SpaansBasis

Card Set Information

Author:
Hammond
ID:
227022
Filename:
SpaansBasis
Updated:
2013-07-14 09:54:11
Tags:
Woorden
Folders:

Description:
Basiscursus Spaans2
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Hammond on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. hoe gaat het ermee?
    qué tal?
  2. we hebben
    tenemos
  3. ik ga
    voy
  4. we gaan
    vamos
  5. voor
    para
  6. ik ben geweest
    he estado
  7. ik werk
    trabajo
  8. thuis
    en casa
  9. nu
    ahora
  10. ik heb gewerkt
    he trabajado
  11. ik heb
    tengo
  12. wij zijn
    estamos/somos
  13. altijd
    siempre
  14. hij,zij,het heeft; u hebt
    tiene
  15. ook
    también
  16. hij,zij,het is; u bent
    está/es
  17. helaas
    desgraciadamente
  18. met vakantie
    des vacaciones
  19. aan de linkerkant
    a la izquierda
  20. aan de rechterkant
    a la derecha
  21. een tweepersoonskamer
    una habitación doble
  22. een nacht
    una noche
  23. heel
    muy
  24. duur
    caro, -a
  25. klein
    pequeño, -a
  26. de badkamer
    el cuarto de baño
  27. de douche
    la ducha
  28. kapot (ook: panne)
    roto, -a
  29. de echtgenoot
    el marido
  30. het
    lo, la (zelfstandig)
  31. hij/zij/het kan, u kunt
    puede
  32. herstellen
    reparer
  33. morgen
    mañana
  34. goed, in orde
    bueno, -a (zelfstandig)
  35. waar?
    dónde
  36. hier
    aquí
  37. een beetje
    un poco
  38. mooi
    bonito, -a
  39. hoeveel?
    cuánto
  40. enkel, alleen
    sólo
  41. vijfendertig
    treinta y cinco
  42. euro
    euros
  43. de creditcards
    las tarjetas de crédito
  44. het ontbijt
    el desayuno
  45. er is, er zijn
    hay
  46. half
    medio
  47. in orde, oké
    vale
  48. we nemen
    tomamos
  49. nemen
    tomar
  50. we kunnen
    podemos
  51. minder
    menos
  52. kwartier
    cuarto
  53. we zouden graag + infinitief
    quisiéramos
  54. gaan
    ir
  55. akkoord, oké
    de acuerdo
  56. ik kan, mag
    puedo
  57. preguntar
    vragen
  58. kan, mag ik u iets vragen?
    puedo preguntarle?
  59. koffie
    café
  60. dichtbij
    cerca
  61. een koffiehuis
    una cafetaría
  62. of
    o
  63. zij zijn, u bent (mv)
    están
  64. gemakkelijk
    fácil
  65. minuten
    minutos
  66. ongeveer
    unos,unas
  67. dertig meter
    treinta metros
  68. daarna, later
    luego
  69. rechtdoor
    todo recto
  70. wat wenst u?, wat wensen zij?
    qué desean?
  71. de melk
    la leche
  72. een thee
    un té
  73. iets
    algo
  74. eten
    comer
  75. wat hebt u?
    qué tienen ustedes?
  76. Spaanse snacks
    tapas
  77. een Spaans omelet
    una tortilla
  78. een toast
    una tostada
  79. de tafel
    la mesa
  80. schoon
    limpio, -a
  81. koud
    frío, -a
  82. slecht
    malo, -a
  83. de toiletten
    los servicios
  84. de rekening
    la cuenta
  85. schitterend, uitstekend
    estupendo, -a
  86. de kelner
    el camarero
  87. knap
    guapo, -a
  88. zij zijn, u bent (mv)
    son

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview