stijlfiguren.txt

Card Set Information

Author:
Anonymous
ID:
223709
Filename:
stijlfiguren.txt
Updated:
2013-06-13 08:43:58
Tags:
Nederlands
Folders:

Description:
stijlfiguren nieuw nederlands 6aso
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Anonymous on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Accumulatio
    het samenplaatsen van woorden met een overeenkomstige betekenis om een bepaald effect te bereiken (nadruk, bezwering enzo) Vb. er was geen licht, geen vuur, geen water, geen lucht.
  2. Anafoor
    het herhalen van eendezelfde woord(groep) aan het begin van twee of meer opeenvolgende zinsdelen om meer nadruk te leggen. Vb. niemand kent u, niemand gelooft u, niemand vertrouwt u.
  3. Analogie
    een overeenkomst of gelijkaardigheid; als verschillende analoge feiten naast elkaar worden geplaatst, kunnen ze de grondslag vormen van een redenering. Vb. Wie als Erasmusstudent naar het buitenland trekt, moet vaak een nieuwe taal leren. Dat is als een nieuwe gsm kopen of een nieuw computerprogramma onder de knie krijgen: in het begin even wennen, maar na een tijdje de gewoonste zaak van de wereld.
  4. Antithese
    tegengestelde woorden of begrippen die met elkaar verbonden worden. Vb. Dood of leven, goed of slecht.
  5. Apostrof
    de spreker of schrijver richt het woord rechtsreeks tot een of meer personen, terwijl die niet aanwezig zijn. Vb. Maar, meneer de minister, is dat werkelijk de koers die u wil hanteren?
  6. Archasme
    bewuste navolging van stijl (woorden, zinnen) die in een vroegere taalperiode thuishoren. Ze hebben meestal een plechtstatige effect, maar kunnen daardoor vaak met ironische bedoelingen gebruikt worden. Vb. Wist je dat er van Pamela een vrij onthullende lichtdruk (foto) in een bepaald herenblad verschenen is?
  7. Asyndeton
    het zonder voegwoorden naast elkaar plaatsen van woorden, zinsdelen of zinnen. Deze stijlfiguur is oa nuttig om tegenstellingen aan te scherpen. Vb. Niet ik, hij heeft het gedaan.
  8. Captatio benevolentiae
    heilwens of lofprijzing bij het begin van een redevoering met de bedoeling de aangesprokene gunstig te stemmen. Vb. Beste kameraden, het is een eer en een genoegen na zovele jaren weer in uw midden te zijn.
  9. Chiasme
    kruisstelling, stijlfiguur waarbij twee paren van woorden in kruis gesteld worden. Vb. In vredestijd vraag je om oorlog, in oorlog verlang je naar vrede
  10. Clich
    een door te frequent gebruik versleten beeld, wending of idee. Het is voorspelbaar, niet origineel. Vb. Zo groen als gras
  11. Climax
    de opstelling van woorden, woordgroepen en zinnen in stijgende lijn, wat betekenis of lengte betreft. Vb. Ga, loop, vlieg !
  12. Dysfemisme
    bewust kwetsend of grof taalgebruik (het tegengestelde van eufemisme) Vb. Ik heb die twee klootzakken en hun teven in elkaar geramd.
  13. Ellips
    Het weglaten van vanzelfsprekende woorden Vb. Hij (was) blij.
  14. Eufemisme
    Omschrijving van iets onaangenaams in bedekte termen. Vb. Heengaan = sterven / proletarisch winkelen = stelen
  15. Evidentia
    een concrete, gedetailleerde beschrijving van personen of zaken; de beschrijving kan ook gebeuren aan de hand van een illustratie of een voorbeeld. Vb. Een computer is niet meer dan een door de mens uitgevonden, hersenloze machine, die door de mens gemaakte programma's snel, krachtig en foutloos kan uitvoeren.
  16. Exclamatio
    een korte uitroep, vaak met ellips. Vb. Wat een tijden, wat een zede ! (maakt meer indruk dan te zeggen dat het slechte tijden zijn.)
  17. Exemplum
    Een geciteerd voorbeeld, vaak met als bronvermelding een persoon die of een instituut dat een zeker gezag heeft, waarmee een argument wordt ondersteund. Is vaak een erg krachtig retorisch middel. Vb. Een onderzoek uit 2006 toonde dit aan: professoren aan de universiteit van Berlijn stelden vast dat er geen enkele correlatie bestaat tussen het veelvuldig beluisteren van klassieke muziek als kind en wiskundig inzicht op latere leeftijd.
  18. Exhortatio (aansporing)
    het vaak met zachte dwang aansporen van de luisteraar tot het ondernemen van een actie of het innemen van een bepaald standpunt. Vb. Ga niet bij de pakken neerzitten ! Het is tijd voor actie!
  19. Generalisering
    veralgemening. Uit enkele specifieke, sprekende voorbeelden wordt een veralgemenende conclusie getrokken. Veralgemeningen worden vaak gebruikt als retorisch stijlmiddel, maar zijn vaak onjuist of niet logisch te staven. Vb. De terreuraanslagen van 11 september hebben duidelijk aangetoond dat vliegen niet langer veilig is.
  20. Hyperbool
    Sterke overdrijving Vb. Een oceaan van tranen / Ik wacht hier al een eeuw.
  21. Ironie
    men zegt het tegengestelde van wat men in werkelijkheid bedoelt. Vb. Morgen hebben we examen wiskunde, mijn geluk kan niet op !
  22. Litotes
    een begrip wordt omschreven door het tegendeel te ontkennen Vb. Martine is inderdaad niet lelijk.
  23. Metafoor
    betekenisoverdracht tussen twee termen. Het kan gezien worden als een vergelijking waaruit het vergelijkend woord (als, zoals, gelijk aan) weggelaten is. Vb. Mijn geliefde is (als) een engel.
  24. Metonymie
    het ene woord wordt door een ander vervangen op grond van een betekenisrelatie, maar niet op basis van vergelijking. Er zijn verschillende vormen van mogelijk: 1. Deel voor het geheel: welkom onder mijn dak, ipv huis (pars pro toto), 2. Geheel voor een deel: het huis stortte in, ipv het dak (totum pro parte), 3. de maker ipv het gemaakte: Hij ligt in de armen van Morfeus (god van de slaap), 4. de oorzaak voor het gevolg: het heeft zijn tong verloren ipv zijn spraak, 5. enkelvoud ipv meervoud: de hedendaagse vrouw is gemancipeerd, 6. De plaats ipv de bewoners: Parijs is in opstand.
  25. Neologisme
    een nieuw woord in een taal. Men kan dat hoofdzakelijk gebruiken om esthetische of expressieve redenen. Verder kan men eveneens een humoristische of origineel effect mee beogen. Vb. de kans op vogelgriep heeft ons maandenlang opgezadeld met ophokplicht / is het waar dat jongeren al te lang gepamperd worden?
  26. oxymoron
    combinatie van twee of meer in wezen tegenstrijdige begrippen (beknopte paradox) Bv. deze levende dood / de stilte was oorverdovend
  27. Paradox
    een schijnbare tegenstelling. De uitspraak bevat op het eerste gezicht een tegenspraak, maar na nader onderzoek ontdekt men een dieperliggende waarheid die de tegengestelde componenten met elkaar verzoent. Vb. Als ik wakker word naast jou, dan droom ik nog. / Je kunt de stilte horen. / Strijden voor de vrede.
  28. Parallellisme
    overeenkomst tussen twee opeenvolgende teksteenheden doordat equivalente woorden in de beide constructies eenzelfde positie innemen. Het wordt beschouwd als een 'onvolledige herhaling', waarbij de identiteit n het verschil van de aldus geplaatste tekstelementen worden beklemtoond. Vb. De vingers aan je hand, de bladeren van een plant.
  29. Polysyndeton Consequente herhaling van een voegwoord in een reeks van minstens drie woorden, zinnen. Vb. Caesar was veldheer en redenaar en schrijver en politicus en rokkenjager.
  30. Praeteritio
    de spreker kondigt uitdrukkelijk aan dat hij iets niet zal bespreken, maar vernoemt het daardoor juist wel. Deze stijlfiguur heeft een dubbel effect: enerzijds verstigt ze de aandacht op een zogezegd te verwaarlozen onderwerp en anderzijds wordt het slecht terzijde vermelde onderwerp beklemtoond. Vb. (bij een oudercontact)... en dan zwijg ik nog over het irritante gedrag van uw dochter tijdens de lessen biologie en scheikunde.
  31. Quaestio
    een reeks vragen, veelal gericht aan het adres van een of meerdere specifieke personen, volgen elkaar in snel tempo op. Die vragen kunnen retorisch zijn, maar zijn veelal concreet. Vb. Wat is er precies gebeurd? Wie heeft dat toegelaten? Wie was verantwoordelijk?
  32. Repetitio (herhaling)
    een woord of zinswending wordt bewust ongewijzigd herhaald. Dit kan gedaan worden om dat zinsdeel bijzondere nadruk te geven of om het in een veranderende context een andere betekenis te geven. Vb. Dag na dag na dag blijven wij dit onrecht accepteren?
  33. Retorische stilte
    betekenisvolle stilte om de draagkracht van het gezegde tot de luisteraar te laten doordringen. In een tekst kan een retorische stilte worden weergegeven door het gebruik van het beletselteken of het nemen van een nieuwe alinea. Vb. Of ik morgen overhoring geef? Wie weet..
  34. Retorische vraag
    de spreken stelt een vraag waarop niet moet geantwoord worden. hij druk zekerheid of verontwaardiging uit. Vb. Hoe lang nog, Catilina, zul jij ons geduld op de proef stellen?
  35. Subjectio
    het geven van het antwoord op een zelfgestelde vraag aan een toehoorder of tegenstander. Vb. Zag niemand dan wat er gebeurde? Tuurlijk wel ! iedereen zag het !
  36. Understatement
    een vorm van ironie die gebaseerd is op het contrast tussen de bedoelde werkelijkheid en de verwoording ervan. Het effect wordt bereikt door een afzwakking of verkleining. Vb. een bescheiden optrekje (voor een riant landhuis)

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview