Marketing 1

Card Set Information

Author:
celine
ID:
223972
Filename:
Marketing 1
Updated:
2013-06-15 17:56:55
Tags:
Begrippen
Folders:

Description:
Marketingbegrippen
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user celine on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. marketing
    Een sociaal en managementproces waarin individuen en groepen verkrijgen wat zij nodig hebben en wensen, door producten en waarde te creëren en deze met anderen uit te wisselen.
  2. behoeft
    Het idee van een individu dat het hem aan iets ontbreekt.
  3. wens
    De concrete vorm die de behoefte aanneemt in een bepaalde cultuur en persoon.
  4. vraag
    Wensen die worden gesteund door koopkracht.
  5. marketingaanbod
    Een combinatie van goederen, diensten, informatie of ervaringen die bedrijven de markt bieden om een behoefte of wens te bevredigen.
  6. waarde voor de klant
    Het vermogen - in de ogen van de klant - van het product om in de behoeften van de klant te voorzien.
  7. klanttevredenheid
    De mate waarin de waargenomen prestaties van een product voldoen aan de verwachtingen van de klant. Als de prestaties van het product niet aan de verwachtingen voldoen, is de koper ontevreden. Als de prestaties wel aan de verwachtingen voldoen, of die overtreffen, is de afnemer tevreden of zelfs opgetogen.
  8. Total Quality Management (TQM)
    Programma's die ontworpen zijn om de kwaliteit van producten, diensten en marketingprocessen voortdurend te verbeteren.
  9. ruil
    De handeling waarbij men het gewenste object van iemand verwerft door zelf iets anders in ruil aan te bieden.
  10. transactie
    Een ruil tussen twee partijen waarmee ten minste twee zaken van waarde gemoeid zijn, plus overeengekomen voorwaarden, een tijd en een plaats van overeenkomst.
  11. relatiemarketing
    Het proces waarin het bedrijf sterke, waardevolle relaties opbouwt, onderhoudt en verbetert met klanten en andere belanghebbenden.
  12. markt
    Alle werkelijke en potentiële kopers van een product of dienst.
  13. marketingmanagement
    De kunst en wetenschap van het kiezen van doelmarkten en het opbouwen van een rendabele relatie met deze markten.
  14. demarketing
    Marketing om de vraag tijdelijk of permanent te doen dalen, waarbij het niet de bedoeling is dat de vraag verdwijnt, maar wel dat hij wordt verminderd of veranderd.
  15. productieconcept
    Volgens dit concept geven consumenten de voorkeur aan producten die beschikbaar zijn en die zij zich gemakkelijk kunnen veroorloven. Het is dan belangrijk dat de bedrijfsvoering zich richt op een efficiëntere productie en distributie.
  16. productconcept
    Volgens dit concept geven consumenten de voorkeur aan een product dat de beste kwaliteit, de beste prestatie en functionaliteit biedt. Hieruit volgt dat de organisatie zich moet inspannen de producten constant te verbeteren.
  17. verkoopconcept
    Volgens dit concept kopen consumenten pas genoeg wanneer het bedrijf veel moeite doet voor verkoop en promotie.
  18. marktetingconcept
    Volgens dit concept kan een bedrijf zijn doelstellingen alleen bereiken wanneer het de behoeften en wensen van de doelgroep kan bepalen en de gewenste bevrediging hiervan doelmatiger en efficiënter levert dan de concurrent.
  19. maatschappelijke-marketingconcept
    Volgens dit concept moet een bedrijf de behoeften, wensen en belangen van de doelgroep vaststellen. Vervolgens zal het dan proberen de gewenste bevrediging doelmatiger en efficiënter te leveren dan de concurrentie, zodat het welzijn van zowel de consument als de samenleving gehandhaafd of verbeterd wordt.
  20. duurzame-marketingconcept
    Volgens dit concept moet een organisatie voorzien in de behoeften van zijn huidige klanten zonder dat dit ten koste gaat van het vermogen van toekomstige generaties om te voorzien in hun behoeften.
  21. missie
    Formulering van de doelstelling van de organisatie: wat zij wil bereiken in de ruimere omgeving.
  22. externe doorlichting
    En uitvoerig onderzoek van de markten, de concurrentie, de bedrijfs- en economische omgeving waarin de organisatie actief is.
  23. interne doorlichting
    Een beoordeling van de hele waardeketen van het bedrijf.
  24. balans
    Een financieel overzicht van de bezittingen, de schulden en het eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald moment.
  25. winst-en-verliesrekening
    Een financieel overzicht waarin de omzet, de kosten van de verkochte goederen en diensten over een bepaalde periode worden weergegeven.
  26. SWOT-analyse
    De bevindingen van de interne en externe doorlichting, waarbij aandacht wordt gevestigd op de kritische sterke en zwakke punten van de organisatie en de kansen en dreigingen uit de omgeving.
  27. kritische succesfactoren
    De sterke en zwakke punten die het meest bepalend zijn voor het succes van het bedrijf. Zij worden gemeten in verhouding tot die van de concurrent.
  28. bedrijfsportfolio
    Het geheel van activiteiten en producten van een bedrijf.
  29. portfolioanalyse
    Een instrument waarmee het management de verschillende activiteiten van het bedrijf evalueert.
  30. Strategic Business Unit (strategische bedrijfseenheid, SBU)
    Bedrijfsonderdelen met een eigen missie en doelstelling, waarvoor een onafhankelijke planning opgesteld kan worden. Dit kan een divisie zijn, een productlijn binnen  een divisie of zelfs een enkel product of merk.
  31. groei/aandeel-matrix
    Een methode van portfolioplanning waarbij de strategic business units (SBU's) worden beoordeeld op de groei in hun markt en hun relatieve marktaandeel. SBU's worden geclassificeerd als stars, cash cows, question marks of dogs.
  32. stars
    Activiteiten of producten met een groot aandeel in een sterk groeiende markt. De sterke groei vereist vaak een hoge investering.
  33. cash cows
    Activiteiten of producten met een groot aandeel in een zwak groeiende markt. Deze gevestigde en geslaagde eenheden genereren het geld waarmee het bedrijf de rekeningen betaalt en andere strategische eenheden steunt.
  34. question marks
    Activiteiten of producten met een klein aandeel in een sterk groeiende markt. Veel geld is vereist om dit aandeel te verdedigen, laat staan uit te breiden.
  35. dogs
    Activiteiten of producten met een klein aandeel in een zwak groeiende markt. Verdienen zichzelf net terug, maar het ziet er niet naar uit dat deze eenheden ooit een grote positieve cashflow zullen opleveren.
  36. product-/marktontwikkelingsmatrix
    Een instrument voor portfolioplanning om te bepalen hoe bedrijven kunnen groeien door marktpenetratie, marktontwikkeling, productontwikkeling en diversificatie.
  37. marktpeteratie
    Een strategie om te groeien door de omzet van huidige producten binnen de huidige markten te vergroten zonder het product wezenlijk te veranderen.
  38. productontwikkeling
    Een strategie om te groeien door gewijzigde of nieuwe producten aan te bieden aan huidige markten.
  39. marktontwikkeling
    Een strategie om als bedrijf te groeien door nieuwe markten te benoemen en ontwikkelen voor de huidige producten van het bedrijf.
  40. diversififcatie
    Een strategie om als bedrijf te groeien door het opstarten of overnemen van activiteiten buiten de huidige producten en markten.
  41. inkrimping
    Het activiteitenportfolio verkleinen door producten of activiteiten te schrappen als deze niet rendabel zijn of niet meer passen in de algemene strategie van het bedrijf.
  42. marketingaudit
    Een volledige, systematische, onafhankelijke, periodieke doorlichting van de omgeving, doelstellingen, strategieën en activiteiten van het bedrijf, waarbij kansen en bedreigingen worden geconstateerd worden en een actieplan wordt aanbevolen om de marketingresultaten te verbeteren.
  43. marketingstrategie
    De marketingfilosofie waarmee een businessunit zijn marketingdoelstellingen hoopt te bereiken.
  44. marktsegmentatie
    Het indelen van de markt in afzonderlijke klantengroepen met verschillende behoeften, kenmerken of gedragingen die mogelijk een apart product of een aparte marketingmix vereisen.
  45. marktsegment
    Een groep consumenten die ongeveer gelijk reageert op een bepaalde set marketinginspanningen.
  46. doelgroepkeuze
    Het proces waarbij de aantrekkelijkheid van de verschillende marktsegmenten wordt geëvalueerd en een of meer doelgroepen worden uitgekozen waarop het bedrijf zich wil richten.
  47. positionering
    Het realiseren van een (relatieve) positie van een organisatie, bedrijfseenheid, merk of product in het hoofd van de consument ten opzichte van vergelijkbare concurrenten.
  48. differentiatie
    Het marktaanbod laten verschillen van dat van concurrenten, zodat het de consument superieure waarde biedt.
  49. implementatie van het marketingplan
    Het proces waarin de strategie en de plannen in daden worden omgezet om de strategische marketingdoelstellingen te verwezenlijken.
  50. rendement op de marketinginvestering (marketing-ROI)
    Nettorendement op een marketinginvestering gedeeld door de kosten van de marketinginvestering.
  51. marketingcontrole
    Het proces waarin de resultaten van marketingstrategieën worden gemeten en beoordeeld, en een organisatie zo nodig corrigerend optreedt om de marketingdoelstellingen te realiseren
  52. operationele controle
    Controleren of de werkelijke prestaties in overeenstemming zijn met de plannen, en corrigerend optreden.
  53. strategische controle
    Controleren of de basisstrategie van het bedrijf aansluit bij de kansen en sterke punten.
  54. marketingomgeving
    De spelers en krachten buiten de marketing die de mate bepalen waarin het marketingmanagement in staat is succesvolle transacties met de klanten uit zijn doelgroep te beginnen en te onderhouden.
  55. micro-omgeving
    De krachten in het bedrijf die het bedrijf kan beheersen of beïnvloeden. Zij spelen zich af binnen de afdelingen van het bedrijf.
  56. meso-omgeving
    De onbeheersbare, maar min of meer beïnvloedbare omgevingsfactoren buiten het bedrijf op het niveau van bedrijfskolom. Hiertoe behoren bedrijven in het distributiekanaal, consumentenmarkten, concurrenten en belangengroepen.
  57. macro-omgeving
    De grotere maatschappelijke krachten die de hele micro- en meso-omgeving beïnvloeden: demografische, economische, ecologische, technologische, politieke en culturele krachten.
  58. leveranciers
    Bedrijven en individuen die het bedrijf - en misschien ook de concurrenten - voorzien van de middelen en materialen die het nodig heeft om de producten en diensten te produceren.
  59. tussenhandelaren
    Bedrijven die het bedrijf helpen zijn producten te promoten, verkopen en distribueren onder de eindafnemers: logistiek dienstverleners, marketingservicebureaus en financiële tussenpersonen.
  60. wederverkopers
    De personen en organisaties die producten en diensten kopen om ze met winst te verkopen.
  61. logistieke dienstverleners
    Op- en overslag-, transport- en andere bedrijven die een bedrijf helpen met de oplag en het transport van producten vanaf hun punt van oorsprong tot de bestemming.
  62. marketingservicebureaus
    Marktonderzoekbureaus, reclamebureaus, mediabedrijven, marketingadviesbureaus en andere dienstverlenende bedrijven die het bedrijf helpen voor de producten de juiste doelgroepen te kiezen en daarmee op de juiste wijze te communiceren.
  63. financiële dienstverleners
    Banken, kredietverstrekkers, verzekeringsmaatschappijen en andere bedrijven die financiële transacties regelen ofwel een risico in de koop of verkoop van producten verzekeren.
  64. publieksgroepen of belangengroepen
    Groepen die - nu al of eventueel in de toekomst - belang hebben bij of invloed hebben op het vermogen van het bedrijf de doelstellingen te verwezenlijken.
  65. demografie
    De beschrijving van de bevolking naar grootte, dichtheid, plaats, leeftijd, geslacht, ras, bezigheid en andere gegevens.
  66. economische omgeving
    De factoren die de koopkracht en het uitgavenpatroon van de consument beïnvloeden.
  67. Wet van Engel
    De waarneming, een eeuw geleden door Ernst Engel gedaan dat naarmate het inkomen stijgt, het percentage van het inkomen dat wordt besteed aan noodzakelijke producten - voedsel huisvesting, vervoer, gezondheidszorg - afneemt.
  68. natuurlijke omgeving
    Natuurlijke bronnen die marketeers nodig hebben als input of die door marketingactiviteiten worden beïnvloed.
  69. technologische omgeving
    Krachten die leiden tot nieuwe technologieën en zo nieuwe kansen creëren voor producten en markten.
  70. politieke omgeving
    Wetten, overheden en actiegroepen die organisaties en individuen in een maatschappij beïnvloeden en beperken.
  71. culturele omgeving
    Instellingen en andere krachten die de elementaire waarden, de perceptie, de voorkeuren en het gedrag binnen een maatschappij beïnvloeden.
  72. omgevingsmanagementvisie
    Een managementvisie waarbij de organisatie actie onderneemt om de belangengroepen en krachten in haar marketingomgeving te beïnvloeden in plaats van deze alleen in de gaten te houden en daarop te reageren.
  73. consumentengedrag
    Het koopgedrag van de eindconsument: de individuen en huishoudens die producten en diensten kopen voor persoonlijk gebruik.
  74. cultuur
    Het stelsel van elementaire waarden, perceptie, wensen en gedrag dat een lid van de maatschappij meekrijgt uit het gezin en andere belangrijke instituten in de samenleving
  75. subcultuur
    Een groep mensen met sterk overeenkomende waardestelsels op grond van een vergelijkbare levenservaring en leefsituatie.
  76. sociale klassen
    Redelijk permanente lagen binnen de maatschappij waarvan de leden een sterke gelijkenis vertonen in waarden, belangstelling en gedrag.
  77. membership groups
    Groepen waartoe de betrokkene hoort en die zijn gedrag direct beïnvloeden.
  78. referentiegroepen
    Groepen die direct of indirect invloed heeft op de houding en het gedrag een bepaald individu.
  79. aspiratiegroep
    Groep waartoe een individu graag zou willen horen.
  80. opinieleiders
    Mensen in een referentiegroep die vanwege speciale vaardigheden, kennis, karakter of andere eigenschappen invloed op anderen uitoefenen.
  81. online sociaal netwerken
    Via netwerksites op het internet contacten onderhouden met vrienden, kennissen en soms met mensen die je nauwelijks kent.
  82. besluitvormingseenheid (decision making unit, DMU)
    Alle personen die deelnemen aan en invloed uitoefenen op het aankoopbeslissingsproces van de consument.
  83. initiatiefnemer
    Degene die het eerste met het idee komt een bepaald product of een bepaalde dienst te kopen.
  84. beïnvloeder
    Iemand wiens mening of advies gewicht in de schaal legt bij de uiteindelijke koopbeslissing. Vaak helpt de beïnvloeder de specificaties op te stellen en de informatie te leveren voor het afwegen van alternatieven.
  85. beslisser
    Degene die uiteindelijk de koopbeslissing volledig of ten dele neemt: kopen of niet? wat? hoe? waar?
  86. koper
    Degene die de uiteindelijke koop verricht.
  87. gebruiker
    De persoon die het product of de dienst consumeert.
  88. rol
    De activiteiten die de mensen uit de omgeving van een individu verwachten.
  89. status
    Het respect van de maatschappij voor een bepaalde rol.
  90. gezinslevenscyclus
    De fasen die een gezin doormaakt wat betreft samenstelling en leeftijd van de gezinsleden.
  91. levensstijl
    Het individuele leefpatroon zoals dit tot uitdrukking komt in activiteiten, interesses en opinies.
  92. psychografie
    De methode waarmee levensstijlen worden gemeten en geclassificeerd; hiervoor wordt de AIO-dimensie gebruikt (activiteiten, interesses, opinies).
  93. persoonlijkheid
    De unieke psychische eigenschappen die leiden tot een redelijk consequent en permanent patroon van reacties op de omgeving.
  94. zelfbeeld
    Het complexe beeld dat mensen van zichzelf hebben.
  95. motief
    Een behoefte die zo sterk is geworden, dat je naar bevrediging streeft.
  96. perceptie
    Het proces waarbij mensen informatie selecteren, indelen en interpreteren om zich een zinnig beeld van de wereld te vormen.
  97. selectieve aandacht
    De neiging van mensen zich af te sluiten voor de meeste informatie waaraan zij worden blootgesteld.
  98. selectieve interpretatie
    De neiging van mensen informatie aan te passen aan hun persoonlijke opvattingen.
  99. selectieve herinnering
    De neiging van mensen alleen een deel van de informatie waaraan zij worden blootgesteld te onthouden, doorgaans de informatie die hun standpunt en overtuiging ondersteunt.
  100. leren
    De verandering in gedrag op grond van ervaring.
  101. overtuiging
    Een beschrijvende gedachte van een individu over een bepaalde zaak.
  102. attitude
    Een consequent gunstig of ongunstig standpunt of gevoel ten opzichte van een object of een idee.
  103. doelgroepmarketing
    Het richten van de activiteiten van het bedrijf op het bedienen van een of meer groepen klanten die gemeenschappelijke behoeften of kenmerken hebben.
  104. marktsegmentatie
    Het proces waarbij consumenten worden ingedeeld in duidelijk onderscheiden groepen met gelijksoortige behoeften, kenmerken of gedrag. Deze groepen vereisen mogelijkerwijs andere producten of een andere marketingmix.
  105. doelgroepkeuze
    Het proces waarbij de aantrekkelijkheid van de verschillende marktsegmenten wordt geëvalueerd en een of meerdere doelgroepen worden uitgekozen waarop het bedrijf zich wil richten.
  106. positionering
    Ervoor zorgen dat een product een duidelijke, onderscheidende en wenselijke plaats inneemt in het hoofd van de consument, vooral in verhouding tot andere producten. Een concurrentiepositionering voor een product formuleren en een gedetailleerde marketingmix samenstellen.
  107. geografische segmentatie
    Het proces van het opsplitsen van de markt in verschillende geografisch bepaald eenheden, zoals naties, deelstaten, regio's, provincies, stede of wijken.
  108. demografische segmentatie
    Het proces van het opsplitsen van de markt in verschillende demografisch bepaalde variabelen, zoals leeftijd, seksuele geaardheid, geslacht, gezinsgrootte, gezinslevenscyclus, inkomen, beroep, opleiding, religie, land van herkomst en nationaliteit.
  109. levensfasesegmentatie
    Het aanbieden van producten of marketing die de veranderende behoeften van de consument in de verschillende fasen van hun leven onderkennen.
  110. etnische segmentatie
    Het aanbieden van producten of het kiezen van een marketingaanpak die rekening houdt met de specifieke sterkten of behoeften van een etnische groep.
  111. segmentatie naar geslacht
    Het proces van het opsplitsen van de markt in verschillende groepen naar geslacht.
  112. segmentatie naar inkomen
    Het proces van het opsplitsen van de markt in verschillende groepen naar inkomen.
  113. psychografische segmentatie
    Het opsplitsen van de markt in verschillende groepen op grond van sociale klasse, levensstijl of persoonlijkheid.
  114. gedragssegmentatie
    Het proces van het opsplitsen van de markt in verschillende groepen naar hun kennis van, houding ten opzicht van, gebruik van of reactie op een product.
  115. segmentatie naar gelegenheid
    Het proces van het opsplitsen van de markt in groepen op grond van het tijdstip waarop de consument eraan denkt het product te kopen, het product werkelijk koopt of het gekochte product gebruikt.
  116. benefitsegmentatie
    Het proces van het opsplitsen van de markt in groepen op grond van de verschillende benefits (productvoordelen) die de consument van dat product verwacht.
  117. geodemografie
    Het onderzoek naar de relaties tussen geografische locatie en demografie.
  118. Intermarktsegmentatie
    Segmentatie uitsluitend op basis van de eigenschappen van consumenten, ongeacht hun nationaliteit.
  119. meetbaarheid
    De mate waarin de grootte, de koopkracht en de winstgevendheid van een marktsegment kunnen worden gemeten.
  120. toegankelijkheid/bereikbaarheid
    De mate waarin een marktsegment kan worden bereikt en bediend.
  121. omvang
    De mate waarin een marktsegment groot of winstgevend genoeg is.
  122. differentieerbaar
    De mate waarin segmenten conceptueel zijn te onderscheiden en anders reageren op marketingprikkels.
  123. bewerkbaarheid
    De mate waarin effectieve programma's kunnen worden opgesteld om een bepaald segment aan te trekken en te bedienen.
  124. positionering
    Het realiseren van een (relatieve) positie van een organisatie, businessunit, merk of product in de perceptie van afnemers, ten opzichte van vergelijkbare concurrenten.
  125. concurrentievoordeel
    De voorsprong die men op de concurrent haalt door de consument een grote waarde te bieden, ofwel door lagere prijzen of door meer benefits te bieden die een hogere prijs rechtvaardigen.
  126. uniek verkoopargument (Unique Selling Proposition, USP)
    Een unieke productbenefit die het bedrijf steeds op een agressieve manier onder de aandacht van de doelmarkt brengt. De benefit is doorgaans een afspiegeling van functionele superioriteit: de beste kwaliteit, de beste secvice, de laagste prijs, de meest geavanceerde technologie.
  127. waardeaanbod
    De volledige combinatie benefits waarop het merk is gepositioneerd.
  128. positioneringsverklaring
    Een verklaring waarin de bedrijfs- of merkpositionering expliciet wordt geformuleerd. De vorm is als volgt: Voor (doelsegment en behoefte) is ons (merk) het (concept) dat (verschil).
  129. concurrentievoordeel
    Specifieke, door afnemers herkende kwaliteit van een organisatie die relevant is voor de prestaties van die organisatie en die concurrenten in mindere mate bezitten. Is het voordeel voor een langere periode relevant en niet navolgbaar door andere organisaties, dan wordt gesproken over een duurzaam concurrentievoordeel.
  130. concurrentieanalyse
    Het proces waarin de belangrijkste concurrenten worden vastgesteld, hun doelstellingen, strategieën, sterke en zwakke punten en reactiepatronen worden geëvalueerd, en ten slotte beslist wordt welke concurrenten men aanvalt en welke men uit de weg gaat.
  131. concurrentiestrategieën
    Strategieën die het bedrijf sterk positioneren tegenover de concurrent en dit bedrijf het grootst mogelijke strategisch voordeel geven.
  132. strategische groep
    Een groep bedrijven in een bedrijfstak die dezelfde of een soortgelijke strategie volgen.
  133. benchmarking
    Het proces waarin de producten en processen van een bedrijf op regelmatige basis worden vergeleken met die van de concurrent of van toonaangevende bedrijven in andere bedrijfstakken die op vergelijkbare aspecten het beste presteren, teneinde de kwaliteit en de prestaties te verbeteren.
  134. analyse van de waarde die de klant ervaart
    Analyse die wordt uitgevoerd om te bepalen welke benefits de doelklanten waarderen en hoe sterk zij de waarde van het aanbod van d concurrent waarderen.
  135. meervoudige nichemarketing
    Een strategie waarbij verschillende onafhankelijke aanbiedingen worden gebruikt om verschillende subsegmenten van de markt aan te trekken.
  136. concurrentiegericht bedrijf
    Een bedrijf dat zich vooral richt naar het optreden en de reacties van de concurrent; het volgt het marktaandeel en de zetten van de concurrent en probeert strategieën te vinden waarmee het tegenzetten kan doen.
  137. klantgericht bedrijf
    Een bedrijf dat zich bij het formuleren van zijn marketingstrategieën concentreert op de klant en vaststelt welke klantgroepen het wil bedienen, gegeven zijn middelen en doelstellingen.
  138. marktgericht bedrijf
    Een bedrijf dat bij het formuleren van zijn marketingstrategie zijn aandacht evenwichtig verdeelt over de klanten en de concurrenten.

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview