DSS - Les 1

Card Set Information

Author:
josique
ID:
230338
Filename:
DSS - Les 1
Updated:
2014-01-08 21:32:19
Tags:
dss lesson
Folders:
Dutch
Description:
Dutch for Self-Study, Lesson 1
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user josique on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Good morning
    Goedemorgen
  2. Hello
    • Dag
    • Hallo
  3. Good afternoon
    Goedemiddag
  4. Good evening
    Goedenavond
  5. First name
    Voornaam
  6. Mister
    Meneer
  7. Mrs.
    Mevrouw
  8. Bye
    Dag
  9. Goodbye, see you later
    Tot ziens
  10. See you tomorrow
    Tot morgen
  11. that
    dat
  12. to be
    zijn
  13. how nice!
    wat leuk!
  14. nice
    leuk
  15. and
    en
  16. too, also
    ook
  17. my wife
    mijn vrouw
  18. mother
    de moeder
  19. this
    dit
  20. thank you
    dank je/u
  21. nice to see you
    leuk je te zien
  22. to see
    zien
  23. are you coming (along)?
    ga je mee?
  24. something
    wat
  25. to drink
    drinken
  26. I am going
    ik ga
  27. now
    nu
  28. (to) home
    naar huis
  29. have fun!
    veel plezier
  30. How are you?
    • Hoe gaat het met je/jou/u?
    • Hoe gaat/is het (ermee)?
  31. How do you do?
    Hoe maakt u het?
  32. Fine
    Goed
  33. Fine, thank you.
    Goed, dank je/u
  34. Fine, and how are you?
    Goed, en met jou/u?
  35. Fine (formal)
    Uitstekend
  36. May I introduce.....to you?  This is....
    Mag ik je/u (even) voorstellen?  Dit is...
  37. the party
    het feestje
  38. Objects pronouns:

    (me)
    ex:  He sees me
    me/mij

    Hij ziet me/mij
  39. Objects pronouns:

    you (informal)
    Ex: he sees you
    je/jou

    Hij ziet je/jou
  40. Objects pronouns:

    you (formal)
    ex: he sees you
    u

    Hij ziet u
  41. Objects pronouns:

    him
    ex: he sees him
    hem

    hij ziet hem
  42. Objects pronouns:

    her
    ex: He sees her
    haar

    Hij ziet haar
  43. Objects pronouns:

    it

    ex: he sees it
    het

    hij ziet het
  44. Objects pronouns:

    Us
    Ex: He sees us
    ons

    Hij ziet ons
  45. Objects pronouns:

    You (plural)
    ex: he sees you
    jullie

    hij ziet jullie
  46. Objects pronouns:

    them
    ex: he sees them
    ze/hen

    hij ziet ze/hen
  47. where do you live?
    • Waar woont u?
    • Waar woon je?
  48. do you live in.....?
    • woon je in....?
    • woont u in....?
  49. where do you come from?
    • waar kom je vandaan?
    • waar komt u vandaan?
  50. Are you from....?
    • Kom je uit....?
    • Komt u uit....?
  51. three years
    drie jaar
  52. the year(s)
    • het jaar
    • de jaren
  53. ago
    geleden
  54. say
    zeg
  55. long
    lang
  56. yes
    ja
  57. to think
    denken
  58. where
    waar
  59. to live
    wonen
  60. here
    hier
  61. in
    in
  62. exactly
    precies
  63. the street(s)
    • de straat
    • de straten
  64. which
    welk
  65. the number(s)
    • het nummer
    • de nummers
  66. eighteen
    achttien
  67. oh
    o
  68. there
    daar
  69. close by
    vlakbij
  70. to work
    werken
  71. at a bank
    bij een bank
  72. the bank(s)
    • de bank
    • de banken
  73. to come
    komen
  74. not
    niet
  75. ..., right?/...., are you?/...., do you? etc...
    ..., hè?
  76. no
    nee
  77. France
    Frankrijk
  78. but
    maar
  79. already
    al
  80. five
    vijf
  81. the Netherlands, Holland
    Nederland
  82. to speak
    spreken
  83. good, well
    goed
  84. Dutch
    Nederlands
  85. to count
    tellen
  86. (up) to
    tot
  87. to listen
    luisteren
  88. listen carefully
    luister goed

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview