Frans werkwoorden

Card Set Information

Author:
Margot
ID:
222236
Filename:
Frans werkwoorden
Updated:
2013-06-03 17:27:34
Tags:
Frans
Folders:

Description:
Frans
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Margot on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. blaffen
    aboyer
  2. ontvangen,onthalen
    accueillir
  3. kopen
    acheter
  4. afmaken, beëindigen,afwerken
    achever
  5. toegeven,aanvaarden
    admettre
  6. verzachten
    adoucir
  7. handelen
    agir
  8. gaan
    aller
  9. inrichten (woning)
    aménager
  10. meebrengen
    amener
  11. aankondigen
    annoncer
  12. bemerken, opmerken, zien
    apercevoir
  13. verschijnen, te voorschijn komen
    appara[itre
  14. toebehoren aan
    appartenir
  15. roepen,oproepen
    appeler
  16. applaus geven
    applaudir
  17. waarderen
    apprécier
  18. leren
    apprendre
  19. duwen,steunen
    appuyer
  20. aankomen
    arriver
  21. bereiken
    atteindre
  22. wachten op
    attendre
  23. landen
    atterrir
  24. vooruit gaan
    avancer
  25. verwittigen
    avertir
  26. hebben
    avoir
  27. vegen, wegvegen
    balayer
  28. bouwen
    b[atir
  29. slaan
    battre
  30. vechten
    se battre
  31. wit worden/maken
    blanchir
  32. drinken
    boire
  33. bewegen
    bouger
  34. koken (100 graden)
    bouillir
  35. toegeven
    céder
  36. vieren
    célébrer
  37. veranderen
    changer
  38. kiezen
    choisir
  39. beginnen
    commencer
  40. begaan (een fout, een misdaad)
    commettre
  41. verschijnen (voor een rechter)
    comparaître
  42. vervolledigen
    compléter
  43. begrijpen
    comprendre
  44. besluiten
    conclure
  45. besturen, brengen met de wagen
    conduire
  46. verwarren
    confondre
  47. invriezen
    congeler
  48. kennen
    connaître
  49. veroveren
    conquérir
  50. bouwen
    construire
  51. inhouden
    contenir
  52. tegenspreken
    contredire
  53. overtuigen
    convaincre
  54. naaien
    coudre
  55. lopen
    courir
  56. bedekken
    couvrir
  57. vrezen
    craindre
  58. creëren, doen ontstaan
    créer
  59. geloven
    croire
  60. plukken
    cueillir
  61. koken
    cuire
  62. overlijden
    décéder
  63. teleurstellen
    décevoir
  64. ontdekken
    découvrir
  65. beschrijven
    décrire
  66. verdedigen
    défendre
  67. bepalen
    définir
  68. verhuizen
    déménager
  69. afhangen van
    dépendre
  70. niet aanstaan
    déplaire
  71. storen
    déranger
  72. beneden gaan/brengen
    descendre
  73. haten
    détester
  74. vernietigen
    détruire
  75. worden
    devenir
  76. moeten
    devoir
  77. zeggen
    dire
  78. verdwijnen
    disparaïtre
  79. scheiden
    divorcer
  80. slapen
    dormir
  81. verwisselen, uitwisselen
    échanger
  82. schrijven
    écrire
  83. uitvegen
    effacer
  84. schrik aanjagen
    effrayer
  85. groter,wijder maken, uitbreiden
    élargir
  86. opvoeden, kweken, naar omhoog brengen
    élever
  87. wegbrengen, meenemen
    emmener
  88. ontroeren
    émouvoir
  89. gebruiken
    employer
  90. aanmoedigen
    encourager
  91. verwijderen
    enlever
  92. vervelen
    s'ennuyer
  93. horen
    entendre
  94. binnengaan
    entrer
  95. sturen
    envoyer
  96. spellen
    épeler
  97. hopen
    espérer
  98. proberen
    essayer
  99. afdrogen
    essuyer
  100. uitdoven
    éteindre
  101. zijn
    être
  102. studeren
    étudier
  103. overdrijven
    exagérer
  104. inoefenen
    exercer
  105. doen
    faire
  106. nodig zijn
    falloir
  107. bladeren
    feuilleter
  108. beëindigen
    finir
  109. bloeien
    fleurir
  110. smelten
    fondre
  111. leveren
    fournir
  112. vluchten
    fuir
  113. garanderen
    garantir
  114. vriezen
    geler
  115. groot worden
    grandir
  116. dik worden
    grossir
  117. genezen
    guérir
  118. haten
    haïr
  119. beïnvloeden
    influencer
  120. verbieden
    interdire
  121. ondervragen
    interroger
  122. onderbreken
    interrompre
  123. tussenkomen
    intervenir
  124. inleiden
    introduire
  125. werpen
    jeter
  126. samenbrengen
    joindre
  127. profiteren van
    jouir de
  128. beoordelen
    juger
  129. gooien
    lancer
  130. optillen
    lever
  131. lezen
    lire
  132. logeren
    loger
  133. vermageren
    maigrir
  134. behouden
    maintenir
  135. vervloeken
    maudire
  136. mengen
    mélanger
  137. bedreigen
    menacer
  138. liegen
    mentir
  139. leggen
    mettre
  140. naar omhoog gaan
    monter
  141. bijten
    mordre
  142. doodgaan
    mourir
  143. zwemmen
    nager
  144. geboren worden
    naître
  145. schoonmaken
    nettoyer
  146. zwart maken
    noircir
  147. voeden
    nourrir
  148. schade toebrengen aan
    nuire à
  149. gehoorzamen
    obéir à
  150. bekomen
    obtenir
  151. aanbieden
    offrir
  152. openen
    ouvrir
  153. bleek worden
    pâlir
  154. schijnen
    paraître
  155. overlopen
    parcourir
  156. wedden
    parier
  157. spreken
    parler
  158. vertrekken
    partir
  159. voorbijkomen
    passer
  160. betalen
    payer
  161. schilderen
    peindre
  162. hangen
    pendre
  163. verliezen
    perdre
  164. toelaten
    permettre
  165. knijpen
    mincer
  166. plaatsen
    placer
  167. aanstaan, bevallen
    plaire
  168. regenen
    pleuvoir
  169. plooien
    plier
  170. duiken
    plonger
  171. bezitten
    posséder
  172. kunnen, mogen
    pouvoir
  173. voorafgaan
    précéder
  174. voorspellen
    prédire
  175. verkiezen
    préférer
  176. nemen
    prendre
  177. voorschrijven
    prescrire
  178. produceren,maken
    produire
  179. wandelen
    se promener
  180. beloven
    promettre
  181. uitspreken
    prononcer
  182. beschermen
    protéger
  183. straffen
    punir
  184. verfrissen
    rafrâichir
  185. vertragen
    ralentir
  186. terugbrengen
    ramenr
  187. reageren
    réagir
  188. ontvangen, krijgen
    recevoir
  189. herkennen
    reconnaître
  190. overdekken met
    recouvrir
  191. nadenken
    réfléchir
  192. koud worden
    refroidir
  193. regelen
    régler
  194. bedanken
    remercier
  195. vervangen
    remplacer
  196. vullen
    remplir
  197. teruggeven
    rendre
  198. vernieuwen
    renouveler
  199. herhalen
    répéter
  200. antwoorden
    répondre
  201. oplossen
    résoudre
  202. blijven
    rester
  203. terugkeren
    retourner
  204. slagen
    réussir
  205. laten zien, onthullen
    révéler
  206. terugkomen
    revenir
  207. terugzien
    revoir
  208. lachen
    rire
  209. breken
    rompre
  210. roosteren
    rôtir
  211. rood worden
    rougir
  212. vuil maken
    salir
  213. gaan zitten
    s'asseoir
  214. tevreden stellen
    satisfaire
  215. weten, kunnen
    savoir
  216. zich gedragen
    se conduire
  217. zich ontspannen
    se détendre
  218. klagen
    se plaindre
  219. zich herinneren
    se rappeler
  220. zwijgen
    se taire
  221. drogen
    sécher
  222. te hulp komen
    secourir
  223. verleiden
    séduire
  224. zaaien
    semer
  225. weggaan
    s'en aller
  226. inslapen
    s'endormir
  227. vluchten
    s'enfuir
  228. zich vervelen
    s'ennuyer
  229. voelen
    sentir
  230. bedienen
    servir
  231. lijden
    souffrir
  232. glimlachen
    sourire
  233. opvolgen
    succéder à
  234. volgen
    suivre
  235. invriezen
    surgeler
  236. verrassen
    surprendre
  237. overleven
    srvivre
  238. kleuren
    teindre
  239. spannen
    tendre
  240. houden
    tenir
  241. vallen
    tomber
  242. maaien
    tondre
  243. vertalen
    traduire
  244. winnen, overwinnen
    vaincre
  245. waard zijn
    valoir
  246. verkopen
    vendre
  247. komen
    venir
  248. ouder worden
    vieillir
  249. leven
    vivre
  250. zien
    voir
  251. willen
    vouloir

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview