Dutch Lesson 2

Card Set Information

Author:
josique
ID:
185808
Filename:
Dutch Lesson 2
Updated:
2012-12-30 11:33:42
Tags:
Where do you live
Folders:

Description:
Where do you live?
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user josique on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Where do you live? (formal, singular)
    Waar woont u?
  2. actually
    eigenlijk
  3. no
    nee
  4. Where do you live (informal, singular)?
    Waar woon jij?
  5. to sit
    zitten
  6. to eat
    eten
  7. to meet
    ontmoeten
  8. the street
    de straat
  9. to look for
    zoeken
  10. the house
    het huis
  11. here
    hier
  12. on the left-hand side
    aan de linkerkant
  13. on the right-hand side
    aan de rechterkant
  14. thank you (informal)
    dank je wel
  15. thank you (formal)
    dank u wel
  16. to walk
    lopen
  17. good afternoon
    goedemiddag
  18. the store
    de winkel
  19. Peter's house
    het huis van Peter
  20. the museum
    het museum
  21. the hospital
    het ziekenhuis
  22. the swimming pool
    het zwembad
  23. the (railway) station
    het station
  24. the post office
    het poostkantor
  25. the park
    het park
  26. a party
    een feest
  27. the nurse
    de verpleegster
  28. the librarian
    de bibliothecaris
  29. the secretary
    de secretaresse
  30. the doctor
    de dokter
  31. to do
    doen
  32. a pizza
    een pizza
  33. an apple pie
    een appeltaart
  34. brengen
    to bring/take
  35. the beer
    het bier
  36. the wine
    de wijn
  37. to make
    maken
  38. the soup
    de soep
  39. the salad
    het slaatje
  40. an acquaintance
    een kennis
  41. a little girl
    een klein meisje
  42. to be called
    heten
  43. How are you? (general)
    Hoe gaat het?
  44. Hi! / Bye! (informal)
    Dag!
  45. Good morning
    Goedemorgen
  46. Good evening
    Goedenavond
  47. I'm excellent!
    Het gaat uitstekend!
  48. I'm good!
    Het gaat goed!
  49. Oh, I'm ok
    Ach, het gaat wel
  50. I'm not feeling so good
    Het gaat niet zo goed
  51. to have breakfast
    Ontbijten
  52. to leave
    Vertrekken
  53. the train
    De trein
  54. to come
    Komen
  55. to begin
    Beginnen
  56. the lesson, the class
    De les
  57. the office
    Het kantoor
  58. the course, class
    De cursus
  59. The building
    Het gebouw
  60. The course building
    Het cursusgebouw
  61. At
    Om
  62. The break, the interval
    De pauze
  63. The concert
    Het concert
  64. A bottle of wine
    Een fles wijn

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview