SpaansBasis3

Card Set Information

Author:
Hammond
ID:
227426
Filename:
SpaansBasis3
Updated:
2013-07-17 14:01:28
Tags:
Woorden
Folders:

Description:
les3
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Hammond on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. hoy
    vandaag
  2. tenemos que
    we moeten
  3. ir de compras
    gaan winkelen
  4. al centro
    naar het centrum
  5. hace mal tiempo
    het is slecht weer (lett.:het maakt slecht weer)
  6. hace frío
    het is koud (lett.: het maakt koud)
  7. el fútbol
    het voetbal
  8. la telé, la televisón
    de tv
  9. lo siento
    het spijt me
  10. primero
    eerst
  11. un cajero
    een geldautomaat
  12. el estanco
    de tabakswinkel
  13. correos
    het postkantoor
  14. comprar
    kopen
  15. los sellos
    de postzegels
  16. después
    daarna, later
  17. la farmacia
    de apotheek
  18. ta tintorería
    de stomerij
  19. entonces
    en dus
  20. quizás
    misschien
  21. ese, esa/eso (zelfstandig)
    dat
  22. todo
    alles
  23. El Corte Inglés
    (een Spaanse warenhuisketen)
  24. una maleta
    een reiskoffer
  25. nuevo, -a
    nieuw
  26. tengo que
    ik moet
  27. un supermercado
    een supermarkt
  28. la peluquería
    de kapper
  29. quisiera
    ik zou graag
  30. los zapatos
    de schoenen
  31. Madre mía!
    hemeltjelief!
  32. hasta
    tot
  33. abierto
    oopen
  34. la tienda
    de winkel
  35. creo
    ik geloof, ik denk
  36. que
    dat
  37. más
    meer
  38. más tarde
    later
  39. he comprado
    ik heb gekocht
  40. demasiado
    te, te veel
  41. el jamón
    de ham
  42. el queso
    de kaas
  43. un gramo
    een gram
  44. los huevos
    de eieren
  45. el pan
    het brood
  46. la mantequilla
    de boter
  47. al azúcar
    de suiker
  48. la cerveza
    het bier
  49. una botella
    een fles
  50. el vino tinto
    de rode wijn
  51. no importa
    geen probleem
  52. bastante
    genoeg, tamelijk
  53. hemos comido
    we hebben gegeten
  54. nada
    niets
  55. desde
    sinds
  56. ayer
    gisteren
  57. la bolsa/ el bolso
    de zak/ de handtas
  58. para mí
    voor mij
  59. he ido
    ik ben gegaan
  60. azul
    blauw
  61. verdad?
    is het niet?
  62. el dependiente
    de verkoper
  63. era
    hij/zij/het waas, u was
  64. amable
    vriendelijk
  65. como
    zoals
  66. quién
    wie?
  67. el precio
    de prijs
  68. eran
    ze waren, u was (mv)
  69. el mismo
    dezelfde
  70. Holanda
    Holland
  71. los Países Bajos
    Nederland
  72. loco, -a
    gek
  73. este, esta/esto (zelfstandig)
    dit, deze
  74. la camiseta
    het T-shirt
  75. barato
    goedkoop
  76. la talla
    de maat
  77. un periódico
    een krant
  78. neerlandés
    Nederlands

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview