ASOP Triage oefenvragen deel 1

Card Set Information

Author:
Anubie
ID:
221890
Filename:
ASOP Triage oefenvragen deel 1
Updated:
2013-06-01 08:07:19
Tags:
ASOP Triage oefenvragen deel
Folders:

Description:
ASOP Triage oefenvragen deel 1
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anubie on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Noem 4 functies van ons skelet
    • Beweging/aanhechtingsplaats spieren
    • Ondersteuning/vorm
    • Bescherming
    • Aanmaak bloedcellen (rode beenmerg in bot)
  2. Noem 3 soorten beenderen + 2 voorbeelden.
    • Pijpbeenderen (dijbeen, ellepijp)
    • Platte beenderen (sternum, schedel)
    • Overige, irreguloire botten (knieschijf, gehoorsbotjes)
  3. Noem 3 soorten botverbindingen + 1 voorbeeld.
    • Kraakbeenverbinding (ribben aan sternum)
    • Naadverbinding (verbindingen in schedel)
    • Bindweefsel (kniegewricht)
  4. Noem 3 onderdelen van de schedel.
    • Schedeldak
    • Schedelbasis
    • Aangezicht
  5. Waaruit is borstkas opgebouwd en wat is de belangrijkste functie van de bouw?
    Ribben, borstbeen en wervels, bescherming van vitale organen (hart en longen)
  6. Wat is een belangrijk kenmerk van de tussencelstof van steunweefsels?
    • Bepaald de stevigheid.
    • (steunweefsel: bot, kraakbeen, bindweefsel)
  7. Wat is het verschil tussen een kneuzing en verstuiking?
    • Kneuzing: beschadiging onderhuids bindweefsel en onderliggende spieren.
    • Verstuiking: oprekking gewrichtskapsel.
  8. Uit welke onderdelen bestaat ons urinewegstelsel?
    Nieren, urineblaas, urineleiders en urinebuis
  9. Noem 5 soorten basisweefsel
    • Dekweefsel (epitheel)
    • Zenuwweefsel
    • Spierweefsel
    • Steunweefsel
    • Bloed
  10. De hartspier is een:
    a. willekeurige gladde spier
    b. onwillekeurige gladde spier
    c. willekeurige dwarsgestreepte spier
    d. onwillekeurige dwarsgestreepte spier
    d
  11. De kleine bloedsomloop gaat van:

    A. linkerkamer naar linkerboezem
    B. linkerkamer naar rechterboezem
    C. rechterkamer naar linkerboezem
    D. rechterkamer naar rechterboezem
    C.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  12. De spierwand van het hart is niet overal even dik. Het dikste deel is:
    A. rechterkamer
    B. linkerkamer
    C. linkerboezem
    D. rechterboezem
    B.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  13. Aanmaak van rode bloedcellen, ery's, gebeurt bij volwassenen in:
    A. rood beenmerg
    B. geel beenmerg
    C. milt
    D. lever
    A.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  14. Het bloedvolume van een volwassene is:
    A. 6% van het lichaamsgewicht
    B. altijd 5 liter
    C. afhankelijk van de glucosetolerantie
    D. afhankelijk van leeftijd, oudere mensen hebben verhoudingsgewijs meer bloed dan jongere mensen
    A.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  15. Lymfe is:
    A. product van de lymfeklieren
    B. bloedplasma
    C. weefselvocht
    D. product van de hormoonklieren
    C.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  16. Rode bloedcellen dienen voor:
    A. zuurstof en koolzuurgas transport
    B. glucose transport
    C. zuurstof transport
    D. koolzuurgas transport
    A.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  17. Endocard is:
    A. hartzakje
    B. binnenbekleding van een bloedvat
    C. binnenbekleding van het hart
    C.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  18. Antigeen is:
    A. stof tegen ziekteverwekkers
    B. ziekteverwekker
    C. stof die klonteren van het bloed voorkomt
    B.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  19. Slagaders (arterien) zijn bloedvaten die:
    A. koolzuurrijk bloed vervoeren
    B. zuurstofrijk bloed vervoeren
    C. voeren van het bloed naar het hart toe
    D. voeren van het bloed van het hart af
    D.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  20. De laatste ader van de grote circulatie is:
    A. holle ader
    B. longader
    C. longslagader
    D. aorta
    A.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  21. Bij de slagaders bestaat het middelste gedeelte van de wand uit:
    A. bloedvaatjes
    B. glad endotheelweefsel
    C. bindweefsel
    D. elastisch weefsel
    D.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  22. Als in de bloedvaten kleppen voorkomen, zijn het:
    A. kransaders
    B. slagaders
    C. aders
    D. kransslagaders
    C.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  23. I. Een samentrekking van het hart is een diastole.
    II. De mitraalklep ligt tussen linkerboezem- en ventrikel.
    Juist/onjuist?
    I is onjuist, II is juist
  24. De bloeddruk 125/80 betekent:
    A. bovendruk schommelt tussen 125 en 80 mmHg
    B. onderdruk 125mm, bovendruk 80 mmHg
    C. onderdruk schommelt tussen 125 en 80 mmHg
    D. bovendruk 125, onderdruk 80 mmHg
    D.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  25. De wanden van de haarvaten (capillairen) bestaan uit:
    A. uitsluitend bindweefsel
    B. combinatie van a, b en c
    C. uitsluitend spierweefsel
    D. uitsluitend endotheelweefsel
    D.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  26. Welke van de volgende hartdelen speelt geen rol in de geleiding van de prikkel:
    A. sinusknoop
    B. annulus fibrosus
    C. Bundel van His
    D. Purkinje vezels
    B.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  27. De kransslagaderen ontspringen uit:
    A. linkerkamer van het hart
    B. de aorta
    C. rechterkamer van het hart
    D. linkerboezem van het hart
    B.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  28. De elasticiteit van de wand van een slagader is ... dan die van een ader:
    a. groter
    b. kleiner
    c. gelijk aan
    d. de wand van slagaders en aders is nooit elastisch
    a
  29. Tussen beide harthelften is een open verbinding:
    A. er is geen opening tussen de harthelften
    B. bij de kamers
    C. bij boezems en kamers
    D. bij de boezems
    A.
    (this multiple choice question has been scrambled)
  30. Weefselvocht wat niet door het bloed wordt teruggenomen, wordt afgevoerd door:
    a. de haarvaten (capillairen)
    b. de nieren
    c. lever, poortadersysteem
    d. lymfe
    d
  31. Iemand verteld dat hij longemfyseem heeft
    a. Wat betekent dit?
    b. Waardoor wordt dit veroorzaakt?
    • a. Samenvallen longblaasjes, verliezen van elasticiteit. Tussenschotjes vallen weg.
    • b. Constante prikkeling door hoesten, blaasjes gaan kapot door drukverhoging (bijv. bij roken)
  32. Iemand is in het ziekenhuis opgenomen met exacerbatie COPD.
    a. Wat betekent exacerbatie?
    b. Wat betekent COPD?
    • a. Verergering/opleving
    • b. Chronic Obstructive Pulmonary Disease
  33. Noem 3 symptomen waarbij er een verdenking op een longembolie kan zijn.
    • Verhoogde pols
    • Kortademigheid
    • Pijn op de borst
    • Koorts
    • Bloederig sputum
  34. Noem 2 risicofactoren voor een longembolie.
    trombosebeen, zwangerschap
  35. Waarom wordt bij griep (influenza) meestal geen AB voorgeschreven?
    Waarom soms wel?
    • Wordt door een virus veroorzaakt.
    • Risico door verminderde weerstand op bacteriele infectie eroverheen
  36. Noem een oorzaak van het ontstaan van een pneumothorax
    trauma, spontaan, iatrogeen, tumor, ontsteking
  37. Welk medicijn wordt meestal gegeven indien longoedeem wordt vastgesteld
    diureticum
  38. noem 2 gevaren van goedaardige (benigne) tumoren
    • groei, waardoor vitale organen in de verdrukking komen (functieverlies)
    • ontwikkeling tot maligniteit
  39. Wat is weefsel?
    Groep cellen met zelfde bouw en functie.
  40. Wat is de belangrijkste eigenschap van de celwand?
    semi-permeabel
  41. Noem 4 groepen pathogene micro-organismen
    • Bacterien
    • Virussen
    • Schimmels/gisten
    • Protozoa
    • Wormen
  42. Noem 4 lokale ontstekingsverschijnselen
    • warm (calor)
    • rood (rubor)
    • dik (tumor)
    • pijnlijk (dolor)
  43. Wanneer is sprake van een infectie
    Als pathogene micro-organismen zich in het lichaam verspreiden en vermenigvuldigen
  44. Wat zijn algemene ontstekingsverschijnselen
    • koorts
    • alg. malaise
    • leukocytose
    • verhoogde hartfrequentie (tachycardie)
  45. Kenmerken van kwaadaardigheid
    • Infiltratief
    • Destructief
    • Metastaseren
  46. Noem 6 voedingsstoffen die we nodig hebben
    • Koolhydraten
    • Vetten
    • Vitamines
    • Eiwitten
    • Water
    • Mineralen
  47. Noem 4 functie van het spijsverteringskanaal
    • Vertering
    • Vervoer
    • Opname
    • Uitscheiding
  48. Waaruit bestaat maagsap?
    water, slijm, maagzuur, spijsverteringsenzymen, Intrinsic Factor, gastrine
  49. Waaruit bestaat darmsap?
    water, slijm, spijsverteringsenzymen

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview