SpaansBasis4

Card Set Information

Author:
Hammond
ID:
228165
Filename:
SpaansBasis4
Updated:
2013-07-25 16:24:39
Tags:
woorden
Folders:

Description:
SpaansBasis4
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Hammond on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. alguien
    iemand
  2. ha llamado
    heeft getelefoneerd, heeft geroepen
  3. ha dicho
    heeft gezegd
  4. es que...
    omdat...
  5. el papel
    het papier
  6. el nombre
    de naam
  7. el cliente
    de klant
  8. conozco (a)
    ik ken (+ naam van een persoon)
  9. bien
    goed, oké
  10. una cita
    de afspraak
  11. él
    hij, hem
  12. martes
    dinsdag
  13. una cosa
    een ding, iets
  14. importante
    belangrijk
  15. gracias
    dank u
  16. muchas gracias
    hartelijk dank
  17. seguro
    zeker
  18. posible
    mogelijk
  19. la semana que viene
    volgende week (de week die komt)
  20. tiempo
    tijd, ook: weer
  21. correcto
    juist, correct
  22. interesante
    interessant
  23. arriba
    boven
  24. la salida
    de uitgang
  25. delante (de)
    voor (plaatsbepalend)
  26. la puerta
    de deur
  27. hacemos
    we doen, we maken
  28. detrás (de)
    achter (plaatsbepalend)
  29. la iglesia
    de kerk
  30. dice
    hij, zij, u zegt
  31. el restaurante
    het restaurant
  32. durante
    gedurende, tijdens
  33. nuestro
    ons, onze
  34. me gusta
    ik hou van / ik lust
  35. no me gusta
    ik hou niet van / ik lust niet
  36. snob
    snobistisch
  37. un perro
    een hond
  38. terrible
    verschrikkelijk
  39. enfermo
    ziek
  40. un resfriado
    een verkoudheid
  41. el dolor
    de pijn
  42. el doctor
    de dokter
  43. venir
    komen
  44. esto no se puede hacer
    dat kun je niet doen/maken
  45. el pescado
    de vis
  46. el menú
    de menukaart
  47. el postre
    het dessert
  48. le gusta
    u houdt van, houdt u van?
  49. el helado
    het ijs
  50. una sopa
    een soep
  51. la carne
    het vlees
  52. un filete
    een steak
  53. una ensalada
    het slaatje
  54. el cordero
    het lam
  55. qué quiere?
    wat wilt u?
  56. beber
    drinken
  57. las chuletas
    de koteletten
  58. las patatas fritas
    de frieten
  59. la verdrura
    de groenten
  60. al ajo
    de knoflook
  61. al pollo asado
    de gegrilde kip
  62. la fruta
    het fruit
  63. un vaso
    een glas
  64. el agua
    het water
  65. con/sin gas
    met/zonder koolzuur (bruisend/ niet-bruisend)
  66. terminado
    klaar, afgelopen
  67. nadie
    niemand
  68. podriá ayudarme?
    kunt u mij helpen?
  69. cómo...?
    hoe...?
  70. cómo se dice en español?
    hoe zegt men in het Spaans...?

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview