irregular strong Dutch verbs.txt

Card Set Information

Author:
niki
ID:
197805
Filename:
irregular strong Dutch verbs.txt
Updated:
2013-02-04 05:04:48
Tags:
dutch verbs
Folders:

Description:
Dutch irregular verbs (infinitive, past tense, present perfect) which do not follow a predictable stem change pattern. Some verbs have a verb change in the past tense but not the present perfect, or vice versa. Some verbs follow the regular rules for the past tense verb. Other verbs do not follow any rules at all.
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user niki on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. bakken
    bakte, gebakken (bake)
  2. barsten
    barstte, gebarsten (burst)
  3. bezoeken
    bezocht, bezocht (visit)
  4. braden
    braadde, gebraden (fry, saute)
  5. brengen
    bracht, gebracht (bring)
  6. denken
    dacht, gedacht (think)
  7. doen
    deed, gedaan (do)
  8. gaan
    ging, gegaan (go)
  9. hebben
    had, gehad (have)
  10. heten
    heette, geheten (be called)
  11. houden
    hield, gehouden (hold)
  12. jagen
    joeg, gejaagd (hunt)
  13. komen
    kwam, gekomen (come)
  14. kopen
    kocht, gekocht (buy)
  15. lachten
    lachte, gelachen (laugh)
  16. laden
    laadde, geladen (load)
  17. lopen
    liep, gelopen (walk)
  18. malen
    maalde, gemalen (grind, ground)
  19. raden
    raadde, geraden (guess)
  20. roepen
    riep, geroepen (call)
  21. scheiden
    scheidde, gescheiden (separate)
  22. spannen
    spande, gespannen (stretch, tighten)
  23. staan
    stond, gestaan (stand)
  24. stoten
    stootte, gestoten (bump, knock)
  25. verraden
    verraadde, verraden (cheat, betray)
  26. vouwen
    vouwde, gevouwen (fold)
  27. vragen
    vroeg, gevraagd (ask)
  28. waaien
    woei/waaide, gewaaid (blow)
  29. wassen
    waste, gewassen (wash)
  30. weten
    wist, geweten (know)
  31. weven
    weefde, geweven (weave)
  32. worden
    werd, geworden (become)
  33. zeggen
    zei & zeiden, gezegd (say)
  34. zien
    zag, gezien (see)
  35. zijn
    was & waren, geweest (be)
  36. zoeken
    zocht, gezocht (look for)
  37. zouten
    zoutte, gezouten (salt, pickle)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview