Dutch1

Card Set Information

Author:
lutherwalden
ID:
249247
Filename:
Dutch1
Updated:
2013-12-03 09:34:23
Tags:
dutch vocabulary
Folders:

Description:
Random dutch vocabulary
Show Answers:

Home > Flashcards > Print Preview

The flashcards below were created by user lutherwalden on FreezingBlue Flashcards. What would you like to do?


  1. sun
    de zon
  2. rain
    de regen
  3. puddle
    de plas
  4. thunder
    de donder
  5. lightning
    de bliksem
  6. storm
    de storm
  7. thunderstorm
    de onweersbui
  8. weather
    het weer
  9. temperature
    de temperatuur
  10. degree
    de graad
  11. snow
    de sneeuw
  12. flood
    de vloed
  13. frost
    de vorst
  14. fog
    de mist
  15. wind
    de wind
  16. cloud
    de wolk
  17. to snow
    sneeuwen, sneeuwde, gesneeuwd
  18. to hail
    hagelen, hageelde, gehageeld
  19. to freeze
    vriezen, vroos, gefrozen
  20. to rain
    regenen, regeende, geregeend
  21. to shine
    schijnen, scheen, geschenen
  22. foggy
    mistig
  23. cloudy
    bewolkt
  24. sunny
    zonnig
  25. icey
    ijzig
  26. windy
    winderig
  27. most
    meest
  28. empty
    leeg
  29. whole
    geheel
  30. a few
    een paar
  31. few
    weinig
  32. some
    sommig
  33. heavy
    zwaar
  34. square
    vierkant
  35. triangle
    driehoek
  36. triangular
    driehoekig
  37. round
    rond
  38. straight
    recht
  39. correct
    correct
  40. wrong
    verkeerd
  41. angry
    woedend
  42. sad
    droevig
  43. happy
    gelukkig
  44. upset
    van streek
  45. depressed
    gedeprimeerd
  46. satisfied
    tevreden
  47. wonderful
    prachtig
  48. power
    kracht
  49. powerful
    krachtig
  50. lonely
    eenzaam
  51. great/immense
    geweldig
  52. sign/symbol
    het teken
  53. to enlarge
    vergroten, vergrootte, vergroot
  54. to breathe
    ademen, ademde, geademd
  55. joke
    de grap
  56. funny
    grappig
  57. button
    de knoop
  58. picture/painting
    het schilderij
  59. art
    de kunst
  60. artwork
    het kunstwerk
  61. homework
    het huiswerk
  62. to expect
    verwachten, verwachtte, verwacht
  63. to treat
    trakteren, trakteerde, getrakteerd
  64. bad/nasty
    beroerd
  65. job
    de klus
  66. to curl
    krullen, krulde, gerkruld
  67. bus
    de bus
  68. grass
    het gras
  69. to regulate/order
    regelen, regelde, geregeld
  70. to change
    veranderen, veranderde, veranderd
  71. bad
    ergs
  72. sparrow
    de mus
  73. violin
    de viool
  74. inconvenient
    lastig
  75. cynical
    cynische
  76. shower
    de douche
  77. text
    de tekst
  78. condolences
    gecondoleerd
  79. face
    het gezicht
  80. dangerous
    gevaarlijk
  81. little joke
    de geintje
  82. stupid
    stom
  83. deaf
    doof
  84. similar/equal
    gelijk
  85. to let/leave
    laten, liet, gelaten
  86. dull/monotonous
    saai
  87. ankle
    de enkel
  88. pregnant
    zwanger
  89. feeling
    het gevoel
  90. dislike
    hekel
  91. message
    het bericht
  92. stubborn
    koppig
  93. to name
    noemen, noemde, genoemd
  94. pressure
    de druk
  95. sentence
    de zin
  96. angry/mad
    boos
  97. to set/put
    zetten, zette, gezet
  98. correct/true
    juist
  99. anyone/everyone
    iedereen
  100. lorry
    de vrachtwagen
  101. pineapple
    de ananas
  102. bear
    de beer
  103. history
    de geschiedenis
  104. politics
    de politiek
  105. job (2)
    de baan
  106. at least
    tenminste
  107. accent
    het accent
  108. to recognise
    herkennen, herkende, herkend
  109. countryside
    het platteland
  110. around
    rondom
  111. forest
    het bos
  112. translation
    de vertaling
  113. different
    verschillend
  114. glad
    blij
  115. worse
    erger
  116. poor (emotional)
    arm
  117. funeral
    de begrafenis
  118. hopefully
    hopelijk
  119. responsible
    verantwoordelijk
  120. responsibility
    verantwoord
  121. still/silent/calm
    stil
  122. pregnancy
    de zwangerschap
  123. first/previously
    eerder
  124. admit
    toegeven, toegaf, toegegeven
  125. painful
    pijnlijk
  126. pathetic
    zielig
  127. whose?
    wiens?
  128. to prove/demonstrate
    bewijzen, bewees, bewezen
  129. inheritance
    de erfenis
  130. gladly
    graag
  131. any
    enig
  132. (my) own
    eigen
  133. to agree/arrange
    afspreken, afgesproken
  134. only one/thing
    enigste
  135. suicide
    zelfmoord
  136. resolution/solution
    de oplossing
  137. to solve
    oplossen, oploste, opgelost
  138. awake
    wakker
  139. birthday
    de verjaardag
  140. to relinquish/give up
    opgeven, opgaf, opgegeven
  141. whilst
    terwijl
  142. full
    vol
  143. cop (police)
    de smeris
  144. heating
    de verwarming
  145. to suspect
    verdenken, verdacht, verdacht
  146. suspect
    de verdachte
  147. to forget
    vergeten, vergat, vergeten
  148. to forgive
    vergeven, vergaf, vergeven
  149. such
    zulk
  150. to break up
    uitmaken, uitmaakte, uitgemaakt
  151. salary/wage
    het salaris
  152. to shoot
    schieten, schoot, geschoten
  153. safe
    veilig
  154. innocence
    onschuld
  155. to confess
    bekennen, bekende, bekend
  156. to remember
    herinneren, herinnerde, herinnerd

What would you like to do?

Home > Flashcards > Print Preview