ASOP Laboratoriumwerk 95-135

Card Set Information

Author:
ecsinteur
ID:
208354
Filename:
ASOP Laboratoriumwerk 95-135
Updated:
2013-03-19 18:18:17
Tags:
ASOP Laboratoriumwerk 95 135
Folders:

Description:
ASOP Laboratoriumwerk 95-135
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user ecsinteur on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Is het van belang voor de uitvoering van de zwangerschapstest een controle op bloed en eiwit te verrichten?
    Ja, in enkele gevallen van zwangerschapstesten moet dit inderdaad plaats vinden, raadpleeg daarom altijd de bijsluiter
  2. Wanneer kan er glucose in de urine worden aangetroffen.
    Bij een verhoogd glucosegehalte in het bloed waardoor de nierdrempelwaarde wordt overschreden b.v. diabetes mellitis (tekort aan insuline), teveel adrenaline ten gevolge van een verhoogde werking  van de bijnier, opname van grote hoeveelheden koolhydraatrijk voedsel (de zgn. alimentaire glucosurie) of bij een verlaagde nierdrempelwaarde als gevolg van een onschuldige afwijking van de nier ( de zgn. renale glucosurie)
  3. Wat is een alimentaire- en wat is een renale glucosurie
    Opname van grote hoeveelheden koolhydraatrijk voedsel (de zgn. alimentaire glucosurie); een verlaagde nierdrempelwaarde als gevolg van een onschuldige afwijking van de nier (de zgn. renale glucosurie)
  4. Welke invloed heeft vit. C op de teststrip voor glucose
    Fout negatieve resultaten, omdat grote hoeveelheden vit. C het gevormde waterstofperoxide al zal reduceren voordat het met de redoxindicator kan reageren
  5. Welke ketostoffen worden vaak in een laboratorium aangetoond
    Aceton en acetylazijnzuur (ketoboterzuur)
  6. Waarvan zijn de ketostoffen afbraakprodukten
    Ketostoffen komen in de urine voor bij een verstoorde vetzuurafbraak
  7. Welke stof speelt een belangrijke rol bij het aantonen van ketostoffen in de urine
    Natriumnitroprusside geeft met ketonen in alkalisch milieu een paars gekleurd complex
  8. Wanneer treedt er een hypo- en wanneer een hyperglykemie op
    Wanneer het glucosegehalte in het bloed te laag is spreekt men van een hypoglykemie. Wanneer het glucosegehalte in het bloed te hoog is spreekt men van een hyperglykemie.
  9. Wat is het normale glucosegehalte van het bloed
    Nuchter 3,9-5,6 mmol/l en 2 uur na de maaltijd < 8mmol/l
  10. Wat is een GGT en hoe wordt deze uitgevoerd
    GTT = Glucose intolerantie test. Uitvoering is als volgt: 1. nuchter prikken 2. 75 gram glucose in 100-125 ml water of thee laten drinken. 3.Om de 30 min bloed prikken voor bloedsuiker 4. Urine onderzoek op glucose en ketonen. Dit onderzoek duurt 2,5 uur. Gestoorde GTT=nuchter > 5,6 mmol/l na twee uur tussen de 8,0 - 11,0 mmol/l
  11. Noem 3 methoden om glucose in bloed te bepalen
    Via chemische methode Reflolux S, of Accutrend glucose. Via elektrochemische reatie m.b.v. de Glucometer elite of Glucocard
  12. Hebben grote hoeveelheden vit.C ook invloed op de bloedsuikerbepaling
    Nee
  13. Noem 3 oorzaken van de aanwezigheid van een te hoog glucosegehale in het bloed
    • Diabetes mellitus
    • Diabetes Insipidus
    • alimentaire glucosurie
  14. Welke stoffen kan men aantonen d.m.v. het acetest teststrookje voor ketostoffen
    Aceton en acetylazijnzuur
  15. Wanneer kunnen er fout positieve reacties ontstaan bij het gebruik van urine teststrips
    • Fout positieve reacties kunnen ontstaan door oxiderende stoffen zoals:
    • hypochloriet
    • bleekmiddelen
    • wasmiddelen
  16. Wat verstaat men onder de nierdrempelwaarde
    De nierdrempelwaarde ligt tussen de 8,9 - 10,0 mmol/l binnen of onder deze waarde zal de nier geen glucose laten lekken in de urine maar als de concentratie van het bloedsuikergehalte te hoog is zal de nierdrempelwaarde worden overschreden en zal de nier glucose laten lekken in de urine
  17. Uit welke bestanddelen bestaat bloed
    Bloedplasma met daarin plasma-eiwitten, albumine, globuline, fibrinogeen-voedingsstoffen, afbraakprodukten, hormonen, enzymen, vitaminen, mineralen, antistoffen en eventueel medicijnen vervolgens vormelementen, leukocyten, erytrocyten en bloedplaatjes
  18. Noem enkele functies van bloed
    Transport van zuurstof en koolzuur, voedingsstoffen en afbraakprodukten, enzymen, vitaminen en hormonen. Bescherming tegen infecties via de leukocyten. Bescherming tegen bloedverlies via de trombocyten. Regeling van de lichaamstemperatuur. Bufferwerking pH moet tussen de 7,35 en 7,45 blijven. <7,35 = acidose, >7,45 + alkalose.
  19. Welke zuurgraad heeft normaal bloed
    Tussen de pH 7,35 en 7,45
  20. Wat is serum en wat is plasma
    • Serum is bloed zonder bloedcellen (bloedkoek) en zonder fibrinogeen.
    • Plasma is bloed zonder bloedcellen met wel fibrinogeen, albumine en globuline
  21. Wordt fibrinogeen aangetroffen in serum of in plasma
    Alleen in plasma wordt nog fibrinogeen aangetroffen.
  22. Noem enkele anticoangulantia
    Natriumcitraat, Natriumoxalaat, EDTA, Heparine, Natrium fluoride
  23. Noem enkele desinfectantia
    Alcohol 70 %, jodium, Hibitaan, sanadep, sanasept, betadine jodium.
  24. Voor welk onderzoek wordt bij voorkeur EDTA bloed gebruikt
    Voor Hematologisch onderzoek
  25. Welke ziekten kunnen worden opgelopen door het werken met besmet bloed en hoe kan men proberen dit te voorkomen
    Hepatitis B of C en Aids. Proberen te voorkomen door Hep. B vaccinatie, en zo schoon mogelijk te werken en daar waar nodig met handschoenen
  26. a. Geef aan hoe de werking is van antistollingsmiddelen
    b. Geef hiervan een aantal voorbeelden
    Door het gebruik van een anticoagulans wordt het calcium onwerkzaam gemaakt. Bijvoorbeeld bij bloedafname met natriumcitraat of EDTA
  27. Waarom moet voor het onderzoek in serum of in plasma, het serum en plasma zo snel mogelijk worden gescheiden van de rest van het bloed
    Om hemolyse te voorkomen; als bloed nl te lang staat kunnen de erytrocyten kapot gaan
  28. Wat is een glycolyseremmer en wanneer wordt deze gebruikt
    Een glucoseremmer is een stof die moet voorkomen dat er glucose uit de cel zal wegvloeien waardoor de uitslag te laag zal uitkomen. Glucoseremmers zijn oa. Oxalaat of Natriumfluoride
  29. Wat wordt verstaan onder een antigeen en wat onder een antistof
    Stoffen die aanleiding geven tot het vormen van afweerstoffen noemt men antigenen (genese= opwekken). Afweerstoffen die gevormd worden ten gevolge van de aanwezige antigenen noemt men antistoffen of antilichamen
  30. Welke reactie kan de arts gemakkelijk in eigen praktijk verrichten om de ziekte van Pfeiffer op te sporen
    Door de monosticontest te bepalen
  31. Hoe heet de proef die in een microbiologisch/Immunologisch laboratorium wordt uitgevoerd om de ziekte van Pfeiffer aan te tonen.
    De reactie van Paul en Bunnell (immunologische test)
  32. a. Wat verstaat men onder de bepaling van een "titer" in het bloed
    b. Noem een aantal voorbeelden waarbij de bepaling van de titer belangrijk is
    Om de hoeveelheid antistoffen te bepalen, worden er in het serum van de patiënt onderzoekingen gedaan om de concentratie van de antistoffen vast te stellen. De titer (sterkte) van de antistoffen. Titerbepalingen worden oa bij Hepatitis B en C en Aids alsmede bij de reactie van Paul en Bunnell toegepast.
  33. a. Wat kunnen de gevolgen zijn van stuwen bij de afname van capillair bloed
    b. Wat kunnen de gevolgen zijn van stuwen bij de afname van veneus bloed
    Dat capillair bloed teveel wordt vermengd  met weefselvocht waardoor de uitslag te laag wordt. Dat bij veneuze afname vocht uit de vene wordt geperst en er hemolyse kan optreden of ezym bepalingen worden beinvloed waardoor ze hoger uit kunnen komen.
  34. Bij een patiënt wordt een Hb gevonden van 12,8 g %, met hoeveel mmol/l komt dit overeen
    12,8 g% x 0,621=7,9488 = 8,0 mmol/l
  35. Bij een patiënt wordt een Hb gevonden van 9,2 mmol/l, hoeveel is dit in g%
    9,2 mmol/l : 0,621 = 14,8 g%. Eventueel naar g/l, g% > g/l= x 10 dus 14,8 x 10 = 148 g/l
  36. Bij een controle van een Hb meter geeft het controlemonster steeds 14,8 g% als uitslag, terwijl de uitslag 16,0 g%  moet zijn. Wat is dan de correctiefactor.
    14,8 g% moet zijn 16,0 g%.  De correctiefactor is 14,8x X = 16,0, X=16,0 : 14,8 = 1,08
  37. Bij controle van een Hb meter geeft het controlemonster steeds een uitslag van 10,2 mmol terwijl de uitslag 9,2 mmol/l moet zijn. Een patientenmonster geeft 8,4 mmol/l, wat is het werkelijke Hb van deze patient
    10,2 mmol/l moet zijn 9,2 mmol/l. De correctiefactor is 10,2 x X = 9,2 X = 9,2 : 10,2 + 0,9.
  38. Hoeveel ml erytrocyten bevinden zich in een liter bloed als de hematocriet 48% is.
    1000 ml = 1 liter 48% is 48:100 dus 48% = 48:100 x 1000 = 480 ml per liter bloed
  39. Hoe wordt het geel gekleurde plasma in het hematocrietbuisje genoemd
    Icterisch plasma, past bij leveraandoeningen
  40. Bereken de celconstanten uit de volgende waarden.  Hb = 8,3 mmol/l, ery = 4,0 x 10,9/l en een hematocriet van 0,39 l/l
    MCV = hct/ery's x 1000 + 0,39/4,00 x 1000 = 97,5. MCHC = Hb/HCT = 8,3/0,39 = 21,3. MCH = Hb/ery's x 1000 = 8,3/4,00 x 1000 = 2075
  41. Wat voor bloedbeeld zal men aantreffen bij de volgende uitslagen: MCV = 127,5 fl MCHC van 14,9 mmol/l
    MCV > normaal + macrocytair, MCHC = < normaal = hypochroom dus een Macrocytair hypochroom beeld

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview