Dutch - Irregular Verbs

Home > Preview

The flashcards below were created by user josique on FreezingBlue Flashcards.

  1. to go
  2. I go
    ik ga
  3. you go (inform., sing.)
    jij gaat
  4. you go (form., sing.)
    u gaat
  5. he goes
    hij gaat
  6. she goes
    zij gaat
  7. it goes
    het gaat
  8. we go
    wij gaan
  9. you go (inform., plur.)
    jullie gaan
  10. you go (form., plur.)
    u gaat
  11. they go
    zij gaan
  12. to do
  13. I do
    ik doe
  14. You do (inform., sing.)
    Jij doet
  15. He does
    Hij doet
  16. She does
    Zij doet
  17. It does
    Het doet
  18. You do (form., sing.)
    U doet
  19. We do
    Wij doen
  20. You do (inform., plur.)
    Jullie doen
  21. You do (form. plur.)
    U doet
  22. They do
    Zij doen
  23. To come
  24. I come
    Ik kom
  25. You come (inform., sing.)
    Jij komt
  26. You come (form., sing.)
    U komt
  27. He comes
    Hij komt
  28. She comes
    Zij komt
  29. It comes
    Het komt
  30. We come
    Wij komen
  31. You come (inform., plur.)
    Jullie komen
  32. You come (form., plur.)
    U komt
  33. They come
    Zij komen
  34. To be
  35. I am
    Ik ben
  36. You are (inform., sing.)
    Jij bent
  37. You are (form., sing.)
    U bent
  38. You are (form., plur.)
    U bent
  39. He is
    Hij is
  40. She is
    Zij is
  41. It is
    Het is
  42. We are
    Wij zijn
  43. You are (inform., plur.)
    Jullie zijn
  44. They are
    Zij zijn
  45. I have
    ik heb
  46. You have (inform., sing.)
    Jij hebt
  47. He has
    Zij heeft
  48. She has
    Zij heeft
  49. You have (form., sing.)
    U hebt/heeft
  50. It has
    het heeft
  51. We have
    Wij hebben
  52. You have (inform., plur.)
    Jullie hebben
  53. You have (form., plur.)
    U hebt/heeft
  54. They have
    Zij hebben

Card Set Information

Dutch - Irregular Verbs
2013-07-31 04:07:53
irregular verbs

gaan, doen, komen, zijn
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview