NIMAMarketingAhfd8

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
240479
Filename:
NIMAMarketingAhfd8
Updated:
2013-10-17 07:16:19
Tags:
Nederlands NIMA Marketing
Folders:

Description:
NIMA marketing A hfd 8
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is het verschil tussen multinationale strategie en wereldwijde strategie?
    Bij multinationale strategie werkt men met verschillende exportstrategien in verschillende exportmarkten. Bij Wereldwijde strategie is men aanwezig in de belangrijkste wereldmarkten. Het kan dus de volgende stap na multinationale strategie zijn
  2. Noem vijf kenmerken van wereldwijde strategie
    • - aanwezigheid belangrijkste wereldmarkten
    • - internationaal concurrerende producten
    • - global sourcing
    • - internationale marketing
    • - wereldwijd concurreren
  3. Op welke 4 manieren wordt de wereld steeds kleiner?
    • - verdwijnen handelsbarrieres
    • - standaardiseringen
    • - schaalvoordelen
    • - ontwikkelingen in telecommunicatie
  4. Welke zes stappen moet je nemen om een wereldwijde strategie toe te passen?
    • 1. bepaal de globalisatiedruk
    • 2. bepaal de huidige positie
    • 3. identificeer kansen en bedreigingen
    • 4. bepaal sterke en zwakke punten organisatie
    • 5. bepaal juridische, financiele en fiscale instrumenten
    • 6. stel internationaliseringsstrategie op
  5. Wat bedoelen we met het bepalen van de globalisatiedruk?
    De mate waarin het noodzakelijk is om een internationalisatiestrategie te ontwikkelen. M.a.w. moet je wel de grens over?
  6. Noem vijf essentiele onderdelen van een internationaliseringsstrategie.
    • - welke sleutelmarkten staan centraal?
    • - welke producten zijn geschikt om internationaal te concurreren?
    • - met welk internationaal marketingprogramma worden de internationale markten benaderd?
    • - waar in de wereld vinden functionele activiteiten plaats?
    • - welke stappen te nemen tegen (inter)natinale concurrenten?
  7. Wat is global sourcing?
    Industriele producten, grondstoffen, halffabrikaten etc. op plekken over de hele wereld inkopen.
  8. Wat zijn drie redenen om aan global sourcing te doen?
    • - Concurrenten doen het ook
    • - Voordelen global sourcing zijn evident
    • - Internationale bedrijven zijn winstgevender
  9. Wat zijn factorkosten?
    Productiekosten
  10. Welke drie culturele internationale macro factoren onderscheiden we?
    • - niet beheersbare, algemene factoren
    • - niet beheersbare, lokale factoren
    • - inschatten socioculturele normen
  11. Noem 8 mondiale ontwikkelingen.
    • - lage economische groei
    • - inflatie
    • - groei technologie
    • - valutaonrust met koersrisico tot gevolg
    • - stijgende invloed overheid
    • - wijzigingen politieke systemen
    • - wijzigingen marktstructuren
    • - schuldenproblemen van landen
  12. Noem 8 lokale ontwikkelingen
    • - voorkeuren, gewoontes en gedragingen
    • - sterktes en zwaktes concurrenten
    • - juridische beperkingen en mogelijkheden
    • - gevoeligheid verschillende marketinginstrumenten
    • - aanwezigheid geschikt personeel
    • - toegang tot distributiekanalen
    • - toegang tot kapitaalmarkten
    • - mogelijkheid overnames plegen
  13. Op welke twee manieren heeft een exportmanager met cultuur te maken?
    • - de cultuur van de markt die de exporteur wil penetreren
    • - de bedrijfsculturen van de internationale handelspartners
  14. Noem twee redenen waarom cultuurherkenning belangrijk is.
    • - vermijden barrieres bij zakelijk onderhandelen
    • - versterking eigen aanbodpositie ten opzichte van slecht voorbereide concurrenten
  15. Op welke 5 manieren kunnen we de socioculturele omgeving indelen?
    • - het land
    • - de denkwijze
    • - de grondslag
    • - de plaats van het individu in de maatschappij
    • - de basispersoonlijkheid
  16. In welke drie systemen kunnen we een cultuur indelen, uitgaande van de denkwijze?
    • - subjectieve visie; de groep, het volk of het collectief is uitgangspunt (azie)
    • - functionele visie; zakelijk (SU, Oost europa)
    • - objectieve visie; individu als uitgangspunt (westers)
  17. Wat is het 5 D-model van Hofstede?
    5 cultuurdimensies die verschillen in gedrag tussen culturen verklaren
  18. Noem de 5 dimensies uit het 5 D model van Hofstede
    • - mate ongelijkheid mensen
    • - mate individualisme
    • - masculiene vs feminiene culturen
    • - mate onzekerheidvermijding
    • - mate lange termijnorganisatie
  19. Wat is de market assessment-methode?
    Screeningmethode voor internationale markten
  20. Uit welke zes stappen bestaat de market assessment methode?
    • 1. vaststellen behoefte
    • 2. vaststellen economische-financiele factoren
    • 3. vaststellen politieke en juridische factoren
    • 4. vaststellen socioculturele factoren¬†
    • 5. vaststellen concurrentiekrachten
    • 6. selectie nieuwe markten
  21. In welke groepen delen we de economisch-finaciele factoren?
    • - marktomvang
    • - marktintensiteit
    • - marktgroei
  22. Wat zijn marktindicatoren?
    Econimische data om aan te geven hoe sterk de markt is ontwikkeld. Maatstaven zijn bvb staalconsumptie, elektriciteitsproductie, aantal auto's, tv's etc.
  23. Wat is de marktintensiteit?
    De rijkdom van de markt.
  24. Hoe wordt de marktintensiteit berekend?
    Een bepaald gewicht toekennen aan de consumptieve bestedingen en aantal inwoners in de steden.
  25. Wat zijn entry barriers?
    Importrestricties voor bepaalde goederen of bedrijven.
  26. Welke analyse geeft inzicht in de concurrentiekrachten?
    Concurrentenanalyse
  27. Welke onderwerpen komen voor in een concurrentieanalyse?
    • - aantal en omvang concurrenten en financiele kracht
    • - marktaandelen
    • - marketingstrategie
    • - effectiviteit van hun promotionele programma's
    • - kwaliteit van producten
    • - bronnen van de productie
    • - prijspolitiek
    • - niveau after-sales
    • - distributiekanalen
    • - dekking markt en segmentatie daarvan
  28. Dienen landen die doorgaan tot de laatste fase van de marktselectie altijd bezocht te worden?
    Ja
  29. Waar moet men vooral op letten bij een bezoek aan een potentieel exportland?
    • - facilitaire dienstverlening zoals magazijnen, agenten, media, financiele instellingen.
    • - culturele problemen
  30. Wat is het NCH?
    Nederlands Centrum voor Handelsbevordering
  31. Wat organiseert het NCH?
    handelsmissies
  32. Welke factoren bepalen op welke manier een bedrijf de internationale markt wil penetreren?
    • - financiele risico
    • - snelheid waarmee men doelen wil bereiken
    • - controle die men over het proces wil hebben
    • - dekking en controle op de markt
    • - karakter producten bepaalt keuze kort (direct) of lang (indirect) kanaal
  33. Welke directe entree strategieen kennen we?
    • - rechtstreekse levering
    • - eigen verkoopkantoor
    • - fusie of overname
  34. Voor welke goederen wordt vaak rechtstreekse levering gebruikt?
    industrieele goederen
  35. Als een bedrijf consumentenproducten verkoopt aan een inkoopcombinatie van detaillisten, een groothandelaar of een inkoopcentrale van warenhuizen, welke exportstrategie is dit dan?
    directe export; rechtstreekse levering
  36. Wat is een fusie?
    Een of meer ondernemingen gaan over in 1 economische eenheid
  37. Wat is het doel van een fusie?
    Een of meer van de essentiele bedrijfsfuncties versterken en zo de doelstellingen van het bedrijf te realiseren
  38. Wat kan een obstakel zijn bij een fusie?
    Mededingingswetten
  39. Welke vormen van indirecte export kennen we?
    • - piggy back-export
    • - joint selling
    • - internationale licentieverlening
    • - internationale franchising
    • - handelsagent
    • - handelshuis
    • - aanbestedingen
    • - exportcombinatie
    • - exportverenigingen
    • - exportcombinaties
    • - exportkartel
    • - jointventure
  40. In welke twee groepen delen we indirecte exportstrategie op?
    individueel en cooperatief
  41. Wat is een reden om te kiezen voor cooperatieve indirecte exportmethode?
    Het bedrijf heeft alleen niet de financiele of managementmogelijkheden om internationaal te opereren.
  42. Wat is piggy back-export?
    Een individuele, indirecte export strategie waarbij het ene bedrijf meelift op de distributiekanalen van het andere bedrijf.
  43. Wat is joint selling?
    Individueel, indirect exportstrategie. Twee exporterende ondernemingen maken gebruik van elkaars verkooporganisaties. Ook wel internationale piggy back-overeenkomst genoemd.
  44. Wat is een internationale licentieverlening?
    Individuele, indirecte exportstrategie waarbij licentiegever rechten verleent tegen royalty om een industrieel eigendomsrecht (productieproces/merk/patent) te gebruiken
  45. Wat is internationale franchising?
    Individuele, indirecte exportstrategie waarbij franchisenemer marketingstrategie kopieert van franchisegever tegen vergoeding. Het is een vorm van licentieverlening.
  46. Welke cooperatieve, indirecte exportstrategieen kennen we?
    • - exportcombinatie
    • - eportkartel
    • - joint venture
  47. Wat is een aanbesteding?
    Een opdracht uitgegeven door een overheid
  48. Wat zijn tenders?
    Aanbestedingen; opdrachten uitgeschreven door een overheid
  49. Wat is de exportcombinatie?
    Een cooperatieve, indirecte exportstrategie waarbij een aantal organisaties gebruikmaakt van een Centraal Orgaan. Dit Centraal Orgaan neemt een aantal marketingactiviteiten op de exportmarkt onder zijn hoede.
  50. Welke taken heeft het Centraal orgaan?
    • - verrichten van marktonderzoek
    • - leggen van contacten
    • - uitvoeren internationale marketingstrategie
    • - exportafwikkeling (distributie, facturering etc.)
  51. Wat is het verschil tussen exportverenigingen en exportcombinaties?
    Deelname aan exportverenigingen is vrijblijvend, bij exportcombinaties is dat niet zo.
  52. Zijn exportkartels geschikt voor producten van monopolistische concurrenten?
    Nee
  53. Wat is een joint venture?
    Een cooperatieve, indirecte exportstrategie waarbij verschillende onderneming exporteren via een nieuw opgerichte onderneming.
  54. Wat is een probleem bij indirecte exportstrategie?
    De tussenschakel is zelfstandig en daardoor moeilijker beheersbaar en controleerbaar.
  55. Welke twee marketingmixen onderscheiden we als we de internationale markt op willen gaan?
    • standaard marketingmix
    • aangepaste marketingmix
  56. Welke vijf internationale product- en promotiestrategieen kennen we?
    • - straight extension (zonder aanpassingen)
    • - product adaption
    • - product invention
    • - communication adaption
    • - dual adaption
  57. Wat zijn twee voordelen van international branding?
    • - grotere concurrentiekracht dan lokaal merk
    • - profiteren van schaalvoordelen en dus winstgevender
  58. Wat is country of origin effect?
    Het land van herkomst staat in de ogen van de afnemer garant voor een bepaalde kwaliteit. bvb schotse whisky, franse wijn etc.
  59. Welke drie opties heeft men bij het kiezen van een internationale reclamestrategie?
    • - in elk land dezelfde reclamestrategie en creatief concept
    • - in elk land dezelfde reclamestrategie, ander creatief concept
    • - in elk land een andere reclamestrategie en creatief concept
  60. Welke twee voorwaarden gelden om een identiek reclamestrategie en creatief concept in elk land te kunnen voeren?
    • - mogelijkheid van identieke positionering (krachtig genoeg)
    • - identieke doelgroep van voldoende omvang
  61. Wat bedoelen we met act global, think local?
    Een internationaal merk met aanpassing aan de lokale communicatie op de markt zetten
  62. Van welke hoofdfactoren hangt de keuze voor aanpassing of standaardisering af?
    • - doelgroep
    • - marktpositie
    • - aard van het product
    • - omgeving
    • - organisatie

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview