ASOP Simone

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
208870
Filename:
ASOP Simone
Updated:
2013-03-22 06:22:02
Tags:
ASOP laboratoriumwerk 136 225
Folders:

Description:
ASOP Laboratoriumwerk 136-225
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Bereken de MCHC uit de volgende waarden Hb=14.4 g% en hamatocriet van 39%
    • Eerst naar de nieuwe eenheden. Hb 14,4x0,621=8,9 mmol/l
    • Hct 39% wordt 0,39 l/l MCHC=Hb/hct=8,9/0,39=22,8 mmol/l
  2. Bij een bezinkingsbuis is boven de scheidingslijn van erytrocyten een duidelijke wit-grijze laag van 5 mm aanwezig. Hoe noemt men deze laag en welke eventuele verdere onderzoekingen vloeien hieruit voort.
    Buffy coat (leukocyten kap) verder onderzoek nodig leukocyten tellen en diff.
  3. Wat is een gesluierde bezinking, en wat is daar de oorzaak van.
    Een sluier-vormige laag rode cellen in het plasma bij de BSE (anisocytose), wordt vaak gezien bij eeen anemie.
  4. Bij een Hb-waarde van 6,5 mmol/l en een erytrocyten waarde van 3,90x10.9/l. Noemt men dit normochroom, hypochroom of hyperchroom bloedbeeld of anemie.
    MCH= Hb/erysx1000=6,5/3,9x1000=1667=hypochrome anemie.
  5. Wanneer de MCH veel lager is dan normaal en de MCV is normaal, is dan de MCHC veel te hoog of veel te laag.
    • Bijv. MCH<normaal bv. 1500.
    • MCV=normaal bv. 95.
    • MCHC=MCH/MCV=1500/95=15,8
    • Is dus lager dan normaal en noemt men hypochroom.
  6. Wat wordt er verstaan onder leukocytose en leukopenie.
    • Leukocytose is een vermeerdering van het aantal leukocyten boven de referentiewaarden.
    • Leukopenie is een vermindering van het aantal leukocyten beneden de referentiewaarde.
  7. Noem enkele telkamers.
    Telkamer volgens Turk-Burker-Burker Turk.
  8. Wat is de inhoud van een groot hok in de telkamer volgens Burker-Turk.
    • Inhoud = z x z x h = 1/5 x 1/5 x 1/10 =
    • 1/250 mm3
  9. Bij het tellen van leukocyten in de telkamer volgens Turk zijn in 12 grote hokken 36 leukocyten, in 12 grote hokken 34 leukocyten en in 1 hock nog eens 3 leukocyten geteld. Hoeveel leukocyten zijn er dan aanwezig per 1mm3 en per 1 liter bloed.
    • 36+34+3=73 leukocyten x 100=
    • 7300 per mm3 = 7,3 x 10 9/l
  10. Is het bij gebruik van een telkamer noodzakelijk dat de ringen van Newton zichtbaar zijn.
    Ja, omdat de hoogte tussen basisplaat en dekglaasje dan is afgesteld op 1/10 mm hoogte.
  11. Met welke objectiefvergroting moeten de leukocyten worden geteld bij een oculair van 10 x.
    40 x
  12. Noem de verschillende leukocytensoorten die normaal in het bloed worden aangetroffen.
    Basofiele - eosinofiele - staafkernige- en segmentkernige granulocyten alsmede lymfo-en monocyten.
  13. Wat is een hemogram en waarover geeft het informatie.
    Een hemogram of diff. is een differentiatie tussen de verschillende soorten leukocyten.
  14. Is het van belang dat men zich precies houdt aan de tijdsduur van inwerkingen van de verschillende vloeistoffen bij de kleuring van een bloeduitstrijkje.
    Ja, anders worden de cellen in een diff.preparaat te licht of te donker van kleur, zodat ze niet meer goed zijn te herkennen volgens de diff.regels.
  15. Wat is een linksverschuiving en wanneer komt het voor.
    Linksverschuiving is het voorkomen van jongere leukocyten in een diff.uitstrijkje en komt onder andere voor bij acute bacteriele aandoeingen, maar ook bij leukemie.
  16. Is de lvoeistof van Turk hypotoon of isotoon.
    Hypotoon
  17. Welke functie heeft de vloeistof van Turk.
    De vloeistof volgens Turk verdund, kleurt de leukocyten en maakt de erytrocyten kapot.
  18. Wanneer kan een verhoogd aantal leukocyten optreden.
    Een verhoogd aantal leukocyten wordt gezien bij infecties zowel bacterieel als viraal en bij diverse vormen van leukemie of als een leukomoide reactie bv bij kinderen.
  19. Welke soort leukocyten zijn verhoogd bij een bacteriele aandoening.
    Staafkernige- en segmentkernige granulocyten.
  20. Welke soort leukocyten zijn verhoogd bij een virale aandoening.
    De lymfocyten soms samen met de monocyten waarbij ze ook afwijkend kunnen zijn.
  21. Een leukocytenpipet is gevuld met bloed tot het streepje 1. De vloeistof van Turk is per ongeluk veel verder gekomen dan streepje 11. Mag men nu de overtollige vloeistof uit de pipet blazen.
    Nee.
  22. Wanneer kan er sprake zijn van een eosinofolie.
    Als het aantal eosinofiele granulocyten boven de referentiewaarde uitkomt.
  23. Bij het vullen van de telkamer komt er teveel vloeistof in de telkamer. Mag men deze met een filtreerpapaiertje de overtollige vloeistof eronder vandaan halen.
    Nee, opnieuw schoonmaken en juist vullen.
  24. Wat is anisocytose, polychromasie, poikilocytose.
    • Anisocytose=het ongelijk van grootte tussen erytrocyten.
    • Polychromasie=niet gelijk gekleurde erytrocyten (blauwachtig gekleurde erys)
    • Poikilocytose=ongelijk van vorm zijnde erytrocyten (peer of meervormige erys)
  25. Waarbij kan hypersegmentatie voorkomen.
    Vitamine B12 tekort.
  26. De kleuring volgens May-Grunwald-Giemsa wordt ook wel genoemd de kleuring volgens.
    Pappenheim.
  27. Wat is de referentiewaarde van het aantal leukoctyen in het bloed.
    • 4000 tot 10.000 per mm3
    • of 4,0 tot 10,0 x 10 9/l
  28. Hoe worden de vetten ook wel genoemd.
    Triglyceriden, verbindingen van glycerol en vetzuren.
  29. Wat zijn lipoproteinen.
    Lipoproteinen zijn chemische verbindingen van vetten met eiwitten. Vetten zijn niet of slecht in water oplosbaar. Voor transport door de bloedbaan worden ze dan aan eiwitten gebonden dit noemt men dan lipoptroteinen.
  30. Noem 2 belangrijke soorten cholesterol.
    • LDL chol. afkomstig uit de voeding en de lever wordt naar de weefsels toegevoerd en geeft een afzetting aan de vaatwand de zgn. Plaque.
    • HDL chol.zorgt voor het transport van de weefsels terug naar de lever, kan dus het cholesterol aan de weefsels onttrekken. Verlaagd HDL chol. geeft verhoogd risico voor het krijgen van hart -en vaatzieketen.
  31. Noem enkele methoden om het cholesterol te bepalen.
    met behulp van de Minilab-fotometer Bayer-Technicon of de Accutrend-GC of Accutrend C meter Roch en de Lipotrend-C meter.
  32. Hoe is de werking van de meeste cholesterolbepalingen die men met een teststrookje uit kan voeren.
    Onder invloed van de op het teststrookje aanwezige enzymen, onstaat uit de lipoproteinen vrij cholesterol. Onder invloed van het enzym cholesteroloxidase is nodig om uit watersofperoxide zuurstof vrij te maken. De op het teststrookje aanwezige indicator reageert met het vrijgekomen zuurstof toe een gekleurde verbinding bv. de Lipotrend C meter.
  33. Welk cholesterol is het zgn. goede cholesterol en waarom.
    HDL cholesterol is het goede cholesterol omdat het cholesterol vanuit de weefsels terug voert naar de lever.
  34. Waar wordt cholesterol in het lichaam aangemaakt.
    In de lever maar er komt ook een deel met de voeding mee.
  35. Wat is beter verzadigde vetzuren of onverzadigde vetzuren.
    Onverzadigde vetzuren.
  36. Waar komen verzadigde vetzuren vooral in voor.
    Verzadigde vetzuren komen vooral voor in dierlijke producten zoals vet vlees en volle melk.
  37. Waarin komen onder andere meervoudige onverzadigde vetzuren in voor.
    meervoudige onverzadigde vetzuren komen oa. voor in linolzuur, zonnebloemolie, maiskiemolie.
  38. Wat is de referentiewaarde van cholesterol.
    • Totaal chol. <5,0 mmol/l is ideaal.
    • 5,0 tot 6,5 mmol/l is licht verhoogd voedingsadviezen kunnen voldoende zijn.
  39. Bij welke grens worden voedingsadviezen en dieet en eventueel medicatie gegeven.
    Bij een cholesterol van 6,5 tot 8,0 verhoogd, worden voedingsadviezen dieet en eventueel medicatie gegeven.
  40. Moet een patient voor onderzoek op vetstofwisseling nuchter worden geprikt.
    Ja.
  41. Welke grondvormen van de bacterien zijn er.
    kokken, staven, spiril en spirocheet.
  42. Hoe kan men erachter komen wie de ziekteverwekker is.
    Door het verrichten van een bacteriologisch onderzoek, het uitvoeren van een kweek, DNA onderzoek of het verrichten van een immunologisch onderzoek.
  43. Noem een aantal onderdelen van een bacteriologisch onderzoek
    Microscopisch onderzoek, kweek en of resistentie bepaling.
  44. Wat is een resistentiebepaling.
    Bij een resistentiebepaling wordt nagegaan of de ziekteverwekkende bacterie gevoelig-, matig gevoelig of ongevoelig is voor bepaalde geneesmiddelen.
  45. Noem een aantal voorbeelden van materiaal waarin de ziekteverwekkende bacterie kan worden aangetoond.
    Pus, urine, feces, sputum, slijmvliesuitstrijkje neus keel oog of vainaal-punctaten, liquor, pleuravocht, buikvocht, gewrichtsvocht, bloed.
  46. Welke bacteriologische proeven kan de arts vrij makkelijk in de eigen praktijk uitvoeren.
    Microscopisch onderzoek, kleuringen, uitstrijkjes, kweek.
  47. Noem twee veelvoorkomende bacteriologische kleurmethoden.
    Methyleenblauwkleuring en de Gram-kleuring.
  48. Wat is het doel van fixatie.
    De celeiwitten te denatureren (te laten stollen waardoor de bacterie de kleurstoffen beter kan opnemen) het materiaal beter aan het objectglas te laten hechten en de bacterien te doden.
  49. Wat kan men met de Mehyleenblauwkleuring aantonen.
    met een methyleenblauwkleuring kan men aantonen of men met een kof of staaf te maken heeft. (vorm)
  50. Wat is het doel van de gramkleuring.
    Doel van de gram-kleuring is een onderschied te kunnen maken tussen Gram-positieve en Gram-negatieve bacterien.
  51. Noem enkele proeven waarbij de patient bij de bloedafname nuchter moet zijn.
    Bloedglucose, vetstofwisselings onderzoek zoals cholesterol, triglyceriden.
  52. Noem enkele proeven die informatie geven over de vetstofwisseling.
    Cholesterol, HDL chol., LDL chol., Triglyceriden.
  53. Noem enkele proeven die informatie geven over de werking van de schildklier.
    T4(thyroxine), T3(trijoodthyroxine), FT4 (free thyroxine), en de TSH (Thyroid Stimulating Hormone).
  54. Noem enkele proeven die informatie geven over de nierfunctie.
    Creatinine en ureum.
  55. Noem enkele proeven die informatie geven over de leverfunctie.
    Alkalische fosfatase, Gamma-GT, ALAT, ASAT, Bilirubine, LDH, HBSAg (Hepatitis B-virus surface Antigen)
  56. Noem enkele proeven die informatie geven over anemie.
    Fe, TIBC, TRF (transferrine), Ferrit (Ferritine), Hb, Hct, Erys, Indices, BSe, Reticulocyten.
  57. Noem enkele proeven die informatie geven over stolling.
    Trombocyten, Bloedingstijd, PTT (protrombinetijd), APTT (geactiveerde partiele tromboplastinetijd) en de trombotest of INR voor controle op antistolling.
  58. Noem enkele proeven die informatie geven over de hartfunctie.
    ASAT, ALAT, CK, CK-MG, LDH, LDH-iso-enzymen.
  59. Welke proef streept men aan voor het aantonen van hepatitis B.
    HBSAg.
  60. Wat verstaat men onder een screenings onderzoek.
    Een screenings onderzoek is een serie bepalingen die betrekking heeft op diverse lichaamsfuncties.
  61. Wat is fluor albus.
    Fluor albus is een witachtige reukloze afscheiding afkomstig uit de vagina.
  62. Wat is een parasiet.
    Een parasiet is een organisme dat zich voedt ten koste van een ander organisme.
  63. Wat is een amine-test.
    Onder een aminetest verstaan we een dubbel objektpreparaat uitgevoerd met 1 druppel fluor en 1 druppel fysiologisch zout en tegelijkertijd aan de rechterkant 1 druppel fluor met 1 druppel KOH 10%. En dan van beide direkt de geur bepalen op rotte vislucht.
  64. Waarom wijst een positieve amine-test.
    Een positieve amine-test wijst altijd op een bacteriele vaginose, maar soms ook op een trichomoniasis
  65. Wat zijn clue-cellen.
    Clue-cellen zijn epitheelcellen uit de vagina die bezet zijn met bacterien waardoor een korrelig aspect ontstaat en er onscherpe celgrenzen zijn ontstaan.
  66. Welke proeven kan men in de eigen praktijk uitvoeren op fluor albus.
    Een pH bepalen van fluor- het maken van een fysiologisch zoutpreparaat - het maken van een KOH-preparaat en het maken van een bacteriologisch preparaat zoals een methyleenblauwpreparaat en eventueel gram-kleuring.
  67. Wat is de kleur van stopverf-feces en waardoor kan dit worden veroorzaakt.
    De kleur van stopverf-feces is grijswit en komt voor bij oa. afsluiting van de galblaas of door de aanwezigheid van veel vetten wanneer er een gebrek is aan vertsplitsende enzymen zoals lipase uit de pancreas
  68. Hoe worden de vetten normaal in de darm afgebroken.
    De vetten worden in de darmen met behulp van een enzym lipase omgezet in glycerol vetzuren.
  69. Hoe kan met vetten in feces aantonen.
    met behulp van een Sudan III preparaat.
  70. Hoe kan met koolhydraten in de feces aantonen.
    Met behulp van een lugol-preparaat kan met zetmeel aantonen.
  71. Hoe kan met eiwitten in de feces aantonen.
    Met behulp van een azijnzuur-preparaat.
  72. Welke worm heeft voor zijn ontwikkeling een tussengastheer nodig.
    De lintworm.
  73. Ter opsporing van welke worm wordt meestal een perianaal uitstrijkje gemaakt.
    Bij de priemworm of aarsmade (de Oxyuris vermicularis).
  74. Welke parasitaire wormsoort komt in Nederland het meest voor.
    De aarsmade.
  75. Van welke wormen kan er infectie optreden wanneer de mens rauwe en ongewassen groente eet.
    De spoelworm (Ascaris lumbricoides)
  76. Van welke worm kan er een infectie optreden wanneer de mens rauwe rund of varkensvlees eet.
    De lintworm (Taenia solium gewapende lintworm of de Taenia saginata ongewapende lintworm)
  77. Welke worm kan men macroscopisch in de feces aantreffen.
    De spoelworm (Ascaris Lumbricoides)
  78. Welke kleur heeft normaal feces.
    Geelbruin en is afkomstig van de galkleurstoffen urobiline en stercobiline.
  79. Is de hoeveelheid ontlasting groter bij gebruik van plantaardig voedsel of bij vleeskost.
    Bij plantaardig voedsel.
  80. Waarop kan een zwartgekleurde feces wijzen.
    Op een bloeding in maag-darmkanaal. maar pas op ook het eten van veel drop.
  81. Bij welke test of feces mag men geen aspirine of grote hoeveelheden vit. C gebruiken.
    Occult-test (occult=verborgen).
  82. Noem vier wormen die in Nederland voorkomen in Latijn en Nederlands.
    Aarsmade-spoelworm-lintwormen en soms de zweepworm (trichuris trichiura)
  83. Met welk preparaat kan men schimmels op de huis en of nagels aantonen.
    Met een KOH-preparaat. (30% KOH oplossing)
  84. Bij welke vergroting wordt meestal gezocht naar schimmels in een preparaat.
    Met een 400 x vergroting.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview