b.txt

Card Set Information

Author:
kniknik
ID:
248
Filename:
b.txt
Updated:
2009-10-14 04:15:11
Tags:
Nederlandse \'b\' woorden
Folders:

Description:
Dutch vocab
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user kniknik on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. baan; de
    job
  2. baard; de
    beard
  3. baas; de
    boss
  4. babbelen
    to chat
  5. bad; het
    bath
  6. baden
    to bathe
  7. badkamer; de
    bathroom
  8. badplaats; de
    seaside resort
  9. bak; de
    bin; bowl
  10. bakken
    to bake; fry
  11. bakker; de
    baker
  12. bal; de
    ball
  13. balpen; de
    ball point pen
  14. banaan; de
    banana
  15. band; de
    tape; band; tyre
  16. bandiet; de
    bandit
  17. bang
    afraid
  18. bank; de
    bank; sofa
  19. baret; de
    cap; beret
  20. barkruk; de
    barstool
  21. barst; de
    crack
  22. barsten
    to crack; burst
  23. basis; de
    base; basis
  24. basisschool; de
    primary school
  25. beantwoorden
    to reply; answer
  26. bed; het
    bed
  27. bedelaar; de
    beggar
  28. bedelen
    to beg
  29. bedenken
    to think of/up
  30. bederven
    to spoil; go bad
  31. bedoelen
    to mean
  32. bedorven
    spoiled; off
  33. bedrag; het
    amount
  34. bedragen
    amount to; add up to
  35. bedriegen
    deceive; swindle
  36. bedrijf; het
    company
  37. bedroefd
    sad
  38. be(e")indigen
    end; conclude
  39. beeld; het
    image; picture
  40. been; het
    leg; bone
  41. beer; de
    bear; boar
  42. beetje; het
    little
  43. beetpakken
    to seize; grip
  44. begane grond
    ground floor
  45. beginnen
    to begin
  46. begraafplaats; de
    cemetary
  47. begrafenis; de
    funeral
  48. begraven
    to bury
  49. begrijpen
    to understand
  50. begroeten
    to greet
  51. beha; de
    bra
  52. behalen
    to gain (a prize); obtain (a certificate)
  53. behalve
    except; besides
  54. behoorlijk
    proper; decent
  55. behoren
    to belong
  56. behouden
    to keep; preserve
  57. behulpzaam
    helpful
  58. beide
    both; either
  59. beige
    beige
  60. bejaard
    aged
  61. bek; de
    mouth (of animal)
  62. bekend
    well-known
  63. bekennen
    to confess
  64. bekentenis; de
    confession
  65. beker; de
    cup; mug
  66. bekijken
    to look at
  67. bel; de
    bell; bubble
  68. belachelijk
    ridiculous
  69. belang; het
    interest; importance
  70. belangrijk
    important
  71. beledigen
    to insult
  72. beledigend
    insulting
  73. belegen
    matured; ripe (cheese)
  74. bellen
    to ring
  75. belofte; de
    promise
  76. belonen
    to reward
  77. beloning; de
    reward
  78. beloven
    to promise
  79. beluisteren
    listen (in) to
  80. bemoeien
    to meddle; interfere
  81. beneden
    below; downstairs
  82. bepaald
    fixed; defined
  83. bepalen
    t define; determine
  84. bepaling;de
    definition; clause
  85. bereiken
    to reach
  86. berg; de
    mountain
  87. beroemd
    famous
  88. beroemdheid; de
    celebrity
  89. beroep; het
    profession
  90. beroven
    to rob
  91. berucht
    notorious
  92. beschaafd
    civilized; cultured
  93. beschrijven
    to describe
  94. bescrijving; de
    description
  95. beschuldingen
    to accuse
  96. beschuldiging; de
    accusation
  97. beslissen
    to decide
  98. beslissing; de
    decision; ruling
  99. beslist
    definite
  100. besluiten
    to decide; conclude
  101. bespreken
    to discuss; book (seats)
  102. best
    best
  103. bestaan
    to exist
  104. bestaan; het
    existence
  105. bestellen
    to order
  106. betalen
    to pay (for)
  107. betaling; de
    payment
  108. betekenen
    to mean; signify
  109. betekenis; de
    meaning; significance
  110. betreffen
    to concern; relate to
  111. betrekkelijk
    relative; comparative
  112. betrekking; de
    relation; post; job
  113. betrouwbaar
    reliable
  114. betweter; de
    know-it-all; wise-guy
  115. beunhaas; de
    bungler; dabbler
  116. beurt; de
    turn
  117. bevallen
    to please; give birth to
  118. bevel; het
    command; order
  119. bevelen
    to command
  120. bevestigen
    to fasten; affirm
  121. bevinden (zich)
    to find (oneself)
  122. bevolking; de
    population
  123. bevolkingsdichtheid; de
    population density
  124. bevrijden (zich)
    to free (oneself)
  125. bevrijding; de
    liberation; release
  126. bewegen
    to move; stir
  127. beweging; de
    motion; movement
  128. beweren
    to assert; maintain
  129. bewijs; het
    proof
  130. bewijzen
    to prove
  131. bewolking; de
    clouds
  132. bewonderen
    to admire
  133. bewondering; de
    admiration
  134. bezig
    busy; engaged
  135. bezoek; het
    visit; call
  136. bezoeken
    to visit
  137. bezorgen
    to deliver
  138. bezwaar; het
    objection; difficulty
  139. bibliotheek; de
    library
  140. bidden
    to pray
  141. bieden
    to offer; bid
  142. bieder; de
    bidder
  143. biefstuk; de
    rumpsteak
  144. bier; het
    beer
  145. biet; de
    beetroot
  146. bij; de
    bee
  147. bij
    by; near; with
  148. bijgeloof; het
    superstition
  149. bijgelovig
    superstitious
  150. bijkomen (van)
    come to/round
  151. bijna
    almost; nearly
  152. bijtten
    bite
  153. bijvoorbeeld
    for example
  154. bijvoeglijk naamwoord
    adjective
  155. bijwoord; het
    adverb
  156. bijzin; de
    subordinate clause
  157. bijzonder
    special; particular
  158. bijzonderheid; de
    deail; particular
  159. bil; de
    buttock
  160. biljart; het
    billiards; billiard table
  161. biljet; het
    ticket; poster
  162. binden
    to bind; tie
  163. binnen
    inside; within
  164. binnenkant; de
    inside
  165. binnenkort
    shortly; before long
  166. binnenstebuiten
    inside out
  167. bioloog; de
    biologist
  168. bioscoop; de
    cinema
  169. blad; het (mv bladeren)
    leaf; magazine; paper
  170. bladeren
    to leaf
  171. blaffen
    to bark
  172. blank
    white
  173. blaten
    to bleat
  174. blauw
    blue
  175. blazen
    to blow
  176. blesseren
    to injure
  177. blij
    glad; happy
  178. blijdschap; de
    gladness; joy
  179. blijken
    to appear; be evident
  180. blijven
    to stay
  181. blik; de
    look; glance
  182. bliksem; de
    lightning
  183. bliksemen
    to flash; blaze
  184. blind
    blind
  185. blinddoek; de
    blindfold
  186. blinken
    shine; gleam
  187. bloed; het
    blood
  188. bloeden
    to bleed
  189. bloei
    flowering
  190. bloeien
    to blossom; bloom
  191. bloem; de
    flower
  192. bloemetje; het
    bunch of flowers
  193. blok; het
    block; log
  194. blokje; het
    cube; square
  195. blond
    blond
  196. bloot
    bare; naked
  197. blouse; bloes; de
    blouse
  198. bluffen
    to brag
  199. blunder; de
    blunder
  200. blussen
    to extinguish
  201. blut
    (slang) hard up
  202. boek; het
    book
  203. boekenworm; de
    bookworm
  204. boeket; het
    bouquet
  205. boekhandel; de
    bookshop
  206. boekhouden
    to keep the books
  207. boer; de
    farmer; peasant
  208. boerin; de
    farmer's wife
  209. boerderij; de
    farmhouse
  210. boerenkool; de
    curly kale
  211. boezem; de
    bosom
  212. bok; de
    billy goat
  213. bom; de
    bomb
  214. bon; de
    receipt
  215. bond; de
    confederation; union
  216. boodschap; de
    message
  217. boodschappen; de
    shopping
  218. boom; de
    tree
  219. boos
    angry; evil
  220. boot; de
    boat
  221. bord; het
    plate; board
  222. borrel; de
    drink
  223. borrelen
    to have a drink
  224. borst; de
    brest; bosom; chest
  225. borstel; de
    brush
  226. bos; het
    wood; forest
  227. bos; de
    bunch
  228. boswachter; de
    forester
  229. bot; het
    bone
  230. bot
    blunt; dull
  231. boter; de
    butter
  232. boterham; de
    slice of bread
  233. bouwen
    to build
  234. boven
    above; upstairs
  235. bovendien
    besides; moreover
  236. brabbelen
    to jabber
  237. braden
    to roast; grill
  238. brand; de
    fire
  239. branden
    to burn
  240. brandspuit; de
    fire-engine
  241. brandweer; de
    fire-brigade
  242. breed
    broad; wide
  243. breien
    to knit
  244. brein; het
    brains
  245. breken
    to break
  246. brengen
    to bring
  247. brief; de
    letter
  248. briefje; het
    note
  249. brievenbus; de
    letter box
  250. brigade; de
    brigade
  251. bril. de
    pair of glasses
  252. briche; de
    brooch
  253. broek; de
    pair of trousers
  254. broer; de
    brother
  255. bromfiets; de
    moped
  256. brood; het
    bread
  257. broodje; het
    bread roll
  258. brouwen
    to brew
  259. brouwerij; de
    brewery
  260. brug; de
    bridge
  261. bruiloft; de
    wedding
  262. bruin
    brown
  263. bruisen
    to sparkel
  264. brutaal
    cheeky
  265. bruut; de
    brute
  266. bui; de
    shower (of rain); mood
  267. buigen
    to bend; bow
  268. buik; de
    belly
  269. buikje; het
    middle-aged spread
  270. buiten
    outside
  271. buitenland; het
    foreign country
  272. buitenlander; de
    foreigner
  273. buitenlands
    foreign
  274. buitensporig
    extravagant
  275. bulderen
    to roar
  276. burgemeester; de
    mayor
  277. burger; de
    citizen
  278. burgerlijk
    civil; middleclass
  279. burgertante; de
    middle class woman
  280. bus; de
    bus; box; tin; canister
  281. bushalte; de
    bus stop
  282. buur; de
    neighbour
  283. buurt; de
    neighbourhood

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview