ij-ee-e.txt

Card Set Information

Author:
niki
ID:
197802
Filename:
ij-ee-e.txt
Updated:
2013-02-04 05:01:48
Tags:
dutch verbs
Folders:

Description:
Dutch irregular verbs (infinitive, past tense, present perfect) which follow the stem change pattern ij to ee and then to e.
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user niki on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. begrijpen
    begreep, begrepen (understand)
  2. bijten
    beet, gebleten (bite)
  3. blijken
    bleek, gebleken (appear)
  4. blijven
    bleef, gebleven (stay)
  5. drijven
    dreef, gedreven (float, drive [push])
  6. glijden
    gleed, gegleden (slide, glide)
  7. grijpen
    greep, gegrepen (seize, grab)
  8. hijsen
    hees, gehesen (raise, hoist)
  9. kijken
    keek, gekeken (look)
  10. knipen
    kneep, geknepen (pinch)
  11. krijgen
    kreeg, gekregen (get, receive)
  12. lijden
    leed, geleden (suffer)
  13. lijken
    leek, geleken (appear)
  14. mijden
    meed, gemeden (avoid, shun)
  15. overlijden
    overleed, overleden (pass away)
  16. prijzen
    prees, geprezen (praise, price)
  17. rijden
    reed, gereden (drive)
  18. rijgen
    reeg, geregen (tie, string)
  19. rijzen
    rees, gerezen (rise)
  20. schijnen
    scheen, geschenen (shine, appear)
  21. schrijven
    schreef, geschreven (write)
  22. slijpen
    sleep, geslepen (sharpen)
  23. slijten
    sleet, gesleten (wear out, spend, sell)
  24. smijten
    smeet, gesmeten (throw, toss)
  25. snijden
    sneed, gesneden (cut)
  26. spijten
    speet, gespeten (regret, be sorry)
  27. stijgen
    steeg, gestegen (rise, increase)
  28. strijden
    streed, gestreden (fight, struggle)
  29. strijken
    streek, gestreken (iron, brush)
  30. verdwijnen
    verdween, verdwenen (disappear)
  31. vergelijken
    vergeleek, vergleken (compare)
  32. verwijten
    verweet, verweten (blame)
  33. wijken
    week, geweken (make way for)
  34. wijzen
    wees, gewezen (point)
  35. wrijven
    wreef, gewreven (rub, buff)
  36. zwijgen
    zweeg, gezwegen (be silent)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview