het opgeven
    está abandonando
  4012. wij zijn aan het opgeven
    estamos abandonando
  4013. jullie zijn aan het opgeven
    estáis abandonando
  4014. zij zijn aan het opgeven
    están abandonando
  4015. ik heb opgegeven
    he abandonado
  4016. jij hebt opgegeven
    has abandonado
  4017. hij/zij/u heeft opgegeven
    ha abandonado
  4018. wij hebben opgegeven
    hemos abandonado
  4019. jullie hebben opgegeven
    habéis abandonado
  4020. zij hebben opgegeven
    han abandonado
  4021. ik negeer
    niego
  4022. jij negeert
    niegas
  4023. hij/zij/u negeert
    niega
  4024. wij negeren
    negamos
  4025. jullie negeren
    negáis
  4026. zij negeren
    niegan
  4027. ik negeerde
    negué
  4028. jij negeerde
    negaste
  4029. hij/zij/u negeerde
    negó
  4030. wij negeerden
    negamos
  4031. jullie negeerden
    negasteis
  4032. zij negeerden
    negaron
  4033. ik zal negeren
    negaré
  4034. jij zal negeren
    negarás
  4035. hij/zij/u zal negeren
    negará
  4036. wij zullen negeren
    negaremos
  4037. jullie zullen negeren
    negaréis
  4038. zij zullen negeren
    negarán
  4039. ik ben aan het negeren
    estoy negando
  4040. jij bent aan het negeren
    estás negando
  4041. hij/zij/u is aan het negeren
    está negando
  4042. wij zijn aan het negeren
    estamos negando
  4043. jullie zijn aan het negeren
    estáis negando
  4044. zij zijn aan het negeren
    están negando
  4045. ik heb genegeerd
    he negado
  4046. jij hebt genegeerd
    has negado
  4047. hij/zij/u heeft genegeerd
    ha negado
  4048. wij hebben genegeerd
    hemos negado
  4049. jullie hebben genegeerd
    habéis negado
  4050. zij hebben genegeerd
    han negado
  4051. ik ontken
    niego
  4052. jij ontkent
    niegas
  4053. hij/zij/u ontkent
    niega
  4054. wij ontkennen
    negamos
  4055. jullie ontkennen
    negáis
  4056. zij ontkennen
    niegan
  4057. ik ontkende
    negué
  4058. jij ontkende
    negaste
  4059. hij/zij/u ontkende
    negó
  4060. wij ontkenden
    negamos
  4061. jullie ontkenden
    negasteis
  4062. zij ontkenden
    negaron
  4063. ik zal ontkennen
    negaré
  4064. jij zal ontkennen
    negarás
  4065. hij/zij/u zal ontkennen
    negará
  4066. wij zullen ontkennen
    negaremos
  4067. jullie zullen ontkennen
    negaréis
  4068. zij zullen ontkennen
    negarán
  4069. ik ben aan het ontkennen
    estoy negando
  4070. jij bent aan het ontkennen
    estás negando
  4071. hij/zij/u is aan het ontkennen
    está negando
  4072. wij zijn aan het ontkennen
    estamos negando
  4073. jullie zijn aan het ontkennen
    estáis negando
  4074. zij zijn aan het ontkennen
    están negando
  4075. ik heb ontkend
    he negado
  4076. jij hebt ontkend
    has negado
  4077. hij/zij/u heeft ontkend
    ha negado
  4078. wij hebben ontkend
    hemos negado
  4079. jullie hebben ontkend
    habéis negado
  4080. zij hebben ontkend
    han negado

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview