Spaans 2 Unidad 3

Card Set Information

Author:
Margot
ID:
222011
Filename:
Spaans 2 Unidad 3
Updated:
2013-06-02 09:12:15
Tags:
Spaans
Folders:

Description:
Spaans woordjes
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Margot on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. lichaamsdeel
    la parte del cuerpo
  2. lichaam
    el cuerpo
  3. in vorm zijn
    estar en forma
  4. hoofd
    la cabeza
  5. neus
    la nariz
  6. mond
    la boca
  7. tand
    el diente
  8. rug
    la espalda
  9. oor
    la oreja
  10. borstkas
    el pecho
  11. arm
    el brazo
  12. vinger
    el dedo
  13. teen
    eldedo del pie
  14. been
    la pierna
  15. jongere
    el/la adolescente
  16. meter
    el metro
  17. in vorm blijven
    mantenerse en forma
  18. behouden
    mantener
  19. taal
    el idioma
  20. arrogant
    arrogante
  21. het centrum vd wereld zijn
    ser el ombligo del mundo
  22. navel
    el ombligo
  23. ik krijg het niet in mijn hoofd
    no me entra en la cabeza
  24. met open mond staan
    quedarse con la boca abierta
  25. je moet heel voorzichtig zijn
    hay que tener mucho ojo
  26. een blunder begaan
    meter la pata
  27. gewoonte
    el h ùabito
  28. gezondheid
    la salud
  29. zelden
    raramente
  30. snoep
    los dulces
  31. gewoonlijk
    habitualmente
  32. alleen
    solamente
  33. draaien
    girar
  34. langzaam
    lento/a
  35. spanning
    la tensi ùon
  36. spier
    el músculo
  37. ademen
    respirar
  38. diep
    profundo/a
  39. aanraken
    tocar
  40. optillen
    levantar
  41. laten zakken
    bajar
  42. ontspannen
    relajar
  43. buigen
    flexionar
  44. elleboog
    el codo
  45. druk uitoefenen
    hacer presión
  46. huid
    la piel
  47. neus
    la nariz
  48. haar
    el cabello
  49. midde,taille
    la cintura
  50. schoonheid
    la belleza
  51. verdienen
    ganar
  52. deelnemen (aan)
    participar (en)
  53. soldaat
    el soldado
  54. in het algemeen
    en general
  55. gelukkig
    feliz
  56. stoppen met, ophouden te
    dejar de
  57. zojuist iets gedaan hebben
    acabar de
  58. nog steeds iets doen
    seguir + gerundio
  59. weer iets doen
    volver a +inf
  60. dieet
    la dieta
  61. boven
    arriba
  62. nog steeds niet doen
    seguir sing +inf
  63. herschrijven
    reescribir
  64. sportschool
    el gimnasio
  65. fitnessen, trainen
    hacer ejercicio
  66. medicijn
    el medicamento
  67. zich voelen
    sentirse (ie)
  68. manier
    la manera
  69. gzond
    sano/a
  70. hamburger
    la hamburguesa
  71. seizoen
    la temporada
  72. dwingen (te)
    obligar (a)
  73. gemak
    la facilidad
  74. conservering
    la conservación
  75. doen
    hacer
  76. drastisch
    drástico/a
  77. verhouding
    la proporción
  78. pasta
    la past
  79. vet
    la grasa
  80. toenemen
    aumentar
  81. varken
    el cerdo
  82. junkfood
    la comida basura
  83. zich voeden
    alimentarse
  84. bijdragen aan
    contribuir a
  85. gelijk blijven
    seguir igual
  86. kraanwater
    el agua del grifo
  87. middagslaapje doen
    dormir (ue) la siesta
  88. zijn mening geven
    dar su opinión
  89. schillen, pellen
    pelar
  90. hakken, fijnsnijden
    picar
  91. kloppen
    batir
  92. avocado
    el aguacate
  93. rijp
    maduro/a
  94. ui
    la cebolla
  95. peper
    la pimienta
  96. fijn
    fino/a
  97. stuk
    el trozo
  98. verwijderen
    quitar
  99. pit
    el hueso
  100. ingrediënt
    en ingrediente
  101. romig
    cremoso/a
  102. alles bij elkaar
    todo junto

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview