unidad 7

Card Set Information

Author:
celine
ID:
220506
Filename:
unidad 7
Updated:
2013-05-21 05:02:22
Tags:
spaans
Folders:

Description:
spaans
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user celine on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Zo is het leven.
    Así es la vida.
  2. dagelijks leven
    la vida diaria
  3. verschil, onderscheid
    la difencia
  4. iedere dag
    todos los días
  5. heden ten dage, vandaag de dag
    hoy en día
  6. onderdeel van het werk
    el elemento de trabajo
  7. onmisbaar
    indispensable
  8. delen
    compartir
  9. thuis, in huis
    en casa
  10. bestaan
    existir
  11. schoenpoetser
    el limpiabotas
  12. zowel...als...
    tanto...como...
  13. het lezen, lectuur
    la lectura
  14. kiosk
    el quiosco
  15. dagelijks
    cotidiano/-a
  16. churros gaan eten
    salir a tomar churros
  17. in olie gefrituurde deegstengel
    el churro
  18. warme chocolademelk
    el chocolate
  19. specialiteit
    la especialidad
  20. smakelijk, heerlijk
    delicioso/-a
  21. vragenlijst
    el cuestionario
  22. opstaan
    levantarse
  23. voor (tijdstip)
    antes de
  24. na
    después de
  25. zich douchen
    ducharse
  26. gymnastiek
    la gimnasia
  27. tram
    el tranvía
  28. alleen
    solo/-a
  29. zich concentreren
    concentrarse
  30. zich vervelen
    aburrirse
  31. afhangen van
    depender de
  32. (elkaar) ontmoeten
    encontarse (ue)
  33. boodschappen (gaan) doen
    (salir a) hacer las compras
  34. thuis blijven
    quedarse en casa
  35. zich ontspannen
    relajarse
  36. naar bed gaan
    acostarse (ue)
  37. ondernemer/onderneemster
    el/la epresario/-a
  38. eerst
    primero
  39. voor hij naar zijn werk gaat
    antes de ir al trabajo
  40. na het ontbijt, nadat hij ontbeten heeft
    después de desayunar
  41. ontmoeten, vergaderen
    reunirse
  42. Italiaans
    italiano/-a
  43. Frans
    francés/-esa
  44. zalm
    el salmón
  45. Noors
    noruego/-a
  46. champagne
    el champán
  47. Colombiaans
    colombiano/-a
  48. Zwitsers
    suizo/-a
  49. Nederlands
    holandés/-esa
  50. bonbon, praline
    el bombón
  51. Belgisch
    belga
  52. Iers
    irlandés
  53. Engels
    inglés/-esa
  54. sauna
    la sauna
  55. Fins
    finlandés/-esa
  56. typisch
    típico/-a
  57. meubels
    los muebles
  58. Zweeds
    sueco/-a
  59. volgens u
    según usted
  60. huishoudelijke klus
    la tarea de casa
  61. denken
    pensar (ie)
  62. tien procent
    el diez por ciento
  63. strijken
    planchar
  64. aanzetten
    poner
  65. wasmachine
    la lavadora
  66. schoenmaken
    limpiar
  67. raam
    la ventana
  68. stofzuigen
    pasar la aspiradora
  69. stofzuiger
    la aspiradora
  70. afwassen
    lavar los platos
  71. wassen
    lavar
  72. bed
    la cama
  73. vanwege
    por
  74. kinderen
    los niños
  75. jongen/meisje
    el/la niño/-a
  76. kennen, weten
    saber
  77. zich herinneren
    acordarse (ue) de
  78. zeggen
    decir (yo digo, i)
  79. zetten, leggen
    poner (yo pongo)
  80. uit-, weggaan
    salir (yo salgo, ie)
  81. komen
    venir (yo vengo, ie)
  82. patner
    la pareja
  83. Hoe vaak/regelmatig...?
    Con qué frecuencia...?
  84. maken, uitvoeren
    realizar
  85. huiswerk
    los deberes
  86. een wandeling maken
    dar un paseo
  87. Hoe vaak?
    Cuántas veces?
  88. af en toe
    de vez en cuando
  89. een keer per dag
    una vez al día
  90. bijna nooit
    casi nunca
  91. Hoe lang?
    Cuánto tiempo?
  92. uur
    la hora
  93. minuut
    el minuto
  94. om ongeveer twee uur, rond twee uur
    a eso de las dos
  95. schoenen aandoen
    ponerse zapatos
  96. vies
    sucio/-a
  97. de bus missen
    perder (ie) el autobús
  98. ongeluk, ongeval
    el accidente
  99. te laat komen
    llegar tarde
  100. vergeten
    olvidar
  101. vastlopen (computer)
    bloquearse
  102. collega
    el/la compañero/-a de trabajo
  103. virus
    el virus
  104. iets doms, onzin
    la tontería
  105. vergadering, bespreking
    la reunión
  106. uitnodiging
    la invitación
  107. verjaardag
    el cumpleaños
  108. doorbrengen
    pasar
  109. ooit (eens)
    alguna vez
  110. tijd
    el tiempo
  111. voltooide tijd
    el perfecto
  112. infinitief, hele werkwoord
    el infinitivo
  113. hebben, zijn (hulpww van de voltooide tijd)
    haber
  114. slapen
    dormir (ue)
  115. punctueel
    puntualmente
  116. perfect, zonder problemen
    perfectamente
  117. borrelen, een borrel drinken
    tomar una copa
  118. spaghetti
    los espaguetis
  119. leugen
    la mentira
  120. griep
    la gripe
  121. theaterstuk, voorstelling
    la obra de teatro
  122. weekeinde
    el fin de semana
  123. (nog) nooit
    nunca
  124. soms
    algunas veces
  125. te veel
    demasiado/-a
  126. file
    el atasco
  127. een, een of andere
    algún/alguna
  128. beleven, meemaken
    vivir
  129. verliezen
    perder (ie)
  130. koffer
    la maleta
  131. sleutel
    la llave
  132. wachten
    esperar
  133. onderbreking
    la interrupción
  134. onaangenaam
    desagradable
  135. autopech
    la avería
  136. politie
    la policía
  137. takelwagen
    la grúa
  138. wat gaan drinken
    ir de copas
  139. excursie, uitstapje
    la excursión
  140. platteland
    el campo
  141. barbecuen
    hacer una barbacoa
  142. vroeg
    temprano
  143. de dagelijkse sleur doorbreken
    salir de la rutina
  144. routine
    rutina
  145. inlichtingen inwinnen (over)
    informarse (sobre)
  146. telefoongesprek
    la conversación telefónica
  147. gaan doen
    ir a hacer
  148. nog een keer
    otra vez
  149. zeg, vertel
    diga (inf: decir)
  150. plan, voornemen
    el plan
  151. bij Pepe (thuis)
    en casa de Pepe
  152. tuin
    el jardín
  153. 'vijf op een rij'
    Cinco en raya
  154. uitnodigen
    invitar
  155. recept (keuken)
    la receta de cocina
  156. sporten
    hacer deporte
  157. (naar huis) teruggaan
    volver (ue) (a casa)
  158. met de hand
    a mano
  159. hand
    la mano
  160. vieren
    celebrar

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview