DSS - Les 3.txt

Card Set Information

Author:
josique
ID:
244079
Filename:
DSS - Les 3.txt
Updated:
2014-01-08 21:31:48
Tags:
Les
Folders:
Dutch
Description:
Les 3
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user josique on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. tram
    streetcar
    • de tram
    • de trams
  2. may, to be allowed to
    mogen
  3. something
    iets
  4. to ask
    vragen
  5. where
    waar
  6. central station
    het centraalstation
  7. rather, quite
    nogal
  8. far
    ver
  9. the best thing
    het beste
  10. to take
    nemen
  11. taxi
    • de taxi
    • de taxi's
  12. or
    of
  13. to say
    zeggen
  14. number 10 (route)
    lijn 10
  15. line
    • de lijn
    • de lijnen
  16. (tram) stop
    • de (tram)halte
    • de (tram)haltes
  17. at the other side
    across
    aan de overkant
  18. I am
    Ik ben
  19. You are (sing., inform.)
    Jij bent
  20. You are (form.)
    U bent
  21. He is
    Hij is
  22. She is
    Zij is
  23. It is
    Het is
  24. You are (plur., inform.)
    Jullie zijn
  25. We are
    Wij zijn
  26. They are
    Zij zijn
  27. I have
    Ik heb
  28. You have (sing., inform.)
    Jij hebt
  29. You have (formal)
    U hebt / heeft
  30. He has
    Hij heeft
  31. She has
    Zij heeft
  32. It has
    Het heeft
  33. We have
    Wij hebben
  34. You have (plur., inform)
    Jullie hebben
  35. They have
    Zij hebben
  36. To go
    Gaan
  37. To have
    Hebben
  38. To be
    Zijn
  39. Shall
    Will
    Zullen
  40. Can
    To be able to
    Kunnen
  41. To want
    Willen
  42. May
    To be allowed to
    Mogen
  43. I go
    Ik ga
  44. You go (sing. Inform)
    Jij gaat
  45. You go (formal)
    U gaat
  46. She goes
    Zij gaat
  47. He goes
    Hij gaat
  48. It goes
    Het gaat
  49. We go
    Wij gaan
  50. They go
    Zij gaan
  51. You go (plur., inform)
    Jullie gaan
  52. I shall
    Ik zal
  53. You shall (sing., inform)
    Jij zult / zal
  54. You shall (formal)
    U zult / zal
  55. He shall
    Hij zal
  56. She shall
    Zij zal
  57. It shall
    Het zal
  58. We shall
    Wij zullen
  59. They shall
    Zij zullen
  60. You shall (plur., inform)
    Jullie zullen
  61. I can
    Ik kan
  62. You can (sing., inform)
    Jij kunt / kan
  63. You can (formal)
    U kunt / kan
  64. He can
    Hij kan
  65. She can
    Zij kan
  66. It can
    Het kan
  67. We can
    Wij kunnen
  68. They can
    Zij kunnen
  69. You can (plur., inform)
    Jullie kunnen
  70. I want
    Ik wil
  71. You want (sing., inform)
    Jij wil / wilt
  72. You will (formal)
    U wilt
  73. He will
    Hij wil
  74. She will
    Zij wil
  75. It will
    Het wil
  76. They will
    Zij willen
  77. We will
    Wij willen
  78. You will (plur., inform)
    Juliie willen
  79. I may
    Ik mag
  80. He may
    Hij mag
  81. She may
    Zij mag
  82. It may
    Het mag
  83. You may (formal)
    U mag
  84. You may (sing., inform)
    Jij mag
  85. You may (plur., inform)
    Jullie mogen
  86. We may
    Wij mogen
  87. They may
    Zij mogen
  88. employee
    counter clerk
    • de lokettist
    • de lokettisten
  89. How much
    How many
    Hoeveel
  90. To cost
    Kosten
  91. Train
    • De trein
    • De treinen
  92. Sorry?
    Pardon?
    Wat zegt u?
  93. Could you say that again?
    • Kun je dat nog een keer zeggen?
    • Kun je dat nog eens zeggen?

    • Kunt u dat nog een keer zeggen?
    • Kunt u dat nog eens zeggen?
  94. I don't understand
    Ik versta u niet
  95. ....did you say?
    ....zegt u?
  96. Employee
    Counter clerk
    • De lokettist
    • De lokettisten
  97. How much
    How many
    Hoeveel
  98. To cost
    Kosten
  99. Train
    • De trein
    • De treinen
  100. By train
    Met de trein
  101. Boat
    Ferry
    • De boot
    • De boten
  102. Ticket
    • Het kaartje
    • De kaartjes
  103. London
    Londen
  104. Single/one-way ticket
    De enkele reis
  105. Return/round-trip ticket
    • Het retourtje
    • De retourtjes
  106. I am sorry
    Het spijt me
  107. To understand
    Verstaan
  108. Again
    Nog een keer
  109. To go
    Gaan
  110. Through
    Via
  111. Euro
    • De euro
    • De euro's
  112. For
    Before
    Voor
  113. A six year old
    Een kind van zes
  114. Child
    • Het kind
    • De kinderen
  115. What time...?
    Hoe laat...?
  116. When...?
    Wanneer....?
  117. What time is it?
    Hoe laat is het?
  118. At....
    Om...
  119. It is...
    Het is...
  120. One more question
    Nog een vraag
  121. Question
    • De vraag
    • De vragen
  122. Late
    Laat
  123. Train
    • De trein
    • De treinen
  124. To leave
    Vertrekken
  125. X times
    X keer
  126. Per day
    Per dag
  127. Day
    • De dag
    • De dagen
  128. At.....o'clock
    Om....(uur)
  129. Half past 12
    Half één
  130. In the morning
    • 'S ochtends
    • 'S morgens
  131. When
    Wanneer
  132. Morning
    • De morgen
    • De morgens
    • De ochtend
    • De ochtenden
  133. In the afternoon
    'S middags
  134. Afternoon
    • De middag
    • De middagen
  135. In the evening
    'S avonds
  136. Evening
    • De avond
    • De sbonden
  137. At night
    'S nachts
  138. Night
    • De nacht
    • De nachten
  139. At 9:00
    Om negen uur
  140. To write down
    Opschrijven
  141. To write
    Schrijven
  142. Of course
    Sure
    Ja zeker
  143. Here you are
    Alstublieft
  144. Your (possessive pronoun)
    Uw
  145. Information
    De informatie
  146. Time
    De tijd
  147. Hour
    • Het uur
    • De uren
  148. Quarter
    Kwart
  149. Over
    Past (telling time)
    Over
  150. Half
    Half
  151. Before
    To (telling time)
    Voor
  152. Minute
    • De minuut
    • De minuten

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview