DSS - Les 4.txt

Card Set Information

Author:
josique
ID:
244078
Filename:
DSS - Les 4.txt
Updated:
2014-01-08 21:31:36
Tags:
Les
Folders:
Dutch
Description:
Les 4
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user josique on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. Do you know...?
    • Weet je...?
    • Weet u...?
  2. To have the knowledge of something
    Weten
  3. To be acquainted with someone/something
    Kennen
  4. This seat
    These seats
    • Deze plaats
    • Deze plaatsen
  5. Free
    Vrij
  6. Sure
    Ja hoor
  7. Do sit down
    Ga gerust zitten
  8. To sit
    Zitten
  9. To sit down
    Gaan zitten
  10. Only
    Alleen
  11. You're not allowed to smoke here
    Je mag hier allen niet roken
  12. To smoke
    Roken
  13. Just
    Net
  14. Plane(s)
    • Het vliegtuig
    • De vliegtuigen
  15. Twelve hours
    Twaalf uur
  16. To fly
    Vliegen
  17. P.p. of vliegen
    Gevlogen
  18. Did you say...?
    Zei je...?
  19. My word!
    Wow!
    Tjonge!
  20. Trip(s)
    Flight(s)
    • De Reis
    • De reizen
  21. To do
    Doen
  22. Relatives
    De familie
  23. To visit
    Bezoeken
  24. Museum(s)
    Art gallery (art galleries)
    • Het museum
    • De musea / De museums
  25. Church(es)
    • De kerk
    • De kerken
  26. To look at
    Bekijken
  27. You know (comment)
    Je kent dat wel
  28. Where are you going?
    Waar ga jij naar toe?
  29. Brother(s)
    • De broer
    • De broers
  30. To have to
    Moeten
  31. To get off
    Uitstappen
  32. Have a nice trip!
    Goede reis!
  33. Hey! Hello!
    Hé!
  34. Your
    Uw
  35. Suitcase(s)
    • De koffer
    • De koffers
  36. Thanks
    Bedankt
  37. Where are you going?
    • Waar ga je naar toe?
    • Waar gaat u naar toe?
    • Waar ga je heen?
    • Waar gaat u heen?
  38. I know
    Ik weer het
  39. I don't know
    Ik weet het niet
  40. Bike(s)
    • De fiets
    • De fietsen
  41. Vacation(s)
    • De vakantie
    • De vakanties
  42. P.P. of hebben
    Gehad
  43. A lot
    Veel
  44. P.P of doen
    Gedaan
  45. P.P. Of fietsen
    Gefietst
  46. To cycle
    To bike
    Fietsen
  47. Past tense of fietsen
    Fietste
  48. P.P. of wandelen
    Gewandeld
  49. To walk
    To hike
    Wandelen
  50. Past tense of wandelen
    Wandelde
  51. Nice(ly), well
    Lekker
  52. P.p. of eten
    Gegeten
  53. To eat
    Eten
  54. Past tense of eten
    At
  55. P.p. of zien
    Gezien
  56. Story (the stories)
    • Het verhaal
    • De verhalen
  57. To tell
    Vertellen
  58. P.p. of vertellen
    Verteld
  59. Past tense of vertellen
    Vertelde
  60. Later
    Later
  61. Sometimes
    Weleens
  62. On Friday
    Vrijdag
  63. Would you like to come?
    Ga je mee?
  64. Never (before/yet)
    Nog (nooit)
  65. P.p. of zijn
    Geweest
  66. Of course
    Natuurlijk
  67. To join
    To come along
    Mee(gaan)
  68. No
    Not a
    Geen
  69. To rent
    Huren
  70. P.p. of huren
    Gehuurd
  71. Past tense of huren
    Huurde
  72. Not yet
    Nog niet
  73. Tomorrow
    Morgen
  74. I'll let you know tomorrow
    Ik bel je morgen nog wel
  75. P.P. of zijn
    geweest
  76. P.P. of zien
    gezien
  77. P.P. of drinken
    gedronken
  78. P.P. of denken
    gedacht
  79. P.P. of wonen
    gewoond
  80. P.P. of werken
    gewerkt
  81. P.P. of komen
    gekomen
  82. P.P. of spreken
    gesproken
  83. P.P. of tellen
    geteld
  84. P.P. of luisteren
    geluisterd
  85. P.P. of mailen
    gemaild
  86. P.P. of bellen
    gebeld
  87. P.P. of helpen
    geholpen
  88. P.P. of weten
    geweten
  89. P.P. of staan
    gestaan
  90. P.P. of liggen
    gelegen
  91. P.P. of geven
    gegeven
  92. P.P. of spellen
    gespeld
  93. P.P. of sturen
    gestuurd
  94. P.P. of zeggen
    gezegd
  95. P.P. of hebben
    gehad
  96. P.P. of bedoelen
    bedoeld
  97. P.P. of willen
    gewild
  98. P.P. of praten
    gepraat
  99. P.P. of brengen
    gebracht
  100. P.P. of mogen
    gemogen
  101. P.P. of vragen
    gevraagd
  102. P.P. of nemen
    genomen
  103. P.P. of kosten
    gekost
  104. P.P. of verstaan
    verstaan
  105. P.P. of gaan
    gegaan
  106. P.P. of vertrekken
    vertrokken
  107. P.P. of opschrijven
    opgeschreven
  108. P.P. of schrijven
    geschreven
  109. P.P. of zitten
    gezeten
  110. P.P. of roken
    gerookt
  111. P.P. of vliegen
    gevlogen
  112. P.P. of doen
    gedaan
  113. P.P. of bezoeken
    bezocht
  114. P.P. of bekijken
    bekeken
  115. P.P. of kennen
    gekend
  116. P.P. of moeten
    gemoeten
  117. P.P. of uitstappen
    uitgestapt
  118. P.P. of fietsen
    gefietst
  119. P.P. of wandelen
    gewandeld
  120. P.P. of eten
    gegeten
  121. P.P. of huren
    gehuurd
  122. before that
    for that (purpose)
    daarvoor
  123. the following
    volgende
  124. window(s)
    ticket office(s)
    • het loket
    • de loketten
  125. to pay
    betalen
  126. P.P. of betalen
    betaald
  127. past tense of betalen
    betaalde
  128. to get
    krijgen
  129. P.P. of krijgen
    gekregen
  130. past tense of krijgen
    kreeg
  131. day ticket(s)
    • de dagkaart
    • de dagkaarten
  132. storage(s)
    • de stalling
    • de stallingen
  133. all day
    de hele dag
  134. to use
    gebruiken
  135. P.P. of gebruiken
    gebruikt
  136. past tense of gebruiken
    gebruikte
  137. you've got to
    u moet.....wel
  138. passport(s)
    • de paspoort
    • de paspoorten
  139. driver's license(s)
    • de rijbewijs
    • de rijbewijzen
  140. to show
    laten zien
  141. to let
    laten
  142. the price(s)
    • de prijs
    • de prijzen
  143. a 3-speed (bike)
    met 3 versnellingen
  144. without
    zonder
  145. week(s)
    • de week
    • de weken
  146. car(s)
    • de auto
    • de auto's
  147. Monday
    maandag
  148. Tuesday
    dinsdag
  149. Wednesday
    woensdag
  150. Thursday
    Donderdag
  151. Friday
    vrijdag
  152. Saturday
    zaterdag
  153. Sunday
    zondag

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview