Marketing NIMA A hfd 9

Card Set Information

Author:
Sophie1984
ID:
243328
Filename:
Marketing NIMA A hfd 9
Updated:
2013-11-01 12:28:06
Tags:
Marketing NIMA hoofdstuk
Folders:

Description:
Marketing NIMA A hoofdstuk 9
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user Sophie1984 on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Wat is organiseren?
    Het ontwerpen van een structuur voor de activiteiten van een onderneming, teneinde de doelstellingen te realiseren
  2. Wat zijn de vijf onderdelen van leidinggeven?
    • - organiseren
    • - plannen
    • - controleren
    • - bevelvoering
    • - coordineren
  3. Hoe noem je een schematische voorstelling van een organisatiestructuur?
    Organogram
  4. Wat is een organisatie?
    Een geheel van mensen, middelen en activiteiten gericht op het nastreven van bepaalde doelstellingen
  5. Waarom is eenheid in bevelvoering belangrijk?
    Ala mensen opdrachten krijgen van verschillende leidinggevenden ontstaat er verwarring.
  6. Wat gebeurt er wanneer er teveel centraal wordt geregeld in een organisatie?
    Dan moet de centrale leiding alle beslissingen nemen en wordt de organisatie traag. De centrale leiding kan zich beter alleen focussen op de belangrijkste onderwerpen.
  7. Waarom moet er niet teveel decentralisatie zijn binnen een organisatie?
    Dan verliest het centrale bestuur de grip op de organisatie
  8. Aan welke vijf punten moet een goede organisatie structuur voldoen?
    • - evenwichtige takenverdeling
    • - duidelijkheid bevoegdheden bij taken
    • - duidelijke omschrijving taken
    • - goede informatiedoorstroming
    • - duidelijkheid doelstellingen van de organisatie
  9. Wat is de lijnorganisatie?
    Een hiërarchische structuur waarbij ieder verantwoording moet afleggen aan een directe lijn daarboven en direct leiding geeft aan ondergeschikte(n)
  10. Wat zijn drie voordelen van een lijnstructuur?
    • - eenvoudig
    • - gemakkelijke afbakening verantwoordelijkheden
    • - eenheid bevel
  11. Welke vier algemene organisatiestructuren zijn er?
    • - lijnorganisatie
    • - lijn-staforganisatie
    • - matrixorganisatie
    • - functionele organisatie
  12. Wat zijn twee nadelen van de lijn organisatie?
    • - bevelen moeten een lange weg afleggen tot ze bij de onderste schakel zijn
    • - er is weinig ruimte voor specialisatie
  13. Bij welk soort organisaties past een lijnorganisatie?
    Kleine organisaties
  14. Wat is een lijn-staforganisatie?
    Een lijnorganisatie aangevuld met staven; specialisten die de bevelvoerders adviseren
  15. Wat is een voordeel van de lijn-staforganisatie ten opzichte van de lijnorganisatie?
    Leidinggevenden hoeven niet gespecialiseerd te zijn.
  16. Heeft een staffunctionaris een hierarchische functie?
    Nee
  17. Wat is een nadeel van de lijn-staforganisatie?
    Staffunctionarissen kunnen zich door het ontbreken van bevoegdheden te theoretisch opstellen
  18. Wat is de functionele organisatie?
    Elke leidinggevende is een specialist.
  19. Noem twee kenmerken van de functionele organisatie
    • - plattere organisatie 
    • - duidelijk verschil tussen uitvoerende en voorbereidende arbeid
  20. Hoe wordt het omspanningsvermogen van een leidinggevende in een functionele organisatie vergroot?
    Door hem leiding te laten geven over bij elkaar horende activiteiten
  21. Wat is het voordeel van een functionele organisatie?
    De leidinggevende kan zich op een functie concentreren ipv een manusje van alles te zijn
  22. Wat is het nadeel van de functionele organisatie?
    Eenheid van bevel ontbreekt omdat 1 uitvoerende functionaris meerdere managers kan hebben
  23. Wat is een matrix- of project organisatie?
    Medewerkers worden (tijdelijk) in een werkgroep opgedeeld. De projecten zijn vaak niet identiek, dus per project wordt gekeken wie geschikt is. Een uitvoerende functionaris heeft een vertikale bevelhebber die een duurzame functie heeft en toeziet op de kwalitiet. Ook heeft hij een horizontale bevelhebber die toeziet op kwantiteit en tijdigheid van het proces.
  24. Om welke drie redenen wijkt de formele organisatie af van de informele organisatie?
    • - de organisatie is steeds in beweging, de formele organisatie is dus eigenlijk een momentopname
    • - de leidinggevende is soms minder sterk dan somminge functionarissen etc.
    • - sommige medewerkers geven een subjectieve of persoonlijke invulling aan de doelstellingen van de organisatie
  25. Wat geeft de spanwijdte van een leidinggevende aan?
    Hoeveel medewerkers hij onder zich heeft werken
  26. Wat geeft het omspanningsvermogen van een leidinggevende aan?
    Over hoeveel medewerkers hij leiding zou kunnen geven
  27. Een ander woord voor omspanningsvermogen is:
    span of control
  28. Welke twee management vormen kennen we?
    • - management by objectives
    • - management by exception
  29. Wat is management by objectives?
    leidinggevenden en uitvoerenden bepalen samen de doelen en verantwoordelijkheden die daaruit voorvloeien
  30. Wat is management by exception?
    De manager grijpt pas in als een uitvoerende functionaris een grens overschrijdt.
  31. Welke vier vormen van marketingorganisatie kennen we?
    • - functionele marketingorganisatie
    • - productorganisatie
    • - markt- of afnemersorganisatie
    • - geografische organisatie
  32. Hoe werkt de functionele marketingorganisatie?
    De indeling van de medewerkers is gebaseerd op hun specialismen. Het omspanningsvermogen van de leidinggevende wordt vergroot door zijn taken in delen op te splitsen en die over te dragen aan nevengeschikten.
  33. Wat is een nadeel van de functionele marketingsorganisatie?
    De uitvoerende functionarissen zijn verantwoording verschuldigd aan verschillende leidinggevenden. Er is dus geen eenheid in bevel.
  34. Voor welk soort organisatie is de functionele marketingorganisatie geschikt?
    Een organisatie met een routinematige taakvervulling. Dus een kleine onderneming of een groot bedrijf met weinig producten op 1 markt.
  35. Hoe noemt men de functionele marketingorganisatiestructuur meestal?
    F-indeling
  36. Hoe noemen we de productorganisatiestructuur ook wel?
    P-indeling
  37. Als de onderneming groot is en veel verschillende afdelingen hebben met gespecialiseerde producten, welke marketingorganisatievorm is dan het meest voor de hand liggend?
    P-indeling, oftewel productorganisatie
  38. Hoe ziet een onderneming die productorganisatie toepast er meestal uit?
    Grote onderneming met veel afdelingen die elk gespecialiseerde producten maken. Elke afdeling voert zijn eigen productontwikkeling, marketing en productietaken uit.
  39. Wat is een nadeel van P-indeling?
    Verschillende functionarissen op verschillende afdelingen voeren dezelfde taken uit, terwijl ze soms ook door 1 functionaris gedaan kunnen worden.
  40. Wat is de M-indeling?
    Markt- of afnemersorganisatie
  41. Hoe ziet de structuur van een afnemersoganisatie eruit?
    De marketingafdeling is opgedeeld in de groepen afnemers die men heeft. Elke markt krijgt zijn eigen markt- of areamanager.
  42. Wat is een areamanager?
    De manager die de marketingactiviteiten leidt met betrekking tot een bepaalde markt of groep afnemers.
  43. Wat is een marktmanager?
    Een areamanager
  44. Wat is de G-indeling?
    Geografische indeling
  45. Welke marketingorganisatie past het beste bij het marketingconcept?
    De M-indeling of markt- of afnemersorganisatie
  46. Wat is een nadeel van Geografische indeling?
    Verschillende functionarissen voeren dezelfde taken uit terwijl dat ook door 1 functionaris kan worden gedaan.
  47. Hoe kun je het probleem van taakdoublures binnen een G-indeling oplossen?
    Door een lijn-stafindeling in te bouwen. Dan heb je zowel het voordeel van functionele specialismen als de verschillende eisen die aan de markten en producten gesteld worden.
  48. Wanneer is een g-indeling wenselijk?
    Als de geografische verschillen groot zijn
  49. Welke twee marketingorganisatievormen worden vaak gecombineerd?
    G-indeling en P-indeling.
  50. Wat is de account gerichte benadering ten opzichte van de productmanagementorganisatie meestal?
    Een uitbreiding
  51. Wat is kenmerkend voor de productmanagementbenadering?
    De finale afnemer staat centraal en de tussenschakels worden als doorgeefluik beschouwd.
  52. Wat is de tweedoelgroepenbenadering?
    Als men aandacht besteed aan zowel de vraag van de finale afnemers als die van de tussenhandelaren. Een combinatie van productmanagement benadering en accountmanagement benadering dus.
  53. Wat is het verschil tussen productmanagement en accountmanagement?
    Productmanagement richt zich op de vraag van de finale afnemers en accounmanagers op die van de de tussenhandelaren.
  54. Waardoor wordt de tussenhandel steeds belangrijker voor de marketingmanager?
    Schaalvergroting en marktgerichter denken.
  55. Wat doet de commercieel directeur?
    Geeft leiding aan de marketing- en verkoopafdeling van een onderneming.
  56. Waar staat de commercieel directeur in de hierarchie?
    Direct onder de algemeen directeur
  57. Wat behoort er zoal tot de taken van de commercieel directeur?
    coordineren en integreren van de marketing en verkoopplannen
  58. Aan wie geeft de commercieel directeur leiding?
    Aan de marketingmanager en de verkoopleider.
  59. Waar staat de marketingmanager in een onderneming?
    Onder de commercieel directeur
  60. Wie geeft leiding aan de productmanagers?
    De marketingmanager
  61. Wat is de taak van de marketing manager in een onderneming?
    Het afstemmen van de marketingactiviteiten binnen een onderneming
  62. Welke taken heeft de productmanager?
    analyse, planning, implementatie, controle en evaluatie van de marketingactiviteiten betreffende een bepaald product.
  63. Welke functie is sterk vergelijkbaar met de productmanager?
    De brandmanager
  64. Welke twee productmanagers onderscheiden we?
    Die met en die zonder winstverantwoordelijkheid
  65. Waar zorgt een accountmanager voor?
    Een betere afstemming van het eigen beleid op dat van de klant.
  66. Wat zijn de taken van de accountmanager?
    Analyse, planning, implementatie, controle en evaluatie van de relatie met 1 of meer grote afnemers.
  67. Wat is de marketing-stafafdeling?
    Deze ondersteund de marketingactiviteiten
  68. Wie geeft leiding aan de stafafdeling marketing services?
    De marketing-servicesmanager.
  69. Wie zijn bij grote bedrijven in het algemeen de onderste schakel in de marketing afdeling?
    De marketingmedewerkers of marketingassistenten
  70. Wat is MIS
    Marketing Informatie Systeem
  71. Wat zijn de twee problemen bij het creeeren van een MIS?
    • - Hoe men de informatie eenduidig definieert. Verstaat iedereen hetzelfde onder bvb 'omzet'?
    • - De grote hoeveelheid tijd die het kost om informatie vast te leggen
  72. Wat is een Marketing Informatie Systeem?
    Een systeem waarin interne en externe gegevens en primaire en secundaire informatie opgeslagen en teruggevonden kunnen worden (databank)
  73. Welke twee aspecten staan centraal in het MIS?
    • - Onderbrengen van marktonderzoek, verkoopadministratie, verkoopstatistiek en verkoopdocumentatie in centrale plek
    • - Modellen bouwen om onderdelen van het marketinggebeuren te imiteren of stimuleren
  74. Welke vier componenten onderscheiden we in het MIS?
    • - Intern rapporteringssysteem
    • - Marketing intelligentiesysteem
    • - Marktonderzoeksysteem
    • - Marketinganalysesyteem
  75. Wat staat er in het intern rapporteringssysteem?
    De informatie die in de organisatie wordt gerapporteerd, zoals: verkopen, kosten, debiteuren en crediteuren en financiele informatie.
  76. Welk onderdeel van het MIS is een belangrijke bron die informatie verstrekt over de wijze waarop de informatieaan het management vorm moet krijgen?
    Het intern rapporteringssysteem
  77. Welk systeem laat de ontwikkelingen in de markt zien?
    Het marketing intelligentie systeem
  78. Waar vindt men informatie voor het Marketing Intelligence system?
    in kranten, vakbladen en andere media, bij de klanten, bij gespecialiseerde bureaus.
  79. Wat staat er in het Marketing Research System?
    • - formuleren van gegevens die men denkt nodig te hebben
    • - verzamelen van die gegevens
    • - vertalen resultaten marktonderzoek naar marketingmanagement
    • - verzamelen secundaire informatie (informatie die reeds elders verzameld zijn
  80. Wat is de functie van het Marketing decision support analysis system?
    Verbanden vinden in lange reeksen gegevens.
  81. Wat vormt de informatie input van het MIS?
    De gegevens uit de marketingomgevingen
  82. Wat vormt de informatie output van het MIS?
    De informatie die de marketingafdeling kan gebruiken voor de marketingactiviteiten.
  83. Goed bekijken

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview