Annemiek

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
189939
Filename:
Annemiek
Updated:
2012-12-17 14:04:19
Tags:
Sociologie
Folders:

Description:
Sociologie kernen en belangrijkste theorieën
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Hoe luidt de dwanghypothese?
    • WELKE productiewijze een samenleving ook kent 
    • ELKE ongelijkheid in die samenleving        
    • Berust op EEN of ANDERE vorm van dwang 
    • Deze dwang leidt tot een BEPAALDE vorm van strijd    
    • En SOMS resulteert deze strijd in de afschaffing van de oude dwangmiddelen en het verdwijnen van de oude ongelijkheden  
    • En onder BEPAALDE omstandigheden tot de komst van gelijkheid
  2. Wie is de uitvinder van de dalingshypothese?
    • Karl Marx
    • Friedrich Engels
  3. Hoe luidt de dalingshypothese?
    • In samenlevingen waar niet alleen spierkracht en gereedschap productiemiddelen zijn maar tevens machines, en waar sommige personen  eigenaar van machines zijn (kapitaalbezitters), terwijl andere personen moeten leven van aanwending van hun arbeidskracht (arbeiders),
    • Dalen de arbeidslonen en stijgen de winsten van kapitaalbezitters, 
    • En wel doordat kapitaalbezitters dreigen met de vervanging van arbeidskracht door machines;
    • Tegen die dwang ontstaat gewelddadig verzet
    • En als veel arbeiders zich van die dwang bewust worden en zich aaneen sluiten, winnen ze deze gewelddadige strijd en wordt privé-eigendom van de productiemiddelen afgeschaft;
    • En als de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit worden, ontvangen mensen voortaan consumptiegoederen naar hun behoeften
  4. Wie is de uitvinder van de scholingshypothese?
    Bernstein
  5. Hoe luidt de scholingshypothese?
    • In kapitalistische samenlevingen zonder vrijheid van vereniging  en vergadering en zonder grondwet die aangeeft dat iedereen stemrecht voor een parlement heeft, die zegt dat ieders stem even zwaar weegt en die zegt dat  ministers aan dit parlement verantwoording zijn verschuldigd,
    • Worden de arbeiders niet absoluut, maar wel relatief armer;   
    • de arbeiders gaan er absoluut op vooruit doordat arbeid met de mechanisering van de productiewijze  geschoold raakt en kapitaalbezitters minder dwang op geschoolde dan op  ongeschoolde arbeiders kunnen uitoefenen; de arbeiders worden relatief armer  doordat scholing niet geheel de dwang teniet kan doen die kapitaalbezitters  uitoefenen;
    • onder deze omstandigheden wordt de strijd tussen arbeiders en kapitaalbezitters steeds meer een strijd om de uitbreiding van politieke rechten; die strijd is niet uitsluitend gewelddadig en heeft succes; naarmate de verworven politieke rechten ruimer zijn, wordt de strijd tussen arbeiders en kapitaalbezitters meer parlementair van aard, daarmee vreedzame vormen aannemend;
    • wanneer de arbeiders zich in vakbonden en partijen aaneensluiten, krijgen ze bij stapsgewijze  hervormingen allerlei sociale rechten,
    • terwijl door de invoering van sociale rechten de inkomens van arbeiders en kapitaalbezitters ook in  relatieve zin minder van elkaar gaan verschillen.
  6. Waar valt de scholingshypothese onder?
    • klassiek historisch materialisme
    • revisionistisch historisch materialisme
    • orthodox historisch materialisme
  7. Wat was de opvolger van het revisionistisch historisch materialisme?
    orthodox historisch materialisme
  8. Waaruit bestond het orthodox historisch materialisme?
    • kolonialismehypothese (Luxemburg)
    • wereldsysteemtheorie (Frank en Wallerstein)
    • mondialiseringshypothese (Klein)
  9. Hoe luidt de kolonialismehypothese?
    • Als kapitalistische samenlevingen koloniën hebben en aldus het moederland van een imperium zijn,
    • dan stijgen in de moederlanden de lonen van arbeiders in absolute, maar niet in relatieve zin, terwijl de  lonen van arbeiders in de koloniën in absolute zin dalen;
    • en wel doordat kapitaalbezitters meer dwang uitoefenen over de arbeiders in hun koloniale  ondernemingen, en met de daar gemaakte winsten de arbeiders in de moederlanden afkopen;  
    • het zoeken van moederlanden naar koloniën leidt tot oorlogen tussen de imperia,
    • en deze oorlogen leiden tot de ondergang van het kapitalisme.
  10. Hoe luidt de wereldsysteemtheorie?
    • In sommige kapitalistische landen bevinden zich de hoofdzetels van ondernemingen (het centrum van de kapitalistische wereldeconomie), in andere (de periferie) staan alleen  nevenvestigingen, waarbij veelal in de nevenvestigingen grondstoffen worden  gewonnen of verbouwd en in de hoofdzetels daaruit eindproducten worden  vervaardigd;
    • in het centrum stijgen de lonen absoluut en relatief, terwijl ze in de periferie relatief en absoluut dalen,
    • en wel doordat ondernemingen met de hoofdzetel in het centrum en nevenvestigingen in de periferie  (multinationals) meer dwang uitoefenen over arbeiders in de periferie dan  over arbeiders in het centrum;
    • hierdoor komen in de periferie gewelddadige bewegingen op tegen regeringen die multinationals niet aan banden leggen.
  11. Hoe luidt de mondialiseringshypothese?
    • In een wereld met vrijhandel in grondstoffen en eindproducten waarin wereldwijd in- en verkopende ondernemingen uit hoge-lonenlanden zich steeds meer toeleggen op  merkgoederen,
    • stijgt in hoge-lonenlanden de werkloosheid onder academici, dalen er in absolute zin de lonen voor ongeschoolde arbeid in de industrie en blijven in lage-lonenlanden deze lonen even laag als ze waren en de arbeidsomstandigheden even erbarmelijk,
    • en wel omdat mondiale ondernemingen arbeid in hoge-lonenlanden vervangen door arbeid in lage-loonlanden  en onderaannemers in lage-loonlanden tegen elkaar uitspelen;
    • tegen deze dwang wordt tijdens bijeenkomsten van de wereldhandelsorganisatie (WTO) en andere internationale organen betoogd door studenten uit hoge-lonenlanden,
    • en hoe meer deze studenten via het internet te weten komen van de leden van vakbonden in de landen met lage lonen over het optreden aldaar van onderaannemers en hoe meer deze studenten die kennis onderling uitwisselen,
    • des te sneller wordt de aardbol een wereld zonder kinderarbeid waarin de productie voldoet aan veiligheidseisen en werknemers minstens het wettelijk minimumloon ontvangen en tevens een wereld zonder logo's.
  12. Hoe luidt de centralisatiehypothese van Marx?
    • In kapitalistische samenlevingen
    • raakt de alsmaar groeiende hoeveelheid kapitaal bij steeds minder kapitaalbezitters geconcentreerd,
    • en wel doordat grote eigenaren de kleine eigenaren door prijsafbraak uit de markt drijven
  13. Hoe luidt de geen-stijgingshypothese van Marx?
    • In kapitalistische samenlevingen
    • zijn alle bewoners, wat de vrijheid van arbeid en het recht op privé-eigendom betreft, voor de wet gelijk; in feite echter is het voor arbeiders zo goed als onmogelijk een eigen bedrijf te beginnen en daarmee eigendom te verwerven,
    • en wel doordat gevestigde ondernemers nieuwelingen uit de markt drukken
  14. Welke kleinere hypothese van Marx vallen onder het historisch materialisme?
    • centralisatiehypothese
    • geen-stijgingshypothese
  15. Waaronder valt de stijgingshypothese van Sombart?
    revisionistisch historisch materialisme
  16. Hoe luidt de stijgingshypothese van Sombart?
    • In kapitalistische samenlevingen die geen feodaal verleden hebben gekend en waar onontgonnen grond bestaat die nog niet in particuliere handen is;
    • beginnen meer arbeiders een eigen bedrijf, waardoor ze sociaal stijgen;
    • ze doen dat omdat de dwang die kapitaalbezitters in landen met vrije grond over arbeiders kunnen uitoefenen zwakker is;
    • en naarmate de sociale stijging in die samenlevingen omvangrijker is, komt er minder strijd voor tussen arbeiders en kapitaalbezitters en neemt die strijd ook vreedzamer vormen aan.
  17. Het revisionistisch historisch materialisme van Sombart wordt teruggedraaid, hoe heten deze nieuwe hypothese en wie is de uitvinder?
    • Boerenhypothese (Wiley)
    • Slavenhypothese (Wiley)
  18. Hoe luidt de boerenhypothese van Wiley?
    • In kapitalistische samenlevingen waar steeds meer grond ontgonnen raakt;
    • worden de schulden van nieuwe boeren zwaarder, terwijl de rentebedragen die schuldeisers ontvangen toenemen,
    • en wel doordat de boeren voor investeringen in hun bedrijf tegen voor hen steeds ongunstiger  voorwaarden leningen aangaan;
    • dit leidt ertoe dat boeren op partijen stemmen die een lage rente en hoge graanprijzen voorstaan.
  19. Hoe luidt de slavenhypothese van Wiley?
    • In kapitalistische samenlevingen die slavernij hebben gekend;
    • verbetert de levensstandaard van voormalige slaven en van hun nakomelingen maar weinig,
    • en wel doordat de oude slavenhouders door één lijn te trekken deze mensen van het genot van goederen en diensten blijven uitsluiten;
    • dit leidt ertoe dat de nakomelingen van slaven deelnemen aan sit-ins, boycots, betogingen en marsen, en dat rassenrellen en -onlusten uitbreken.
  20. Wat is de kern van het structureel functionalisme?
    • Iedere samenleving vertoont een BEPAALDE samenhang
    • Voor zover ze uit BEPAALDE intermediaire groepen bestaat
    • En BEPAALDE algemene waarden en normen kent
    • en naarmate de leden van zo’n samenleving hechter in DEZE groepringen zijn geïntegreerd, leven DIE waarden en normen meer na
    • wat in meer samenhang resulteert
  21. Hoe luidt de internaliseringshypothese van Parson?
    • vierde deel van de kern van het structureel functionalisme
    • Naarmate de leden van een samenleving sterker in haar normen en  waarden zijn gesocialiseerd en ze deze diepgaander hebben geïnternaliseerd, leven ze haar waarden en normen meer na
  22. Hoe luidt de anomietheorie van Durkheim?
    • vierde deel van de kern van het structureel functionalisme
    • Naarmate de normen en waarden van een samenleving de doelen en middelen van de leden van die samenleving nauwer op elkaar afstemmen, houden meer mensen zich aan het verbod van deze samenleving op zelfdoding
  23. Hoe luidt Mertons anomietheorie?
    • vierde deel van de kern van het structureel functionalisme
    • Naarmate de normen en waarden van een samenleving betreffende na te streven doelen en daarbij te hanteren middelen voor samenlevingsleden moeilijker met elkaar te verenigen zijn, is de kans groter dat deze samenlevingsleden regels ter bescherming van andermans lijf en leven en van hun bezittingen overtreden
  24. Welke individuele aanpassingsvormen bestaan er volgens Merton?
    • Conformisme: typerend voor Amerikaanse samenleving: mensen die zowel de doelen aanvaarden die de cultuur van hun samenleving aanprijst, als zich de normen eigen hebben gemaakt over de manier waarop deze doelen wel en niet mogen worden bereikt ( Hogere middenklasse )
    • Innovatie: vorm van gedrag waarbij het individu de cultureel voorgeschreven doeleinden heeft overgenomen, zonder echter de normen te hebben geïnternaliseerd ( Onderlagen )
    • Ritualisme: de vorm van gedrag waarbij mensen de aspiraties hebben opgegeven die de samenleving hun voorhoudt en toch aan de normen over legitieme middelen vasthouden ( Lagere middenklasse )
    • Retraitisme: mensen die zich aanvankelijk de doelen van de (Amerikaanse) samenleving hadden eigen gemaakt, deze doelen ook met legitieme middelen hebben proberen te bereiken, maar hierin toch niet zijn geslaagd ( Mislukte steigers uit de hogere middenklasse; alcoholisten, heroïnegebruikers, zwervers )
    • Rebellie: het verwerpen van oude normen en tegelijkertijd het aanvaarden en verspreiden van alternatieve normen ( Gestegenen uit de onderlagen )
  25. Hoe luidt Hirschi's integratietheorie
    Naarmate jongeren sterker zijn geïntegreerd in de intermediaire groepering van een samenleving, vernielen ze in mindere mate openbare eigendommen en dergelijke ( begaan ze minder kleine criminaliteit )
  26. Wat is de kern van het interpretatief individualisme?
    • Iedere hoogontwikkelde voor- en vroegmoderne samenleving
    • Heeft een bepaalde godsdienst
    • Met een of ander wereldbeeld;
    • Dit wereldbeeld legt voor de leden van de leden van deze samenleving binnen zekere grenzen een bepaald heilsdoel vast
    • En spoort hen aan dit heil met bepaalde heilsmiddelen te bereiken ( legt binnen zekere grenzen een of andere levenswijze als de juiste vast );
    • En sommige levenswijzen leiden tot meer en anderen tot minder benutting van mogelijkheden om goederen efficiënt voort te brengen

    Algemene hypothese: hoe sterker de aanhang van mensen tot een praktisch-rationele levenswijze is en hoe meer mogelijkheden ze tot efficiëntere productie van goederen hebben, des te groter is hun kans tot de ondernemers en het geschoolde  bedrijfspersoneel te behoren
  27. Wat is de kern van het Utilitaristisch Individualisme?
    • Iedere samenleving bestaat uit een bepaald aantal individuen
    • En ieder samenlevingskenmerk is het resultaat van de handelingen die deze individuen onder uiteenlopende omstandigheden verrichten;
    • Deze individuen hebben bepaalde doelen
    • En beschikken over bepaalde, altijd beperkte middelen (er is schaarste)
    • En ze kiezen een zodanige inzet van middelen dat ze met zo weinig mogelijk middelen hun doelen zoveel mogelijk verwezenlijken ( ze handelen volgens het nuts maximalisatie beginsel )
    • De omstandigheden waaronder mensen handelen beïnvloeden de mate waarin het inzetten van middelen doeltreffend en doelmatig is
    • En onder sommige omstandigheden hebben deze handelingen van individuen niet alleen als bedoeld gevolg dat ze hun eigen doelen zo goed en zo goedkoop mogelijk verwezenlijken, maar ook als onbedoeld gevolg dat anderen hun doelen beter en op een spaarzame wijze realiseren
  28. Hoe luidt Webers wereldbeeldentheorie over openheid?
    • Iedere hoogontwikkelde voor- en vroegmoderne samenleving
    • Heeft een bepaalde godsdienst
    • Met een of ander wereldbeeld
    • En de levenswijze waartoe dit wereldbeeld de aanhangers van die godsdienst aanspoort, leidt er soms toe dat de sociale lagen van deze samenleving sterker van elkaar zijn afgesloten
  29. Hoe luidt de techniekenhypothese van Lenski?
    naarmate de voedselvoorzieningtechnieken in samenlevingen verder zijn ontwikkeld zal de verdeling van consumptiegoederen in die samenlevingen schever verdeeld zijn
  30. Hoe luidt de hulpbronnentheorie?
    naarmate in een samenleving hulpbronnen ongelijker zijn verdeeld, zal de strijd van de leden van die samenleving met weinig hulpbronnen tegen de leden van die samenleving met veel hulpbronnen heviger zijn
  31. Hoe luidt Lenski's democratiehypothese?
    Hoe langer een land een democratische grondwet heeft, herverdeling vergt immers tijd, des te minder cumuleren politieke en economische macht en des te kleiner zijn de inkomensverschillen in dat land
  32. Wie is de uitvinder van de dwanghypothese?
    Karl Marx
  33. Hoe luidt de kern van Lenski’s Technologisch Ideologisch Evolutionisme?
    • Iedere samenleving
    • Kent zowel een natuurlijke omgeving (bepaalde klimatologische omstandigheden, een specifieke bodemgesteldheid e.d.), als een sociale omgeving (bevindt zich te midden van andere samenlevingen),
    • Ze bestaat uit een aantal individuen (tezamen de bevolking vormend) die hun eigen belang nastreven(over zoveel mogelijk consumptiegoederen willen beschikken) en daartoe hun hulpbronnen ( waaronder productiemiddelen en praktische kennis) aanwenden,
    • Een cultuur, niet alleen bestaand uit ideologieën (wereldbeelden en andere voorstellingen, waarden en normen), maar tevens uit technologieën(kennis van de middelen van bestaan en andere praktische kennis);
    • De materiële producten van de cultuur van een samenleving omvatten zowel productiemiddelen als consumptie goederen
    • En de structuur va neen samenleving bestaat uit klassen (personen die in min of meer dezelfde mate over hulpbronnen beschikken), groepen(personen die directe betrekkingen met elkaar onderhouden of zekere  voorstellingen, waarden en normen gemeen hebben) en instellingen(organisaties en regelingen die belichaamd worden door bepaalde personen aan wie min of meer blijvend bepaalde taken zijn toegewezen en waardoor soms andere leden van een samenleving indirecte betrekkingen met elkaar onderhouden);
    • Binnen de cultuur van een samenleving is de invloed van haar technologieën op de andere kenmerken va neen samenleving groter dan die van haar ideologieën; maar naarmate de technologieën van een samenleving verder zijn ontwikkeld, zal de relatieve invloed van haar ideologieën op de andere samenlevingskenmerken des te sterker zijn

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview